Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: sarahvacker - 1 maand geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst:
Zenuwstelsel bestaat uit 2 delen: een centraal deel en een perifeer deel.
Centrale zenuwstelsel (CZS):
Neuronen (zenuwcellen) van de hersenen.
Neuronen (zenuwcellen) van het ruggenmerg en hun ondersteunende cellen.
Perifere zenuwstelsel:
Zenuwen
Bundels uitlopers van neuronen die zintuigen verbinden met CZS
CZS met spieren en klieren
Bij hersenen en ruggenmerg een lichte en donkere kleur.
Grijze stof: donkere kleur is afkomstig van de cellichamen van de miljarden neuronen.
Lichte kleur: witte stof komt van myelineschede.
In hersenen liggen cellichamen aan buitenzijde en de uitloper met myeline aan binnenzijde

Hersenvloeistof zorgt voor extra bescherming tegen schokken en een afvoerroute voor
afvalstoffen. Om de hersenen te beschermen tegen ongewenste stoffen, is er een bloed-
hersenbarrire: laat selectief stoffen door (via actief transport).
Ruimtes tussen endotheelcellen van haarvaten zijn door klein door de verbindingen:
tight junctions. Astrocyten spelen een belangrijke rol bij de uitwisseling van stoffen tussen het
bloed en hersenvocht. Astrocyten ook wel gliacellen, steuncellen met veel uitlopers, die een
vrijwel gesloten kring rondom de haarvaten vormen.
Grote hersenen bestaan uit 2 helften, verbonden via hersenbalk. Informatie van neuronen
wordt doorgegeven in het grijze deel, de hersenschors.
Alle informatie uit omgeving gaat via zintuigen, zenuwen, ruggenmerg en hersenstam
naar de grote hersenen > ordenen en verwerken informatie.
Grote hersenen: logisch redeneren, je wil, het bewustzijn, geheugenfuncties en
emoties.
Geluid horen:
Impulsen gaan via hersenneuronen naar sensorische centra in de schors die bij de
zintuigen horen.
In primaire gehoorcentrum komen impulsen vanuit je gehoor binnen en vindt
bewustwording plaats: je hoort geluid.
Door geluid te koppelen aan geheugeninformatie in secundaire gehoorcentrum, kun je
geluid interpreteren.
Primaire motorische schors: kleine gebieden met neuronen die allemaal een eigen groep
spieren aansturen. Primaire motorische schors is verbonden met gebieden in de secundaire
motorische schors.
Secundaire motorische schors bevat informatie over hoe spieren hun bewegingen
gecordineerd kunnen uitvoeren.
Motorische schors van de rechterhersenhelft bestuurt de linkerzijde van het lichaam.
Alle informatie uit je zintuigen (behalve geur) gaat via thalamus naar je hersenschors.
Hypothalamus is betrokken bij homeostase, oa door aansturen van hypofyse. Hypothalamus
bevat ook de thermostaat voor het regelen van je lichaamstemperatuur en je biologische klok.
Kleine hersenen spelen vooral rol in cordineren van bewegingen, cordinatie vindt plaats in
nauwe samenwerking met de grote hersenen, hersenstam en het ruggenmerg.
Hersenstam:
Middenhersenen > rol bij reflexen met betrekking tot het zien en horen.
De pons > verbindt grote en kleine hersenen en is een tussenstation tussen het
evenwichtszintuig in je middenoor en kleine hersenen.
Verlengde merg > overgangsgebied van de hersenen naar je ruggenmerg. Hier kruisen
de zenuwbanen ook.
Alle hersenzenuwen bevinden zich in het gebied van het hoofd of de hals, behalve de
zwervende zenuw. Zwervende zenuw maakt onder andere verbindingen met verteringsklieren,
hart en longen.
Hersenstam gaat over in ruggenmerg, verbind hersenen met perifere zenuwstelsel.
Sensorische neuronen: impulsen vanuit zintuigen naar het ruggenmerg
Schakel neuron: impulsen van zenuwcel naar zenuwcel
Motorische neuronen: impulsen vanuit het ruggenmerg naar de spieren
Spinaal ganglion: verdikking met de cellichamen van de sensorische neuronen bij elkaar.
