Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: Leilah - 1 maand geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Hoofstuk 23 Multiple sclerose

23.1. Ziektebeeld
MS
- Chronische hersenziekte
- Inflammatie en degeneratie in CZS
Verstoring signaaloverdracht en uitvalsverschijnselen
- Vrouw:man = 2:1
- Meest voorkomende neurologische aandoening op jongvolwassen leeftijd
- Diagnose 20-40 jaar
1,5% bij kinderen

23.1.1. Etiologie en neuropathologie van MS
- Multifactorile oorzaak
- Risicofactoren:
Vitamine D-tekort
Obesitas op jonge leeftijd
Roken
EBV-infectie
- Erfelijkheid
Genetische afwijkingen geen primaire oorzaak
Kinderen van ouders met MS 10-15 keer meer kans

Pathologie
- demyelinisatie, inflammatie en neurodegeneratie
- Inflammatie relapses met acute symptomen
Outside-in hypothese: T- en B-cellen vallen myeline aan
Inside-out hypothese: loslaten myeline van axon als primaire reactie
- Neurodegeneratie: verlies van neuronen en axonen in zowel witte als grijze stof
Prominenter in progressieve fases
Zichtbaar als atrofie op MRI

23.1.2. Ziektebeloop
- Symptomen variren afhankelijk van locatie en uitgebreidheid van hersenschade
- Individueel beloop moeilijk te voorspellen
- Relapsing Remitting-MS (RRMS)
85%
Aanvalsgewijze verslechtering (relapse) gevolgd door (bijna) volledig herstel (remissie)
- Secundair Progressieve MS (SPMS)
15-30% van RRMS gevallen
Geen relapses, maar geleidelijke achteruitgang
- Primair Progressieve MS (PPMS)
12%
Geleidelijke progressieve achteruitgang vanaf het begin
- Progressive Relapsing MS (PRMS)
Minder voorkomende vorm
Ernstige geleidelijke achteruitgang met relapses bij aanvang
- Clinically Isolated Syndrome (CIS)
Eenmalige episode, mogelijk voorstadium MS
Bij 1/3e blijft het hierbij; rest ontwikkelt MS na tweede episode
Levensverwachting en impact
- Gemiddeld 7,5 jaar korter
- Beperkingen en toenemende invaliditeit invloed levenskwaliteit
- Complicaties als urineweginfecties kunnen leiden tot overlijden
- Grote impact op maatschappelijke participatie en toekomstplannen
- Diagnose in bloei van het leven verlies toekomstbeeld en onzekerheid

23.1.3. Klinisch beeld
- Lichamelijke en cognitieve symptomen t.g.v. hersenschade
- Begin MS-symptomen: acute visusstoornissen (neuritis optica) en gevoelsstoornissen in de ledematen (vaak)
- Motorische stoornissen, blaas- en darmproblemen, spasticiteit, pijn, seksuele disfunctie, cognitieve stoornissen en vermoeidheid
> 80% ervaart vermoeidheid (meest voorkomend en invaliderend)
Cognitieve stoornissen en vermoeidheid zijn aspecifieke symptomen ( vertraagde diagnostiek)





23.1.4. Diagnostische criteria

- Neuroloog: klinisch beeld, lichamelijk onderzoek, MRI- en andere onderzoeken (bloed,- hersenvocht)
- McDonalds-criteria: disseminatie (spreiding) in plaats en tijd
Disseminatie in tijd: meerdere episoden van lichamelijke klachten over tijd
Disseminatie in plaats: klachten veroorzaakt door schade op min. twee locaties in hersenen/ruggenmerg
Bij PPMS zelfde principes; toepassing iets anders

Cognitieve stoornissen
- Geen specifieke criteria voor diagnose
- Aanbevolen: herhaaldelijk korte cognitieve screening (vroeg-signalering)
- Cognitieve klachten uitgebreid NPO
Tests voor informatieverwerking-snelheid, leren en geheugen, aandacht, executief functioneren, visuospatile perceptie, woordvloeiendheid + vragenlijsten vermoeidheid en stemming (angst en depressie)

23.1.5. MS en MRI

- MRI als diagnostische functie
- Monitoring van ziekteactiviteit
detectie nieuwe laesies (wittestofafwijkingen)
volgen van ziekteprogressie (neurodegeneratie)
- Laesies herstellen in principe niet; cumulatieve toename over tijd zichtbaar op MRI
Biedt inzicht in uitbreiding van hersenschade gedurende ziektebeloop
- Visualisatie van actieve inflammatie: T1-gewogen MRI-scan met gadolinium
Contrast dringt bloed-hersenbarrire binnen tijdens acute ontsteking
Ontsteking gemiddeld 4-6 weken actief; daarna niet meer mogelijk te visualiseren
- Neurodegeneratie: witte en grijze stof
Progressieve(re) stadia tonen atrofie van cortex, ventrikelverwijding en thalamusatrofie
Grijze stoflaesies niet goed mogelijk in kaart te brengen met standaard MRI-scans
23.1.6. Medicamenteuze behandeling van MS
- Ziektemodulerende farmacotherapie (> 10 verschillende middelen)
M.n. gericht op remmen van inflammatoire component en voorkomen van relapses
Variren in effectiviteit (29-68% minder relapses)
Eigen bijwerkingenprofielen; meer effectief = ernstigere bijwerkingen
- Weinig bekend over effectiviteit van ziektemodulerende therapie op cognitief functioneren
Neurodegeneratie niet goed aangepakt met huidige behandeling; meest gerelateerd aan cognitieve achteruitgang
- Medicatie voor specifieke symptomen
Vermoeidheid, slaapproblemen, somberheid, spasmen
Soms negatieve invloed op cognitieve functies
23.2. Neuropsychologische gevolgen van MS
23.2.1. Epidemiologie en impact van cognitieve stoornissen bij MS
- Prevalentie cognitieve stoornissen: 43-65%
Snelheid informatieverwerking en geheugen als eerst aangetast
Aandacht en EF later
- Ca. 65% binnen 5 jaar na diagnose arbeidsongeschikt

