Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: NurseMare - 8 maanden geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Aantekeningen Kennislijn
Week 1 les 1
H1 (paragrafen 1.3.2 , 1.3.4- 1.3.6; 1.4.1- 1.4.7; 1.5.1-1.5.5; 1.6 ; 1.7) en 8 van Kritisch denken binnen het verpleegkundig proces - Wilkinson
Zelfmanagement het zodanig omgaan met een chronische ziekte dat deze volledig wordt ingepast in het dagelijks leven. Omgaan met uitdagingen van ziekte
Inpassen in dagelijks leven
Voeren van eigen regie over zorgproces
Streven naar optimale kwaliteit van leven


Het ICF-model beschrijft hoe mensen omgaan met hun gezondheidstoestand. En welke factoren hierbij van invloed zijn.
Functies gezondheid en anatomische eigenschappen
Activiteiten spreken en taal, problemen oplossen
Participatie werk, opleiding en gezin
Externe factoren arbeidsomstandigheden, thuissituatie, woonomgeving en beschikbaarheid van hulp
Persoonlijke factoren leeftijd, geslacht, leefstijl, coping en zingeving



Het verpleegkundig proces geeft op een duidelijke manier weer welke eventuele gezondheidsproblemen er vastgesteld kunnen worden. het verpleegkundige proces draagt bij aan een betere samenwerking, is kosteneffectief en verhoogd de participatie van de zorgvrager.
Anamnese
Verzamelen en ordenen van gegevens
Onderzoek en observatie
Gesprek
Diagnose
Vaststellen van huidige gezondheidstoestand
Analyse en bevestiging van gegevens met NANDA
Prioriteiten
Resultaten
Bepalen van wenselijke resultaten n.a.v. Noc
Interventies
Selecteren van verpleegkundige interventies met NIC
Voorkomen of verlichten van probleem
Evaluatie
Vaststellen of doelen zijn bereikt
Welke interventies waren nuttig?




Verhouding tussen de fases:
Anamnese diagnose
o Je moet de juiste gegevens hebben om een goede diagnose te kunnen stellen
Diagnose resultaten
o Je wenselijke resultaten komen gelijk voort uit je diagnose; je wil het probleem immers verhelpen
Resultaten interventies
o Wat je wil bereiken bepaalt welke interventie je inzet
Resultaten en interventies evaluatie
o Je moet eerst iets uitvoeren voordat je er op kan evalueren
H1 van Verpleegkundige ondersteuning bij zelfmanagement en eigen regie - Van Staa
Er zijn 4 typen van chronische ziektes die onderscheiden kunnen worden door specifieke kenmerken. Iemand is chronisch ziek wanneer deze niet meer beter kan worden en de gevolgen vaak onomkeerbaar zijn. Chronische ziektes komen vooral op oudere leeftijd voor, maar ook steeds meer jonge mensen krijgen er mee te maken. We spreken van Multimorbiditeit wanneer er de patint meer dan 1 chronische aandoening heeft. Levensbedreigend
Kanker
Beroerte
Periodiek terugkerende klachten
COPD
Epilepsie
Progressief beloop
Reumatode artritis
Chronisch hartfalen
Psychiatrische stoornissen
Depressie
Bipolariteit