Buiten het ruggenmerg liggen aan beide zijden de grensstrengen met zijn eigen zenuwknopen
(ganglia)
Reflex: reactie op een prikkel zonder dat of voordat er bewustwording optreedt. Meeste
reflexen gaan via het ruggenmerg. Schakelneuronen in het ruggenmerg voorkomen bij een
reflex dat die op een ongewenste plek terecht komt. Reflexen uit het gebied van het hoofd gaan
via de hersenstam en de hersenzenuwen.
Reflexboog: de weg die impulsen bij bijvoorbeeld de kniepeesreflex afleggen. Reflexen
zijn aangeboren. Grote hersenen ontwikkelen motorprogammas: automatisch en
gecordineerde bewegingen mogelijk maken.

Zenuwstelsel bestaat uit neuronen en gliacellen: belangrijke ondersteunende taken.
Gliacellen:
Voeden en steunen neuronen
Bieden bescherming
Ruimen beschadigde cellen op
Verwijderen stoffen
Bijvoorbeeld cellen van Schwann.
Cellen van Schwann maken een isolerende myelineschede om lange zenuwuitlopers heen.
Neuron bestaat uit cellichaam, dat celkern bevat, en uitlopers. 2 type uitlopers:
Dendrieten: uitlopers die impulsen van zintuigcellen of andere neuronen naar het
cellichaam vervoeren
Axon: afvoerende uitloper
Iedere aftakking van het axon eindigt in meerdere synapsen. Synapsen: plaatsen waar het
neuron zijn informatie overdraagt aan een ander neuron > gebeurt via speciale stof:
neurotransmitter.
3 typen neuronen:
Sensorische neuronen: impulsen van zintuigcellen > CZS
Schakelneuronen: schakelen de impulsen van sensorische neuronen en andere
neuronen uit CZS door
Motorische neuronen: impulsen van CZS naar spieren of via grensstreng naar klieren.
Zenuw: bundels uitlopers van gemyeliniseerde neuronen, met bindweefsel (omgeeft en
isoleert) en bloedvaten.
Meeste zenuwen zijn gemengde zenuwen; bevatten dendrieten van sensorische
neuronen en axonen van motorische neuronen: impulsen gaan in de dendrieten en axonen in
tegenstelde richting.
90% cellen in hersenen en ruggenmerg zijn gliacellen, belangrijke rol om zenuwstelsel goed te
laten functioneren. 5 type gliacellen:
Astrocyten
Stervormige cellen met lange, sterk vertakte uitlopers.
Regelen de uitwisseling van stoffen tussen neuronen en het bloed.
Leveren steun aan neuronen en bij het herstel van een neuron na beschadiging.
Oligodendrocyten
Kleine cellen die verspreid in het CZS voorkomen
Vormen een myelineschede om uitlopers van neuronen in het CZS
Myelineschede isoleert en zorgt voor snellere impulsgeleiding > stukje
onderbroken, dit niet-gesoleerde stukje van uitloper: insnoering van Ranvier
Microgliacellen
Veranderen in fagocyten bij weefselbeschadiging en beschermen de neuronen
tegen ziekteverwekkers.
Ependymcellen
Endotheelcellen die hersenkamers en centrale kanaal van het ruggenmerg
bekleden.
Produceren hersen en ruggenmergsvocht > rondstromen door trilharen
Cellen van Schwann
Herstellen van beschadigde neuronen
In perifere zenuwstelsel een vergelijkbare rol als oligodendrocyten in CZS: vormen
een myelineschede om lange uitlopers van de neuronen.

Een actiepotentiaal ontstaat door een prikkel die de rustpotentiaal van -70 mV van een
neuron verandert doordat spanningsafhankelijke Na+
-poorten in het celmembraan van het
neuron openen. Daarbij stromen zoveel Na+
-ionen de cel in dat de membraanpotentiaal de
prikkeldrempel passeert en stijgt naar +30 mV (depolarisatie). Door de ladingsverandering
sluiten de spanningsafhankelijke K+
-poorten. K+
-ionen stromen de cel uit en de
membraanpotentiaal daalt (via -70 mV, repolarisatie) naar -80 mV (hyperpolarisatie). Na de
sluiting van de K+
-kanalen herstelt de rustpotentiaal.
