Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: Maravdlaar13082002 - 2 maanden geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Hoofdstuk 2
Vier domeinen van taal: spreken, luisteren, lezen en schrijven
Productief: spreken en schrijven
Receptief: luisteren en lezen

Ontluikende geletterdheid: 0 tot 4 jaar. Geleidelijk ontdekken dat er geschreven taal bestaat.
Beginnende geletterdheid: groep 1,2 en 3. Verband tussen gesproken en geschreven taal en het alfabetisch schrift. Eerste woordjes schrijven en meer betekenis
Gevorderde geletterdheid: groep 4 tot 8. Steeds meer woorden en makkelijker lezen. Gedachten en gevoelens omzetten in taal

Functies van taal: middel tot communicatie, greep te krijgen op de werkelijkheid en expressie.
Zender boodschap ontvanger. Communicatie is altijd in een context.

Communicatieregels: duidelijk, efficint, gepast, aantrekkelijk en correct.

Communicatie model:
- Zakelijk aspect: de boodschap heeft een bepaalde inhoud.
- Expressieve effect: de booschap vertelt iets over de persoonlijkheid van de zender.
- Relationele aspect: de boodschap geeft aan hoe de zender de ontvanger ziet.
- Appellerende aspect: zender heeft invloed op de ontvanger

Betekenis van taal
1. Concepten en labels: een woord is een concept met verschillende labels. Een concept is een beeld wat iemand van een woord heeft. Bij stoel denken mensen aan een zitmeubel met vier poten. Een label is hoe je een woord zegt. Wij zeggen stoel maar Engelse zeggen chair. Dit woord is een label die je ergens op plakt. Poolse kinderen die Nederlands leren kennen het concept stoel, maar hun label is een klankvorm uit hun eigen taal.
2. Concreet of abstract: bij concrete woorden kun je je zintuigen gebruiken. Bijvoorbeeld: hond, citroen, piano. Je kunt het zien, aanraken, ruiken en horen. Bij abtracte woorden heb je geen zintuigelijke ervaringen. Bijvoorbeeld: haat en onderwijs.
3. Letterlijk en figuurlijk: letterlijk is dat je met woorden precies zegt wat je bedoelt. Figuurlijk is een vorm van beeldspraak
4. Denotatie of connotatie: denotatie is de formele betekenis van een woord. connotatie is het gevoel bij een woord. Fiets en rijwiel hebben dezelfde betekenis maar een ander gevoel.

Meervoudige betekenis
- Polysemie: hetzelfde woord in verschillende contexten een iets andere betekenis. Wel naar n betekenis maar steeds een andere nuance. Geld briefgeld, hoeveelheid.
- Homoniemen: woorden met dezelfde klank en zelfde schriftelijke uitdrukking met een andere betekenis. Bijvoorbeeld: bank. Zitmeubel en waar je geld kan halen.

Woordrelaties
- Synoniemen: woorden die hetzelfde betekenen: fiets en rijwiel
- Antoniemen: woorden die het tegenovergestelde zijn: jong en oud, warm en koud
- Hyperoniem: koepelwoord dat een verzameling woorden aanduidt. Meubel is een hyperoniem van stoel en tafel.
- Hyponiem: woord dat onderdeel is van een verzameling. Stoel en tafel zijn hyponiemen van het hyperoniem meubel.

Vaktaalwoorden: woorden die bij schoolvakken worden gebruikt zoals: tweede wereldoorlog, gemiddelde, keersom.
Schooltaalwoorden: woorden die in onderwijssituaties worden gebruikt zoals: oorzaak en gevolg, tenzij en desondanks.
Signaalwoorden: woorden die de lezer informatie geven over de taal en denkrelaties in een tekst zoals: morgen, tussentijds, daadwerkelijk, desondanks.

Foneem: kleinste eenheid van spreken en luisteren. Klanken die allemaal dezelfde betekenis onderscheidende functie hebben. In het Nederlands zijn er 40 fonemen. Daarmee kunnen we alle woorden van het Nederlands maken. Onderscheiden in klinkers, tweeklanken en medeklinkers.
Grafeem: kleinste eenheid van schrijven en lezen.
Morfemen: een woord heeft altijd minstens n morfeem. je hebt vrije morfemen en gebonden morfemen. Tuintje heeft 1 vrije en 1 gebonden morfeem. Tuin is een vrij morfeem, je kunt het ook los gebruiken en tje is gebonden omdat het geen woord op zichzelf is.
Samenstelling: woord die bestaat uit delen die ook zelf als woord kunnen voorkomen zoals: overhalen, kersenpit, ijskoud en daarmee.
Afleidingen: woorden die bestaan uit een woord met een affix (aanplaksel). Zoals berijden, lepeltje, achtig.
Prefix: voorvoegsel
Affix: aanplaksel

Fonologie: ook wel klankleer genoemd. Klanken van Nederlands en andere talen.
Morfologie: vormleer van woorden. Woordstructuur en woordvorming. Taalkundig ontleden. Daarbij zijn er 10 woordsoorten: ZN, BN, telwoord, ww, voornaamwoord, bijwoord, voegwoord, voorzetsel, lidwoord, tussenwerkpsel.

Syntaxis: ook wel zinsleer genoemd. Soorten zinnen en met de regels om woorden samen te voegen tot grammaticaal correcte zinnen.
Zinsontleden: ook wel redekundig ontleden genoemd. Zinsdelen van een zin benoemen naar de grammaticale functie zoals: onderwerp, persoonsvorm, gezegde, lijdend voorwerp enz.
Tekstlingustiek: ook wel tekstleer genoemd. Soorten teksten en met de regels om zinnen samen te voegen tot een samenhangend geheel.
Cohesie: syntactische samenhang van teksten. Uiterlijke kenmerken zorgen ervoor dat zinnen samen een tekst vormen. Door verwijswoorden
Coherentie: inhoudelijke samenhang van teksten. Twee zinnen die bij elkaar passen.

Orthografie: regels van spelling. Geheel van regels waarin gesproken taal omgezet kan worden in geschreven taal.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document