H1 van Verpleegkundige ondersteuning bij zelfmanagement en eigen regie - Van Staa
Generiek model zelfmanagement is ontwikkeld om in een oogopslag zichtbaar te maken wat de essenties van zelfmanagement zijn en aan welke onderwerpen nog aandacht moet worden besteed. Daarnaast staan de competenties, aandachtsgebieden en randvoorwaarden centraal die nodig zijn om het te kunnen realiseren. De mens met de chronische aandoening en de zorgverlener staan in dit model centraal. Mens met chronische aandoening
Competenties
Ziekte-specifieke kennis en vaardigheden
Vertouwen in eigen kunnen
Vermogen tot zelfontplooing
Aandachtsgebieden
Leven met de ziekte
Zorgverlener
Competenties
Goede kennisoverdracht
Coachingsvaardigheden
Wegwijzen in voorzieningen
Aandachtsgebieden
Ervaringskennis
Omgevingsfactoren/ randvoorwaarden
Samenleving
ICT
Wet- en regelgeving
Financiering
Kwaliteitseisen
Patinten kun je indeling in de profielen van het pilotenmodel. Op deze manier is vast te stellen waar een patint staat in het proces en waar hij naar toe moet.
Piloot
Verwacht vraaggerichte zorg
Komt zelf met een lijst van onderwerpen en behoeften naar het consult
Neemt zelf beslissingen over therapie na advies van zorgverlener in overweging te hebben genomen
Copiloot
Komt zelf met een vragenlijst op consult, niet alleen ter verduidelijking maar ook met alternatieve therapien of middelen
Is zelf actief op zoek gaan naar informatie en actieve therapien of middelen
Doet zelf kleine aanpassingen in zijn/haar therapie op basis van eigen meetwaarden en bevindingen analyse
Stewardess
Stelt vragen als iets niet duidelijk is
Komt soms zelfs met eigen vragenlijst
Neemt eigen verantwoording in diabetes management maar alleen na instructie zorgverlener
Passagier
Afwachtend
Neemt weinig tot geen initiatief in het gesprek en in diabetesmanagement
Stelt niet veel vragen
Ziet dokter nog als autoriteit



Verschillende rollen binnen zelfmanagement:
Zelfmanagement
Medisch
Omgaan met beperkingen en symptomen
Wisselende klachten
Omgaan met behandeling
Last van therapie
Rol
Adequate relatie met zorgverleners
Afhankelijk
Adequate relatie met naasten
Steun of stress
Emotioneel
Voorbereiden op onzekere toekomst
Gevoel van controleverlies
Emotionele balans
Heftige gebeurtenis
Positief zelfbeeld
Eigen-effectiviteit

week 1 les 2
H2 van Verpleegkundige ondersteuning bij zelfmanagement en eigen regie - Van Staa
Het 5A-model laat de stappen zien die nodig zijn om structuur te geven aan zelfmanagementondersteuning.
Achterhalen
Verdiepen in patint
Hoe is de toekomst?
Wat weet iemand over de ziekte?
Beleving van ziekte tijdens dag
Gevoelens en emoties?
Steun uit omgeving
Hulpmiddelen
Zelfredzaamheidsradar
Werkbladen
Adviseren
Voorlichting en instructie op basis van professionele kennis
Aanpassen aan individuele situatie
Intergreren van aandoening
Hulpmiddelen
Vragenkaarten
Afspreken
Haalbare doelen stellen
Activiteiten die passen bij de patint
Vastleggen in zorgplan
Hulpmiddelen
Motiverende gespreksvoering
Assisteren
Coachend ondersteunen
Aanleren van vaardigheden
Hulpmiddelen
Goedgebruik
Zorgtechnologie
Arrangeren
Afspraken voor vervolg
Stimuleren tot eigen regie
Hulmiddelen
E-health
Actieplan