23.2.2. Cognitieve stoornissen en de verschillende MS-beloopsvormen
Neurodegeneratieve aspecten, zoals atrofie van de hersenschors en thalamus, zijn geassocieerd met cognitieve stoornissen.
- RRMS:
Acute inflammatie domineert
Neurodegeneratieve aspecten grotendeels afwezig (minder cognitie aangetast)
- SPMS:
Cognitieve stoornissen komen vaker voor en zijn ernstiger dan bij RRMS
Afname inflammatie en toename neurodegeneratie na verloop van tijd
- PPMS:
Afwijkingen vaker in ruggenmerg, beperkt in hersenen
Frequentie en ernst van cognitieve stoornissen zijn lager (komen wel voor)
Geslachtsverschillen
- Mannen ervaren snellere achteruitgang
Neurodegeneratieve kenmerken, incl. cognitieve stoornissen ontwikkelen sneller bij mannen
- Cognitief stoornisprofiel gelijk tussen mannen en vrouwen

23.2.3. Het beloop van cognitieve stoornissen en cognitieve relapses
- Langzaam progressief karakter
- SPMS: meer achteruitgang in cognitief functioneren
- 5-10% ontwikkelt neurocognitieve stoornis (DSM-5)
- Niet vergelijken met dementie
Verschillen in beloop en aard van cognitieve stoornissen
- Cognitieve relapses: acute cognitieve stoornissen, los van lichamelijke symptomen
Voorbijgaand; herstel vergt tijd
Vaak niet goed herkend of achteraf erkend als cognitieve relapse
23.2.4. De relatie tussen hersenschade en cognitieve stoornissen
- Locatie en ernst hersenschade verschilt per persoon
Individuele prognose over ziektebeloop en cognitief functioneren complex
- Klinisch-radiologische paradox:
Uitgebreide hersenschade; toch goede prestaties neuropsychologische tests
Beperkte hersenschade; toch uitgebreide cognitieve stoornissen
- Cognitieve reserve-/hersenreservehypothese: verklaring discrepantie hersenschade en cognitie
hoger opleidingsniveau latere ontwikkeling cognitieve stoornissen
uiteindelijk eindigen ze op hetzelfde niveau; reservecapaciteit uitgeput
23.2.5. Stoornissen per cognitief domein
Informatieverwerkingssnelheid
- cognitive slowing (mentale traagheid): door demyelinisatie witte stof
- microstructurele schade kan het cognitief functioneren benvloeden bij > 75% wittestofschade
cognitieve reserve?

Leren en geheugen
- episodische geheugenstoornissen; verbaal en visuospatiel
- vaker problemen met encoding dan met retrieval
- vertraagde informatieverwerkingssnelheid en hippocampale pathologie spelen rol

Overige cognitieve domeinen
- beperkt onderzoek
- centraal probleem: vertraagde informatieverwerking (invloed op diverse functies)
- 20-50% toont afwijking op complexe aandachtstaken
- 15-25% stoornissen in executieve functies (plannen, organiseren)
- 20-25% stoornissen in woordvloeiendheid
Probleem in EF of woordvinding
Rekening houden met vertraagde spraak
- 12-19% visueel-ruimtelijke functiestoornissen
Visueel-ruimtelijke orintatie, vormherkenning, gezichtsherkenning
- Sociale cognitie; emotionele gezichtsherkenning en ToM
Onbekende prevalentie
- Intellectueel redeneren en taalbegrip vaak intact

Interpretatie van tests wordt vaak bemoeilijkt door MS-gerelateerde klachten.
Handfunctie, visus

23.2.6. Vermoeidheid, stemming, pijn en persoonlijkheid
Vermoeidheid
- > 80%
- Benvloedt aandacht, concentratie en uitvoerende functies
- Zowel oorzaak als gevolg van cognitieve klachten

Stemmingsproblemen (depressie, angst)
- 20-30%
- Psychosociale factoren, stress en biologische factoren
- Beperkte copingsvaardigheden door cognitieve stoornissen verhogen risico op depressie

Pijn
- 26-86%
- Pijn, vermoeidheid en stemming onderling verbonden
- Kan afleiden en concentratieproblemen veroorzaken

Persoonlijkheid
- Geen overtuigende wetenschappelijke ondersteuning voor specifieke persoonskenmerken
- Euforie komt vaker voor, maar sombere stemming prominenter
- Ontregeling van gedrag en emoties vaak indirect gevolg van vermoeidheid en cognitieve stoornissen

Complexiteit relaties
- Vermoeidheid, stemming en pijn leiden tot cognitieve klachten, maar niet altijd tot objectieve cognitieve stoornissen
- Klachtenrapportages van partners/families vertonen sterkere relatie met objectief cognitief functioneren
- Differentiatie tussen klachten en stoornissen cruciaal

. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document