Gebruik de 50 oefenvragen om jezelf voor te bereiden en te testen of je de leerstof kent.
Koop de oefenvragen en wees voorbereid voor je volgende toets.
In winkelwagenProcentuele verandering
De gemiddelde verkoopprijs van een woning stijgt van €280.000 naar €308.000.
Vraag:
Bereken de procentuele verandering van de woningprijs.
Indexcijfer
In het basisjaar bedraagt de gemiddelde huur €750.
In het verslagjaar bedraagt de gemiddelde huur €825.
Vraag:
Bereken het indexcijfer van het verslagjaar.
Procentuele indexverandering
De woningprijsindex stijgt van 120 naar 126.
Vraag:
Bereken de procentuele stijging van de index.
Marktaandeel
In een gemeente worden 400 woningen verkocht.
Daarvan zijn 60 appartementen.
Vraag:
Bereken het marktaandeel van appartementen.
Interpoleren
De gemiddelde woningprijs was €260.000 in 2020 en €300.000 in 2022.
De stijging verloopt gelijkmatig.
Vraag:
Bereken de geschatte woningprijs in 2021.
Absolute en relatieve cijfers
Waarom zijn relatieve cijfers geschikter dan absolute cijfers bij het vergelijken van woningverkopen tussen gemeenten?
A. Omdat ze rekening houden met verschillen in omvang
B. Omdat ze altijd nauwkeuriger zijn
C. Omdat ze eenvoudiger te berekenen zijn
D. Omdat ze gebaseerd zijn op indexcijfers
Indexcijfers
Wat is het belangrijkste doel van het gebruik van indexcijfers?
A. Ontwikkelingen over tijd vergelijken
B. Exacte prijzen vaststellen
C. Prognoses maken
D. Marktaandelen berekenen
Welk diagram is het meest geschikt om prijsontwikkelingen over meerdere jaren weer te geven?
A. Lijndiagram
B. Staafdiagram
C. Cirkeldiagram
D. Tabel
Koop de oefenvragen en wees voorbereid voor je volgende toets.
In winkelwagen
Leer je de oefenvragen liever vanaf papier? Download dan de 50 oefenvragen als PDF.
In winkelwagen
Verdien geld met het maken van oefenvragen en leer direct voor je aankomende toets.
Oefenvragen maken
Deze oefenset is speciaal samengesteld voor SVMNIVO KRM Wonen – Vastgoedeconomie en sluit volledig aan op de examenstof.
De bundel bevat examengerichte multiple choice- en rekenvragen over alle onderdelen van Vastgoedeconomie, zoals deze worden getoetst door SVMNIVO. De vragen zijn opgesteld in examenstijl, met duidelijke formuleringen en goed gespreide antwoordopties.
In deze oefenset komen alle onderdelen aan bod:
Onderdeel A – Statistiek
Onderdeel B – Vraag en aanbod
Onderdeel C – Concurrentieverhoudingen
Onderdeel D – Conjuncturele verhoudingen
Onderdeel E – Banken en kapitaalmarkten
Deze oefenvragen zijn ideaal voor:
herhaling vlak voor het examen
toetsing van kennis en inzicht
oefenen met echte examenvragen
De set is geschikt voor zowel zelfstudie als examentraining en helpt je gericht voorbereiden op het SVMNIVO-examen Vastgoedeconomie.
50 oefenvragen
Nederlands
19-01-2026
Procentuele verandering
De gemiddelde verkoopprijs van een woning stijgt van €280.000 naar €308.000.
Vraag:
Bereken de procentuele verandering van de woningprijs.
Indexcijfer
In het basisjaar bedraagt de gemiddelde huur €750.
In het verslagjaar bedraagt de gemiddelde huur €825.
Vraag:
Bereken het indexcijfer van het verslagjaar.
Procentuele indexverandering
De woningprijsindex stijgt van 120 naar 126.
Vraag:
Bereken de procentuele stijging van de index.
Marktaandeel
In een gemeente worden 400 woningen verkocht.
Daarvan zijn 60 appartementen.
Vraag:
Bereken het marktaandeel van appartementen.
Interpoleren
De gemiddelde woningprijs was €260.000 in 2020 en €300.000 in 2022.