Profielen
Ontwikkeld voor zelfmanagementondersteuning
Verschillende rollen die specifieke taken onderstrepen
Coach
o Zelfmanagement is onlosmakend met chronische ziekte
o Patint is expert
Gelijkwaardige relatie
Actieve rol bij contact
Behandelaar
o Therapietrouw
o Advies en oplossingen geven
o Doelen stellen met patint
Poortwachter
o Zelfmanagement is een middel
Minder gebruik van professionele zorg
o Advies voor gezonde keuzes
Accepteert als patinten niet willen
Leraar
o Zelfmanagement ter voorkoming van complicaties
o Instructie geven
o Kennis is onmisbaar
2 les 1
E-college Zingeving
Zingeving is een individuele perceptie, begrip of geloof over het eigen leven en de activiteiten en waarde die daaraan wordt toegeschreven. Zingeving gaat ook over engagement of de betrokkenheid bij doelen of een zingevingskader en over het daarop volgende gevoel van vervulling en tevredenheid, of het gebrek hieraan. Zingeving bestaat uit 7 dimensies:
Doelgerichtheid
o Leef je ergens naartoe wat je van waarde vindt?
Morele rechtvaardiging
o Is je leven, dat wat je doet en gedaan hebt, moreel te verantwoorden?
Eigenwaarde
o Vind je jezelf de moeite waard?
Competentie
o Heb je het gevoel dat je invloed hebt op je leven?
Begrijpelijkheid
o Heb je een begrijpelijk verhaal over je leven/gebeurtenissen?
Verbondenheid
o Voel je je verbonden met anderen?
Transcendentie (verwondering en verbazing)
o Waardoor word je geraakt? Voel je je betrokken bij iets?
Om de zingeving te behouden/versterken moet men beschikken over adaptieve opgaven. Hiermee kunnen mensen zich aanpassen aan de situatie en er zo het beste van maken. Een aantal opgaven zijn:
Behouden van positief zelfbeeld
Omgaan met beperkingen
Emotionele balans vinden en behouden
Voorbereiden op een onzekere toekomst
Adequate relatie met naasten onderhouden
Zingevingsvragen geven inzicht in wat de patint wil en kan, maar ook wat er eventueel moet worden aangepast om zo prettig mogelijk te kunnen leven. voorbeelden:
Is een normaal en goed leven voor mij nog mogelijk?
Hoe reageert mijn omgeving?
o Accepteren anderen mij nog met mijn beperkingen?
Moet ik altijd positief zijn?
o Mag het lijden er zijn of moet ik dat verbergen?
Hoe kan ik eigenwaarde behouden terwijl ik zoveel hulp nodig heb?
De zingeving hangt verder nog samen met de andere begrippen rond gezondheid zoals: Lichaamsfuncties, dagelijks functioneren, sociaal en maatschappelijk functioneren, kwaliteit van leven en het mentale welbevinden.

De zin van het leven wordt vergroot bij positieve dingen en neemt juist af bij negatieve zaken.
o Welbevinden
o Goede kwaliteit van leven
o Gezond gedrag
o Risico op cognitieve achteruitgang
o Risico op overlijden

Als verpleegkundige is het van belang om bewust te zijn van de verschillen in zingeving, en zeker ook in verschillende culturen.
Heeft kennis van levensbeschouwelijke en religieuze opvattingen en stromingen
Is op de hoogte van culturen en cultuurgebonden opvattingen van gezondheid en cultuurgebonden gezondheidsproblemen
Kent de eigen waarden en normen en die van de beroepsgroep (beroepscode)
Heeft kennis van de moreel-ethische context van de zorgverlening
Kan omgaan met ethische vraagstukken en zingevingsvraagstukken van patinten
Kennisclip Zinvinder
Bij belangrijke gebeurtenissen staat men stil bij wat er belangrijk is in het leven. Dit heet de zingeving en is voor ieder persoon verschillend. Zingeving kan bestaan uit:
Gezien en gehoord worden
o Luisteren naar elkaar en daarmee helpen
Intrinsiek
o Inspiratie in meditatie, geloof of de natuur
o Vaak vanuit opvoeding
Expressie
o Creativiteit of sport
o Praktische activiteiten
Verbinding met anderen
o Gevoel van verbondenheid geven
o Anderen kunnen helpen
3.3 t/m 3.6, 4 van Zorgbasics diversiteit Kuckert en Bekijken e-college Diversiteit
Explanatory model; verschillende perspectieven en verklaringen voor gezondheid en ziekte: Explanatory Model
Illness
Patint
Subjectief
Disease
Professional
Objectief, meetbaar en EBP
Sickness
Maatschappij
Gevolgen

Medisch pluralisme houdt in dat mensen zoeken naar verschillende manieren die bij hen passen en die hen helpen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen 3 sectoren:
Popular
Eigen omgeving
Eigen strategien
Om hulp vragen bij familie, vrienden of andere mensen die ze hulptaken toevertrouwen
Kapper of dominee
Professional
Reguliere zorg met specialisten
Onderzoek doen en zo diagnose stellen
Folk
Niet-professioneel en niet-georganiseerd
Vertrouwensrelatie
Alternatieve wijze van geneeskunde