Een actiepotentiaal ontstaat pas als de membraanpotentiaal boven de prikkeldrempel komt.
Gebeurt dit, dan stijgt de membraanpotentiaal tot +30 mV (alles). Komt de
membraanpotentiaal niet boven de prikkeldrempel uit, dan dooft het effect van de prikkel uit
(niets) => dit is het alles-of-niets principe.
Een impuls is een actiepotentiaal die zich langs het celmembraan verplaatst doordat telkens
nieuwe spanningsafhankelijke ionpoorten openen. Axonen met een myelineschede geleiden
door sprongsgewijze impulsgeleiding impulsen veel sneller dan axonen zonder myelineschede.
De myelineschedes zijn van elkaar gescheiden door een insnoering van Ranvier. Op deze
plaatsen kan in- en uitstroom van ionen plaatsvinden en dus een actiepotentieel ontstaan.
Impulsgeleiding gaat hier van de ene insnoering naar de andere insnoering: sprongsgewijze of
saltatoire impulsgeleiding.
In de absoluut refractaire periode zijn de spanningsafhankelijke Na+
-poorten korte tijd
ongevoelig. In de relatief refractaire periode is die ongevoeligheid beperkter.
Een sterkere prikkel leidt tot meer actiepotentialen per tijdseenheid.
Relatief refractaire periode: in membraan weer genoeg Na+ poorten beschikbaar, dan kan een
extra sterke prikkel tot een nieuw actiepotentiaal leiden.
Alles-of-niet principe: als prikkeldrempel is bereikt, is er geen houden meer aan. Blijft de
membraanpotentiaal onder de prikkeldrempel, dan gebeurt er niks. Verschillen in
prikkelsterkte leiden tot andere frequenties van actiepotentialen.
Impuls: verplaatsen van een actiepotentiaal over het membraan.

Neuronen maken contact met elkaar, dmv synapsen, hier kunnen impulsen overspringen op
het volgende neuron of kunnen uitdoven.
Tussen het membraan van het axon (presynaptische membraan) en het membraan van het
opvolgende neuron (postsynaptische membraan) zit een spleetvormige ruimte:
synapsspleet. Communicatie verloopt via een neurotransmitter, neuronen raken elkaar niet
aan.
Uiteinden van het axon van presynaptische cel bevatten synaptische blaasjes, gevuld met
neurotransmitter.
Stimulerende of remmende neurotransmitter
Neurotransmitter in postsynaptische neuron een actiepotentiaal laten ontstaan of
voorkomen.
Stappen overdracht van neurotransmitter:
1. Impuls komt aan het eind van een axon, dan openen Ca2+
-poorten in presynaptische
membraan en stromen Ca2+
-ionen het neuron in.
2. Blaasjes met neurotransmitter verplaatsen zich naar het presynaptisch membraan. Via
exocytose lozen ze hun neurotransmitters in de synapsspleet.
3. Bij activerende neurotransmitters bindt een deel aan receptoren van speciale voor deze
chemische stof gevoelige Na+
-poorten in het postsynaptische membraan.
4. Poorten gaan open en Na+
-ionen stromen het postsynaptische neuron in. Verhoogt de
membraanpotentiaal.
5. Genoeg Na+ poorten open > membraanpotentiaal bereikt de drempelwaarde en er
ontstaat een actiepotentiaal: exciterende postsynaptische potentiaal (EPSP).
Exciterende postsynaptische potentiaal (EPSP). Dit type neurotransmitter heeft een
exciterende (stimulerende) werking. EPSP activeert omliggende Na+ poorten die gevoelig zijn
voor potentiaalverandering.
Afstand tot prikkeldrempel neemt toe: inhiberende postsynaptische potentiaal (IPSP), dit
type neurotransmitter heeft een inhiberende (remmende) werking.
Elk neuron maakt 1 type neurotransmitter:
Exciterende werking (stimulerend)
Inhiberende werking (remmend)
Impulsrichting is altijd van pre- naar postsynaptisch membraan. Kan alleen naar binnen, niet
naar buiten. Enzymen breken neurotransmitters af, hiermee is de werking ook gestopt.