De stijging verloopt gelijkmatig.
Vraag:
Bereken de geschatte woningprijs in 2021.
Absolute en relatieve cijfers
Waarom zijn relatieve cijfers geschikter dan absolute cijfers bij het vergelijken van woningverkopen tussen gemeenten?
A. Omdat ze rekening houden met verschillen in omvang
B. Omdat ze altijd nauwkeuriger zijn
C. Omdat ze eenvoudiger te berekenen zijn
D. Omdat ze gebaseerd zijn op indexcijfers
Indexcijfers
Wat is het belangrijkste doel van het gebruik van indexcijfers?
A. Ontwikkelingen over tijd vergelijken
B. Exacte prijzen vaststellen
C. Prognoses maken
D. Marktaandelen berekenen
Welk diagram is het meest geschikt om prijsontwikkelingen over meerdere jaren weer te geven?
A. Lijndiagram
B. Staafdiagram
C. Cirkeldiagram
D. Tabel
Trendlijn
Wat geeft een trendlijn in een grafiek met sterk schommelende cijfers weer?
A. De algemene ontwikkeling
B. De exacte waarden
C. De grootste stijging
D. De laagste prijs
Extrapoleren
Waarom is extrapoleren bij woningprijzen risicovol?
A. Omdat indexcijfers veranderen
B. Omdat toekomstige ontwikkelingen kunnen afwijken
C. Omdat het alleen met grafieken kan
D. Omdat het wettelijk niet is toegestaan
Vraagcurve
Wat gebeurt er met de gevraagde hoeveelheid woningen als de woningprijs daalt, uitgaande van een normale vraagcurve?
A. De vraagcurve verschuift naar rechts
B. De gevraagde hoeveelheid stijgt
C. De gevraagde hoeveelheid daalt
D. Het aanbod neemt toe
Verschuiving langs of van de curve
De prijs van koopwoningen daalt, terwijl alle andere factoren gelijk blijven.
Wat gebeurt er?
A. De vraagcurve verschuift naar links
B. De aanbodcurve verschuift naar rechts
C. Er is een verschuiving langs de vraagcurve
D. Er is sprake van een nieuw evenwicht
Vraagcurve naar rechts
Welke factor zorgt voor een verschuiving van de vraagcurve naar rechts op de woningmarkt?
A. Stijgende bouwkosten
B. Daling van het inkomen
C. Stijging van de hypotheekrente
D. Stijging van het huishoudinkomen
Hypotheekrente
Wat is het gevolg van een stijging van de hypotheekrente?
A. Het aanbod van woningen stijgt
B. De vraag naar koopwoningen neemt af
C. De vraagcurve verschuift naar rechts
D. De evenwichtsprijs stijgt
Aanbodcurve
Wat gebeurt er met het aanbod van nieuwbouwwoningen bij stijgende bouwkosten?
A. Het aanbod neemt toe
B. Het aanbod blijft gelijk
C. Het aanbod neemt af
D. De vraag neemt toe
Verschuiving aanbodcurve
Welke factor veroorzaakt een verschuiving van de aanbodcurve naar links?
A. Stijging van grondprijzen
B. Daling van de woningprijs
C. Toename van het aantal huishoudens
D. Daling van de hypotheekrente
Marktevenwicht
Wat wordt bedoeld met de evenwichtsprijs op de woningmarkt?
A. De gemiddelde verkoopprijs
B. De prijs waarbij het aanbod maximaal is
C. De prijs waarbij vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn
D. De hoogste prijs die een koper wil betalen
Prijs boven evenwicht
Wat ontstaat er als de woningprijs boven de evenwichtsprijs ligt?
A. Vraagoverschot
B. Vraag en aanbod in evenwicht
C. Verschuiving van de vraagcurve
D. Aanbodoverschot
Varkenscyclus
Waarom is de woningmarkt gevoelig voor de varkenscyclus?
A. Door snelle aanpassing van het aanbod
B. Door korte bouwtijd
C. Door vertraagde reactie van het aanbod
D. Door constante vraag
Evenwichtsverstoring
Wat gebeurt er als de vraag naar woningen stijgt en het aanbod gelijk blijft?