Culturele interview en culturele safe
3 situaties bekijken uit werkgroep opdracht eventueel op toets
Week 2 les 2
Bekijken van het e-college verpleegkunde verpleegkundig proces
Anamnesefase
Nodig
o Relatie met clint
o Hoe kijk je naar clint
EBP
o Kennis wanneer vraag je door? Wanneer zet je welk instrument in?
o Evidence bewijs over verschijnselen
o Analyse oorzaak-gevolg redeneringen
Hulpmiddelen
o Theorien bijv. Gordon, Maslow of presentietheorie
o Modellen Proactive Nursing, medische gegevens verzameling
o Meetinstrumenten SNAQ, zelfredzaamheidsradar of delieriumrisicoprofiel
Probleem/diagnosefase
Klinisch oordeel over ervaringen/reacties van de patint op actuele of potentile gezondheidsproblemen
Basis voor de verpleegkundige interventies
Nodig
o Kennis van verpleegkundige concepten
EBP
o Kennis normaalwaarden en afwijkingen
o Evidence bewijs over verschijnselen, frequentie van voorkomende problemen
o Analyse oorzaak-gevolg redeneringen
Hulpmiddelen
o Standaarden
o Classificaties
Soorten diagnoses
o Actueel
Probleem, etiologie en symptomen
o Risico
Probleem en risicofactoren
o Welzijn
Bereidheid en bepalende kenmerken (wens)
o Syndroom
Diagnoses als bepaalde kenmerken
Doelenfase
Nodig
o Kennis van verschillende ziektebeelden
o Relatie met verschijnselen en probleem van diagnose
EBP
o Kennis haalbaarheid van doelen
o Evidence bewijs van effectiviteit
o Analyse patintfactoren i.r.t. kennis en evidence
Hulpmiddelen
o Classificaties
o SMART en RUMBA
Interventiefase
Nodig
o Kennis van verschillende ziektebeelden
o Relatie met etiologie van diagnose
EBP
o Kennis richtlijnen en protocollen
o Evidence bewijs van effectiviteit
o Analyse patintfactoren i.r.t. kennis en evidence
Hulpmiddelen
o Classificaties
o Standaarden
H 2 en 3 van Klinisch redeneren en verpleegkundige classificaties - Van Haaren

H 3, 4 en 5.2 van kwaliteitsstandaard levensvragen. Omgaan met levensvragen in de langdurige zorg voor ouderen Cuijpers
Zingeving is grotendeels uitgewerkt in week 1 les 1
Levensvragen zijn vragen die voor ieder mens persoonlijk kunnen zijn en veel verschillende antwoorden kunnen hebben. Vaak zijn dit vragen als: wat betekend mijn leven? is er leven na de dood? Ben ik het waard? Kleine vragen over dit onderwerp zijn bestaansvragen.
Voor ouderen en chronisch zieken zijn levensvragen belangrijk omdat deze nog betekenis kunnen geven aan hun leven. Wat zij belangrijk vinden is onder andere het volgende:
Regelmatig aandacht voor hoe het echt met hen gaat geeft een gevoel van verbondenheid en samenhang.
Ervaren van een gevoel van doelgerichtheid, eigenwaarde en controle
Professionele maar zorgzame houding van zorgmedewerkers
Laagdrempelig gezelligheidscontact belangrijk
Transcendentie is een onderdeel van hun zingeving


Week 2 Ethiek
Bekijk de documentaire ' U hebt een probleem' thema bemoeizorg. Duur 25 minuten.
Bijzondere documentaire over unieke mensen met complexe problemen.
Bekijk het e-college Ethiek
Vrijheid in persoonlijke vorm brengt voor de meerderheid van de mensen het meeste geluk. Individuele vrijheid heeft grenzen, je mag anderen niet tot overlast zijn.
Harm principle er mag alleen tegen de wil van iemand in gegaan worden als dit is om schade bij anderen te voorkomen.
Totale instituties
Van de buitenwereld afgesloten woon- en werkplaats waar mensen met een soortgelijke situatie verblijven. Hier heerst een formeel regime.
Voorbeelden
o Ziekenhuizen, psychiatrische instelling
o Kostscholen/kloosters
o Gevangenissen
Bewoners zijn onderworpen aan het regime
o Individualiteit en privacy verdwijnen langzaam
Vrijheidsbeperking Het op welke manier dan ook beperken van iemand zijn bewegingsvrijheid. Dit kan op verschillende manieren;
Fysiek
Enkelband
Bedhekken
Isoleercel
ICT/domotica
Signaalmat
Infrarood bewakingsdetectie
Videobewaking
Gedrag
Afpakken/verbieden van waar
Roken
Zakgeld
Beperken telefoongebruik