Of er een actiepotentiaal in het postsynaptische neuron ontstaat, hangt af van de optelsom, de
summatie, van het effect binnen een bepaalde tijd van alle exciterende en inhiberende
neurotransmitters.

Zenuwstelsel bestaat uit het centrale en het perifere zenuwstelsel.
Het animale zenuwstelsel verwerkt prikkels uit de zintuigen en stuurt je spieren aan. Je bent je
bewust van je omgeving en van je bewegingen.
Taken van het autonome zenuwstelsel: je ademhaling en je hartslag. Centraal staat de
hypothalamus:
Voert de controle over het autonome zenuwstelsel
Vormt de koppeling met het hormoonstelsel
Benvloedt de werking van organen als darmen, de longen, het hart en de nieren
Autonome zenuwstelsel werkt buiten de wil om, helpt ook mee om het interne milieu constant
te houden. Bestaat uit 2 delen met antagonistische werking:
Parasympatische deel (rust en herstel)
Orthosympatische deel. (fight en flight)
Organen zijn met het orthosympatische deel verbonden via grensstrengen, liggen tegen
de wervelkolom aan.
Met parasympatische zenuwstelsel zijn organen verbonden via de zwervende zenuw:
heet dubbele innervatie.

Zintuigcellen zijn gespecialiseerde cellen die reageren op een specifieke prikkel, de adequate
prikkel.
Twee evenwichtszintuigen bevinden zich in het inwendige deel van je oren, registreren welke
bewegingen je hoofd maakt. Beide evenwichtszintuigen bestaan uit een centraal deel.
Centrale deel: vestibulum
Bestaat ook uit drie halfvormige kanalen
Vestibulum en de halfcirkelvormige kanalen zijn gevuld met vloeistof: endolymfe
Over stand van je hoofd t.o.v. zwaartekracht en over rechtlijnige versnelling krijg je informatie
uit 2 kleine zintuigorgaantjes in vestibulum: de maculae.
Haarcellen (zintuigcellen) in een macula steken met lange cilin (zintuigharen) in een
geleilaag met daar bovenop een laagje kalksteentjes.
Haarcellen: zintuigcellen
Cilin: zintuigharen
Massa van kalksteentjes maakt ze gevoelig voor de zwaartekracht
Geleilaag: zorgt voor een soort traagheid
Cilin buigen in een bepaalde richting.
Maculae reageren alleen op een verandering in de snelheid.
Informatie over draaibewegingen van je hoofd, komt uit de 3 halfcirkelvormige kanalen.
Registreren 3 draaiingen:
Ja-knikken > bovenkanaal
Hoofd van links naar rechts naar de schouder laten zakken > achterkanaal
Nee schudden > zijkanaal
Elk kanaal heeft aan de basis een knobbel: haarcellen met lange cilin. Deze cilin steken in
een geleiachtige massa, de capula, die vrij heen en weer bewegen met endolymfe.
Waarnemen dat je hoofd beweegt: door een draaiing bewegen de capulae door de trage
endolymfe ten opzichte van de wand van de kanalen > cilin buigen en de haarcellen sturen
impulsen naar het evenwichtscentrum in de hersenstam > je neemt waar dat je hoofd draait.
Zintuigcellen zijn receptorcellen: kun je informatie mee verzamelen.
Zintuigcellen in de cupulae en de maculae van je evenwichtsorganen zijn mechanoreceptor:
gevoelig voor mechanische prikkeling, het buigen van de cilin.
Receptoren in je huid die op temperatuur reageren: thermoreceptoren.
Zintuigcellen in je neus en tong reageren op bepaalde stoffen: chemoreceptoren.
In je oog: fotoreceptoren die reageren op licht
Receptorcellen hebben over hun membraan een rustpotentiaal. Een adequate prikkel leidt in
de cel tot een verandering van de membraanpotentiaal: openen of sluiten van ionpoorten.