A. De evenwichtsprijs daalt
B. De vraagcurve verschuift naar links
C. Er ontstaat een aanbodoverschot
D. De evenwichtsprijs stijgt
Concurrentieniveaus
Wanneer een consument moet kiezen tussen een vakantie of het kopen van een nieuwe keuken, is er sprake van:
A. Merkenconcurrentie
B. Productvormconcurrentie
C. Algemene concurrentie
D. Behoefteconcurrentie
Interne concurrentie
Wat wordt bedoeld met interne concurrentie?
A. Concurrentie tussen leveranciers
B. Concurrentie tussen bedrijven binnen dezelfde bedrijfstak
C. Concurrentie tussen landen
D. Concurrentie tussen producenten en consumenten
Potentiële concurrentie
Welke situatie vergroot de potentiële concurrentie?
A. Hoge toetredingsdrempels
B. Weinig substituten
C. Productdifferentiatie
D. Kartelvorming
Marktvorm vastgoed
Welke marktvorm is het meest kenmerkend voor de markt van bestaande koopwoningen?
A. Volledige mededinging
B. Oligopolie
C. Monopolie
D. Monopolistische concurrentie
Oligopolie
Wat is een belangrijk kenmerk van een oligopolie?
A. Veel aanbieders en homogeen product
B. Weinig aanbieders met veel marktmacht
C. Eén aanbieder zonder concurrentie
D. Volledige prijsflexibiliteit
Concentratiegraad
Wat geeft de concentratiegraad (bijvoorbeeld C3) aan?
A. Het aantal consumenten op de markt
B. Het marktaandeel van de grootste aanbieders
C. De gemiddelde prijsontwikkeling
D. De winstgevendheid van de sector
SGR-model
Welke volgorde is juist in het SGR-model?
A. Structuur – Gedrag – Resultaat
B. Gedrag – Structuur – Resultaat
C.Structuur – Gedrag – Rendement
D. Gedrag – Rendement – Structuur
Kartelvorming
Waarom zijn kartels in principe verboden?
A. Ze zorgen voor te veel innovatie
B. Ze verhogen de productkwaliteit
C. Ze beperken de concurrentie
D. Ze leiden tot lagere prijzen
Productdifferentiatie
Wat is het doel van productdifferentiatie?
A. Kostenverlaging
B. Markttransparantie vergroten
C. Concurrentie verminderen door producten onderscheidend te maken
D. Toetredingsdrempels verlagen
5-krachtenmodel Porter
Welke kracht hoort NIET bij het 5-krachtenmodel van Porter?
A. Dreiging van substituten
B. Macht van leveranciers
C. Invloed van de overheid
D. Dreiging van nieuwe toetreders
Conjunctuur
Wat wordt bedoeld met een conjunctuurbeweging?
A. Lange termijnontwikkeling van de economie
B. Schommelingen in de economie op korte termijn
C. Veranderingen in bevolkingsomvang
D. Structurele veranderingen in productiecapaciteit
Hoogconjunctuur
Wat is kenmerkend voor hoogconjunctuur?
A. Stijgende werkloosheid
B. Dalende investeringen
C. Toenemende productie en bestedingen
D. Afnemende economische groei
Laagconjunctuur
Welke situatie past bij laagconjunctuur?
A. Hoge investeringen en stijgende lonen
B. Dalende productie en oplopende werkloosheid
C. Snelle economische groei
D. Toenemende vraag naar arbeid
Recessie
Wanneer is er sprake van een recessie?
A. Bij één kwartaal van economische krimp
B. Bij twee opeenvolgende kwartalen van economische krimp
C. Bij een daling van het consumentenvertrouwen
D. Bij stijgende werkloosheid
Anticyclisch beleid
Wat wordt bedoeld met anticyclisch conjunctuurbeleid?
A. De overheid versterkt economische schommelingen
B. De overheid volgt de conjunctuurbeweging
C. De overheid werkt tegen de conjunctuur in
D. De overheid bemoeit zich niet met de economie
Overheidsbeleid bij laagconjunctuur
Welke maatregel past bij laagconjunctuur?