Intentionalisme iedere handeling moet beoordeeld worden naar bedoeling. De intentie van het besluit moet duidelijk, maar zeker ook valide zijn.
Proportionaliteitsprincipe er moet een doel zijn tussen het doel en het ingezette middel; ook moet het een verhouding hebben. Iemand die meer gevaar vormt moet je harder aanpakken/hulpmiddelen inzetten dan iemand die een minder gevaar vormt.
Zelfbindingsverklaring Wanneer de persoon wilsbekwaam is, wordt een contract opgesteld waarin de acties staan die ondernomen moeten worden in een gevaarlijke situatie waarin de patint niet meer kan beslissen en zich verzet tegen zorg. Hierin staat wat er gedaan moet/mag worden en wie dit mag doen; ook de omstandigheden spelen mee.

Wetten in de zorg
WvGGZ
Wet zorg en dwang
o Vrijwillige of onvrijwillige opname
Verstandelijke beperking
Psychogeriatrische aandoening
Psychische problematiek
Wilsbekwaamheid iedereen is dit totdat het tegendeel bewezen is. De situatie wordt per keer bekeken.
Dwang genoodzaakt iets te doen wat iemand niet wil, het is dwingend
Drang benvloeden van keuzevrijheid. Onder druk zetten tot een bepaalde keuze terwijl het alternatief zo onaantrekkelijk mogelijk wordt gemaakt.
Nudging gedragssturing naar iets positiefs. Verlijden tot iets goeds. Vaak in marketing zoals bij een holle bolle Gijs of het stimuleren tot traplopen met voetjes naar de trap.
Dwang
Dwingen en machtsmiddel
Controle doen en laten
Paternalisme
Drang
Manipuleren en aandringen
Mee/minder ocntrolerende invloed
Paternalisme
Overreding
Overtuigen en adviseren
Geen controlerende invloed
Geen paternalisme

Respect voor autonomie, weldoen, niet schaden en rechtvaardigheid zijn de 4 leidende ethische principes (Beauchamp & Childress).
Bemoeizorg benaderen van mensen die hulp nodig hebben, maar dit niet willen vragen of accepteren. Dit team blijft doorzeuren om de mensen toch over te kunnen halen. Zorgt voor de vermindering van daklozen en alcoholisten op straat.

Week 3 - Les 1
H6 van Theoretisch kader voor de verpleegkundige beroepsuitoefening Van Haaren
Gezondheid kan op veel manieren genterpreteerd worden, maar bestaat uit de determinanten van Lalonde:
Gezondheid
Biologisch
Zorg(aanbod)
Omgeving
Leefstijl

De overheid en professionals kunnen werken aan gezondheid door onder andere de volgende onderwerpen aan te kaarten:
Gezondheidsbescherming
o Door overheid bescherming krijgen
o Drinkwatervoorziening, verkeersmaatregelen of regelgeving over arbeidsomstandigheden
Gezondheidsbevordering
o Mensen fitter maken
Gezondheidsvoorlichting
o Voorlichting geven over de gezondheid of een specifiek gezondheidsprobleem
Patintenvoorlichting
o Bieden van informatie aan de patint en ondersteunen bij beslissingen
Preventie
o Voorkomen van een ziekte of het vroeg signaleren hiervan zodat erger voorkomen wordt
o In klassen en doelgroepen
Preventie in klassen
Primair
Maatregelen nemen voordat de ziekte er is
Vaccineren
Voedingsvoorlichting
Secundair
Vroegtijdig signaleren
Gepaste maatregelen nemen
Bevolkingsonderzoek
Tertiaire
Voorkomen van verergering en complicaties
Bevorderen van eigen regie