Bij chemoreceptoren en fotoreceptoren spelen een signaalcascade en een secundaire
boodschapperstof een rol. Secundaire boodschapperstof bindt aan doelwitmoleculen op de
ionpoorten > gaan open of dicht
Prikkeldrempel bereikt: volledige depolarisatie > openen Ca2+
-poorten > Ca2+
-ionen
stromen naar binnen en receptorcellen lozen een exciterende neurotransmitter in een synaps
met een sensorisch neuron.
Hoeveelheid neurotransmitter die vrijkomt, bepaalt de impulsfrequentie die ontstaat in het
sensorische neuron. Sterke prikkel > hoge impulsfrequentie
Pijnreceptoren zijn zenuwceluiteiden die reageren op prikkels die schade kunnen geven.
Door een langdurige constante prikkel kan de prikkeldrempel van een receptorcel
omhooggaan. De receptorcel reageert dan minder op de adequate prikkel: gewenning of
adaptie.
In de hersenstam zit het evenwichtscentrum. Kleine hersenen zorgen hier ook voor, en
koppelen de informatie naar de diverse spieren.

Je kunt bewust en onbewust geluid negeren. Onbewust gebeurt doordat je thalamus in de
hersenen achtergrondruis niet laat doordringen tot je auditieve schors.
De hersenen verzwakken in het oor bepaalde toonhoogtes, hierdoor wordt de achtergrondruis
onderdrukt.
Haarcellen (zintuigcellen) in het oor zijn mechanoreceptoren met lange cilin.
Trillingen bereiken haarcellen in een aantal stappen:
1. Oorschelp vangt geluidstrillingen op en geleidt ze via de gehoorgang het oor in.
Oorschelp + gehoorgang = buitenoor.
2. Bij zachte geluiden draai je oorschelp naar geluidsbron toe.
3. Trillingen bereiken aan het einde van de gehoorgang het trommelvlies.
Trommelvlies trilt met de luchttrillingen mee. Werkt goed als de luchtdruk in het buitenoor
gelijk is aan die in de ruimte aan de andere kant van het trommelvlies: het middenoor.
Opheffen van de drukverschillen tussen buitenoor en middenoor gaat via de buis van
Eustachius: nauwe buis die van het middenoor naar de keelholte loop.
Deel van het geluid verplaatst zich via de schedelbeenderen. In het middenoor zijn 3
gehoorbeentjes verbonden met het trommelvlies:
Hamer
Aambeeld
Stijgbeugel
Deze beentjes nemen de trillingen over van het trommelvlies, versterken ze en geven ze
door naar het binnenoor.
In het binnenoor bevindt zich een orgaan dat de vorm heeft van een slakkenhuis: vorm is
ontstaan doordat een langwerpige structuur van met vloeistof gevulde kanalen is opgerold.
Binnenin zitten zintuigcellen die reageren op trillingen.
Ovale venster: elastisch membraan in de wand van het slakkenhuis. Het ovale venster is
kleiner dan het trommelvlies, waardoor het ovale venster sterker trilt dan het trommelvlies. In
het slakkenhuis zijn 3 kanalen:
Twee grootste kanalen vormen in werkelijkheid 1 doorlopend kanaal. Loopt van het
membraan van het ovale venster via de top van het slakkenhuis en terug naar het
membraan van het ronde venster.
Ovale en ronde venster geven nodige bewegingsruimte waardoor de vloeistof kan
bewegen en de trillingen zich kunnen verplaatsen van het ovale naar het ronde venster.
Kleinste, middelste kanaal tussen beide grote kanalen (slakkenhuisgang) bevat
endolymfe, vloeistof bevat K+ ionen die verantwoordelijk zijn voor de depolarisering van
de haarcellen.
Grote kanalen zijn gevuld met perilymfe: een vloeistof die lijkt op extracellulaire
vloeistof. Een trilling verplaatst zich van het ovale venster door de perilymfe in de
voorhoftrap in de richting van de top van het slakkenhuis.
In het kleine middelste kanaal laten de trillingen het basilaire membraan bewegen.