A. Belastingen verhogen
B. Overheidsbestedingen verlagen
C. Overheidsbestedingen verhogen
D. Rente verhogen
Conjunctuurgolven
Welke conjunctuurgolf heeft betrekking op voorraadinvesteringen?
A. Kondratieffgolf
B. Juglargolf
C. Kitchingolf
D. Lange golf
Cyclische sector
Welke sector is het meest conjunctuurgevoelig?
A. Gezondheidszorg
B. Onroerend goed
C. Basisonderwijs
D. Voedingsmiddelen
Consumentenvertrouwen
Wat geeft het consumentenvertrouwen aan?
A. De hoogte van het besteedbaar inkomen
B. Het vertrouwen van consumenten in de economische toekomst
C. De inflatieverwachting van bedrijven
D. De werkloosheidsgraad
Stabilisatiefunctie overheid
Wat is het doel van de stabilisatiefunctie van de overheid?
A. Vergroten van inkomensverschillen
B. Beïnvloeden van de allocatie van productiemiddelen
C. Dempen van conjunctuurschommelingen
D. Verhogen van de belastingopbrengsten
Functies van geld
Welke functie van geld maakt het mogelijk om prijzen met elkaar te vergelijken?
A. Oppotmiddel
B. Ruilmiddel
C. Rekenmiddel
D. Spaarmiddel
Chartaal en giraal geld
Wat wordt bedoeld met giraal geld?
A. Bankbiljetten en munten
B. Geld op betaal- en spaarrekeningen
C. Buitenlandse valuta
D. Contant geld bij consumenten
Maatschappelijke geldhoeveelheid
Welke geldsoorten behoren tot M1?
A. Chartaal geld en giraal geld
B. Spaartegoeden met lange looptijd
C. Obligaties en aandelen
D. Deposito’s langer dan twee jaar
Geldschepping
Wanneer is er sprake van geldschepping?
A. Bij het opnemen van spaargeld
B. Bij het verstrekken van een hypothecaire lening
C. Bij het omwisselen van contant naar giraal geld
D. Bij het oppotten van geld
Substitutie
Wat gebeurt er bij substitutie?
A. De geldhoeveelheid neemt toe
B. De geldhoeveelheid neemt af
C. De samenstelling van de geldhoeveelheid verandert
D. Geld wordt omgezet in niet-geld
Geldmarkt en kapitaalmarkt
Wat kenmerkt de geldmarkt?
A. Leningen met een looptijd langer dan twee jaar
B. Handel in aandelen
C. Kortlopende financiering
D. Hypothecaire leningen
Rente
Wat is rente?
A. De vergoeding voor het risico van inflatie
B. De prijs van geld
C. De winst van een bank
D. De vergoeding voor arbeid
Nominale en reële rente
Wat is reële rente?
A. De rente exclusief inflatie
B. De rente inclusief inflatie
C. De rente op de kapitaalmarkt
D. De rente op een hypotheek
Rentestructuur
Wanneer is er sprake van een inverse rentestructuur?
A. Als de lange rente hoger is dan de korte rente
B. Als de korte rente hoger is dan de lange rente
C. Als korte en lange rente gelijk zijn
D. Als er geen renteverschil is
Monetair beleid ECB
Wat is een belangrijk doel van het monetair beleid van de Europese Centrale Bank?
A. Bevorderen van economische groei tegen elke prijs
B. Beheersen van de geldhoeveelheid en prijsstabiliteit
C. Verlagen van de staatsschuld
D. Financieren van overheidsuitgaven
Knoowy heeft goede samenvattingen en documenten. Erg handig en ik raad het aan!
Knoowy bevalt prima. Met behulp van jullie heb ik bijna mijn scriptie afgemaakt.
Helpt je op weg met je studie. De korting bij aanschaf van meerdere documenten is fijn.
Bij Knoowy betaal je andere mensen om jouw verslag te verbeteren en te controleren op spel- en taalfouten. Super handig!
Een echte aanrader voor studenten. Knoowy is heel gemakkelijk te gebruiken.
Echt een super website, heel blij mee dat studenten elkaar zo kunnen helpen.
Goede site om samenvattingen en verslagen op te kopen.
Knoowy is een fijne website om medestudenten te helpen met samenvattingen, aantekeningen en voorbeeld verslagen.