Preventie per doelgroep
Universeel
Algemene bevolking
Vaccinaties tegen kinderziektes
Selectief
Gericht op mensen met een verhoogd risico
Gezondheid van deze groep bevorderen.
Seksuele voorlichting aan meisjes in achterstands-situaties
Gendiceerd
Gericht op individu
Ter voorkoming van ziekte
Voorlichting over voeding bij obesitas ter voorkoming van diabetes II
Zorggerelateerd
Individuele patinten
Ondersteunen bij ziekteproces
Voorlichting

E-college Bevorderen van gezond gedrag; een voorbeeld uit de praktijk
Intervention mapping
1. Stel het probleem vast
Eerst moet vastgesteld worden wat precies het probleem is. Welk gedrag hoort daarbij en welke factoren veroorzaken het probleem? Hierbij hoort literatuuronderzoek en is het belangrijk dat vastgesteld wordt welke impact het probleem heeft op de kwaliteit van het leven. Belangrijk is om de personen voor wie de methode bedoeld is, hierbij te betrekken.
2. Bepaal het doel van de interventie
Maak specifiek wie en wat zal veranderen als gevolg van de interventie. Welke doelen wil je behalen en hoe hebben persoonlijke factoren en omgevingsfactoren invloed op het behalen van je doel? Wat zou er moeten veranderen om dit doel te behalen? Doelen stellen; moet via SMART
Einddoel
Wat je wil bereiken aan het einde
Gedragsdoel
Met welk gedrag je je einddoel gaat bereiken
Veranderdoel
Hoe kom je tot het gedragsdoel?

3. Selecteer de methoden en strategien voor je programma
Doe literatuuronderzoek naar methoden en strategien die werken voor je doelgroep en passen bij het probleem en het doel dat je wilt behalen. Kijkt naar eerder opgedane ervaringen en resultaten.
4. Maak het programma
Voeg alle voorgaande onderdelen samen in n coherent voorlichtingsprogramma. Maak een beschrijving van je interventie en het materiaal en alle stappen die je daarin neemt. Het is belangrijk om hierbij het programma te testen en de wensen van je doelgroep erbij te betrekken.
5. Voer de interventie uit
Voer de interventie uit en registreer wat er gebeurt en of de doelen behaald worden. Verander zo nodig en maak een gedetailleerd plan om de methode te voltooien. Hier wordt al vanaf stap 1 over nagedacht en mensen waar het over gaat, worden ook al zo vroeg mogelijk in het proces erbij betrokken.
6. Evalueer de interventie
Evalueer het effect van de interventie, analyseer de veranderingen in de gezondheid en kwaliteit van het leven, de veranderingen in gedrag en meet of de doelen behaald worden. Bepaal de succesfactoren en omschrijf het proces

De 5 V Instrumenten voor preventie en gezondheidsbevordering
Er zijn verschillende instrumenten om in te zetten in het kader van preventie. Per preventieprogramma kan een keuze gemaakt worden uit vijf middelen. Per programma wordt bepaald welk middel of welke combinatie het meest effectief is.
De vijf V's zijn instrumenten voor preventie en gezondheidsbevordering,
Voorschriften
o Hygine is voedselfabriek
Voorzieningen
o Kleedruimtes
o Voedingsruimte
Voorlichting
o Folders
o Websites
Verdragen
o Doormaken wat nodig is
Verleiding
o Houden aan de regels

ASE-model
Volgens het model zijn dit drie belangrijke factoren die van invloed zijn op gezondheidsgedrag. Het zijn factoren die zich zowel in de mens als in de omgeving bevinden. Op grond van deze factoren komt iemand tot gezondheidsgedrag. Iemand is zich doorgaans niet van al die factoren bewust. De factoren worden ook wel gedragsdeterminanten genoemd. De eigeneffectiviteit is ook het zelfvertrouwen.