Basilaire membraan geeft de trillingen weer door naar de perilymfe in het andere grote
kanaal
Over basilair membraan loopt het orgaan van Corti, een langgerekte strook
mechanoreceptoren, haarcellen met cilin. Cilien drukken tegen een ander stugger
membraan. Zit boven het dakmembraan. Door trillingen van het basilair membraan verbuigen
de cilin en openen K+ kanalen van de haarcellen. Instroom van K+ ionen leidt tot
depolarisatie. Aan de basis leidt dit tot openen van Ca2+ kanalen en afgifte van
neurotransmitter door synaptische blaasjes aan sensorische zenuwcellen.
Doordat het basilaire membraan dun en soepel is, is elke plaats op het membraan gevoelig voor
een andere trillingsfrequentie.
Cilin van de haarcellen buigen sterk en levert veel impulsen op: de toon is hard.
Geluidssterkte heeft als eenheid de decibel, elke 10 dB meer geluidssterkte betekent 10x zo
veel energie van de geluidsgolven.
Gehoorschade: de cilin zijn beschadigd. Ook kunnen spiertjes die aan de gehoorbeentjes
zitten beschadigd raken bij overbelasting.
Buis van Eustachius regelt de druk in het oor, is verbonden met de neus

Licht dat het oog binnen komt, komt terecht op fotoreceptoren op het netvlies. Grootste
lichtbreking ontstaat bij het hoornvlies: laagje doorzichtige cellen aan de voorkant van je ogen.
Bolle ooglens achter je pupil convergeert het licht nog verder. Kamervocht in de voorste
oogkamer tussen hoornvlies en de lens, en glasachtig lichaam (geleiachtige stof tussen lens
en netvlies) breken het licht ook.
Beeld komt omgekeerd binnen, door je hersenen wordt het goed gezet.
Netvlies ligt aan de achterzijde van het oog voor het vaatvlies, harde oogvlies vormt de
buitenkant.
In het donker is de opening in je iris, de pupil, groot doordat straalsgewijs lopende spiertjes in
de iris (gekleurde deel van je oog) zijn samengetrokken ---> veel licht komt je oog in, maakt
pupillen kleiner zodat je ogen beschermd zijn tegen fel licht: pupilreflex.
Pigmentcellen achter in het netvlies bieden extra bescherming tegen fel licht, deze cellen
bevatten pigmentkorrels die bij fel licht in uitlopers van pigmentcellen verspreiden. Dit pigment
vangt veel licht weg.
Met je gele vlek zie je scherp, je gele vlek licht recht achter je pupil op de optische as.
In gele vlek alleen kegeltjes (kleur)
Aan rand van het netvlies vooral staafjes (grijstinten)
Oogspieren zijn verbonden met het harde oogvlies, die richten de optische as voortdurend op
de plek die je wilt zien.
Blinde vlek: plek waar bloedvaatjes door het netvlies gaan en de axonen van de sensorische
zenuwcellen (gebundeld in een oogzenuw) het oog verlaten. In de blinde vlek bevinden zich
geen receptorcellen.
Veraf scherp: ooglenzen platter van vorm dan wanneer je een voorwerp van dichtbij scherp ziet.
Ooglens zit met lensbandjes vast in het straalvormig lichaam:
Ontspannen: in het midden een opening met grote diameter, lensbandjes staan dan
strak en trekken de lens in een plattere vorm. Verkleint brekingsindex: je ziet scherp in
de verte.
Ontspannen >in de verte scherp zien
Aanspannen > van dichtbij scherp zien
Bij verouderen van de lens vermindert de elasticiteit: oudziend.
Accommoderen: vormverandering van je ooglens bij het scherpstellen.
Verziend:
Lichtstralen breken te weinig
Oogas is te kort
Beeld is scherp achter je netvlies
Slecht van dichtbij
Goed voor verweg
Bolle lensvorm
Bijziend:
Beeld scherp voor je netvlies
Goed van dichtbij
Slecht voor verweg
Holle lensvorm
Voor perspectief vergelijk je verschillende voorwerpen.
Door stereoscopisch zien vindt in je hersenen een vergelijking plaats van beelden uit beide
ogen.
Gezichtszenuwen kruisen het chiasma opticum: aan beide neuskanten verwisselen de
uitlopers van de zenuwcellen van zenuwbaan

Kegeltjes: kleur (vooral in gele vlek)
Staafjes: grijstinten, vormen en beweging.