Qaly en Daly

Qaly
Quality-adjusted life years
Effectiviteit van behandling meten
Extra levensjaar in goede gezondheid
Daly
Disabilaty-adjusted life Years
Totale last door ziekte
Aantal jaar met ziekte


Week 3 les 2
E-college verpleegkunde
H10 van Kritisch denken binnen het verpleegkundig proces Wilkinson
De eisen van diagnoses
Duidelijk geformuleerd met een helder beeld van de toestand van de zorgvrager
Bondig gemaakt
Nauwkeurig en onderbouwd
Beschrijvend en specifiek
Geformuleerd in objectieve termen
Het geeft het volledige beeld van de gezondheidstoestand weer, inclusief de verpleegkundige diagnosen.
Bevat geen vooroordelen
Oorzaak en gevolg zijn logisch
Een diagnoselabel gebruikt
H5 van Klinisch redeneren en verpleegkundige classificaties - Haaren
Nanda (North American Nursing Diagnoses Association).
Diagnose stellen
o Je doet dit als volgt:
1. Je stelt een verpleegkundige diagnose;
2. Je beschrijft de gewenste resultaten;
3. Het kiest de beste oplossing (zoals thuiszorg inschakelen of het dieet aanpassen)
Zorg inzichtelijk en meetbaar maken. Ook eenduidige registratie rapporteren
Verbanden zien tussen symptomen en oorzakelijke factoren
o Signs/symptoms en ethiologie
NANDAbestaat uit13 domeinen gebaseerd op de gezondheidspatronen van Gordon
o Gezondheidsbevordering.
o Voeding.
o Uitscheiding / uitwisseling.
o Activiteiten / rust.
o Waarneming / cognitie.
o Zelfperceptie.
o Rollen / relaties.
o Seksualiteit.

Na Nanda stel je een PESS op.


PESS
Kijken welke problemen er spelen en hoe er effectieve zorg geleverd kan worden, inclusief treffende interventies. Wanneer je een PESS hebt opgesteld kun je betere doelen stelle via SMART.
Probleem
Aard van het probleem wordt beschreven
welke beperkingen en kachten leveren dit?
Ethiologie
Oorzaak van het probleem
samenhangende factoren
Symptomen
Specifieke tekenen gerelateerd aan het probleem
Welke neemt patint waar?
Signs
Waarneming van vpk
Observatie van klachten

Voorbeelden van een pess-structuur Oudere meneer met doorligplekken

NIC (Nursing Intervention Classification)
Gebruiken voor interventies
Interventie
Classificeert elke interventie die een verpleegkundige uitvoert ten behoeve van een patint
Een interventie bestaat uit een label, een definitie en een overzicht van activiteiten die een verpleegkundige uitvoert. Zo is het bevorderen van coping een interventie.
Waaruit bestaat de NIC?
o De NIC bestaat uit 542 interventies. De classificatie van NIC omvat zeven domeinen, waarmee gewenste verpleegkundige interventies en acties worden beschreven. De domeinen zijn:
1. Elementair fysiologische functies
2. Complex fysiologische functies
3. Gedrag
4. Veiligheid
5. Gezin en familie
6. Gezondheidszorgstelsel
7. Samenleving

NOC (Nursing Outcome Classification)
Classificeert de zorgresultaten
o Je doet dit als volgt:
1. Je stelt een verpleegkundige diagnose;
2. Je beschrijft de gewenste resultaten;
3. Het kiest de beste oplossing (zoals thuiszorg inschakelen of het dieet aanpassen).
Verpleegkundige zorgresultaten beschrijven de toestand, gedragingen, opvattingen of belevingen van een patint die het gevolg zijn van verpleegkundige interventies
Een zorgresultaat bestaat uit een label, een definitie, een lijst van indicatoren waaraan de toestand van de patint kan worden getoetst en een beoordelingsschaal waarop deze toetsing gescoord kan worden.
Waaruit bestaat de NOC?
Classificatie van NOC kent zeven domeinen, waarmee resultaten en indicatoren in neutrale termen worden beschreven.
1. Functionele gezondheid
2. Fysiologische gezondheid
3. Psychosociale gezondheid
4. Gezondheidskennis en gezondheidsgedrag
5. Gezondheidsbeleving
6. Gezondheid van familie en gezin
7. Maatschappelijke gezondheidszorg










. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document