Staafjes reageren al bij weinig licht.
Staafjes liggen buiten de gele vlek in het netvlies.
Bij belichting neemt de impulsstroom af, informatie waarmee het gezichtscentrum aan de slag
gaat: je ziet lichtgrijs.
Staafjes bevatten het fotopigment redopsine, staafjes hebben een lage prikkeldrempel.
Uiteenvallen van rodopsine leidt tot een cascade aan reacties en een secundaire
boodschapperstof waardoor de Na+ poorten sluiten, het staafje hyperpolariseert en de
hoeveelheid neurotransmitter die het afgeeft, daalt.
Nachtblind: mensen die problemen hebben met het terugvormen van hun rodopsine. Doordat
staafjes in groepen geschakeld zijn op afvoerende sensorische zenuwcel telt de informatie over
de hoeveelheid licht op, daardoor kun je bij weinig licht toch zien met staafjes.
Kegeltjes liggen vooral in de gele vlek. Impulsen afkomstig van kegeltjes: kleurenbeeld. 3 type
kegeltjes:
Rood
Groen
Blauw
Kegeltjes hebben een hogere prikkeldrempel dan staafjes, je kan ze alleen gebruiken bij
voldoende lichtintensiteit.
Geen licht op kegeltjes: kegeltjes geven neurotransmitters af. Bij belichting boven de
prikkeldrempel valt fotopigment fotopsine uiteen > hyperpolarisatie en verminderde afgifte
van neurotransmitter.
Afvoeren van impulsen naar de hersenen gebeurt via 2 type neuronen:
Bipolaire cellen verbinden staafjes en kegeltjes met ganglioncellen: die impulsen
afvoeren naar de hersenen.
Ganglioncellen krijgen hun informatie via bipolaire cellen van een groep zintuigcellen
die samen geschakeld zijn tot een receptief veld.
Receptief veld:
Buiten gele vlek zijn dit grote groepen staafjes
In gele vlek zijn kleine groep kegeltjes.
Vermogen om details te onderscheiden (scheidend vermogen) is bij de gele vlek hoog
daardoor.
Neuronen die dwarsverbindingen leggen: horizontale cellen en amacriene cellen waardoor
receptieve velden overlappen.
Alle kleuren kun je zien, doordat 3 typen kegeltjes in je netvlies hebt, elk met eigen variant van
lichtgevoelige eiwit fotopsine:
Golflengte van 420 nm (blauw)
Golflengte van 535 nm (groen)
Golflengte van 565 nm (rood)
Volgorde hyperpolarisatie hoog > laag: rood, groen, blauw
In de visuele schors komt informatie van de ogen terecht, selecteert impulsen. In het primaire
gezichtscentrum vindt eerste verwerking plaats.
Secundaire gezichtscentrum levert informatie waardoor je onder andere kunt herkennen wat
je ziet.

Verschillende inwendige chemoreceptoren met pH en concentraties O2 en CO2. Elke
chemoreceptor reageert op zijn eigen adequate prikkel.
Sensorische neuronen geven hun impulsen door aan het ademhalingscentrum in de
hersenstam.
Drukreceptoren bestaan uit de uiteinden van sensorische neuronen.
Informatie over de mate van de spierlengte en de spierspanning wordt geregistreerd met
spierspoeljtes die tussen de spiervezels van spieren liggen.
Hebben zintuigjes met een dik middendeel waar sensorische zenuwceluiteinden
omheen zijn gewonden.
Dunnere uiteinden van spierspoeltjes zijn spiervezels, verbonden met motorische
neuron dat de uiteinden laat samentrekken en zo het middendeel onder bepaalde
spanning zet.
Bij uitrekking van het middengedeelte door een beweging van de omliggende spier, vindt
depolarisatie plaats en ontstaan meer impulsen.
Bij verkorting vindt hyperpolarisatie plaats en ontstaan minder impulsen.
In de pezen liggen uiteinden van sensorische neuronen die reageren bij uitrekking van een pees:
de golgi-peeslichaampjes. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document