Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Hoofdstuk 4: Voerbehoefte
4.1 Introductie
Wij mensen hebben de schijf van vijf: vijf regels voor gezond eten. Maar wat eten honden eigenlijk? En
konijnen? In dit hoofdstuk lees je er meer over.
4.2 Begrippenlijst
Hieronder staan een aantal begrippen die je regelmatig tegenkomt in dit hoofdstuk. Deze begrippen
moet je kennen.
Ad lib: de afkorting van ad libitum, wat betekent dat een dier onbeperkt voer krijgt.
Zoogperiode: de periode dat een moederdier haar jongen melk geeft (zogen).
Dieetvoeding: we noemen dit ook wel dieetvoer of dieetvoeder. Dit is een speciaal voer voor dieren
die een ziekte of aandoening hebben.
Voerovergang: dit noemen dit ook wel voeromschakeling. Dit is het moment dat je een dier een
ander soort voer gaat geven.
4.3 Waarom voeren we dieren?
We voeren dieren om twee redenen:
Onderhoud van het lichaam;
Productie: als het dier extra voedingsstoffen nodig heeft voor extra inspanningen, zoals melk pro-
duceren of meedoen aan wedstrijden.
Onderhoud
We geven het dier voer om zijn lichaam te onderhouden. Dat betekent dat alle lichaamsprocessen goed
verlopen. Hier hoort ook normale beweging bij.
Voorbeelden van lichaamsprocessen zijn:
spijsvertering
ademhaling
groei vacht en nagels
spierspanning
productie van urine
op peil houden van lichaamstemperatuur
Productie
We geven het dier extra voer of ander voer als het dier produceert. Het dier levert een extra inspanning
en daarvoor is extra energie nodig.
66 Biologie, voeding en voortplanting
Voorbeelden van productie zijn:
Een drachtig dier. Het dier heeft extra energie en voedingsstoffen nodig om de jongen in de baar-
moeder te laten groeien.
Een dier dat jongen zoogt. Het moederdier heeft extra energie en mineralen nodig om melk te ma-
ken voor de jongen.
Groei. Jonge dieren hebben extra vet en koolhydraten nodig als energie voor de groei. Ook hebben
zij extra eiwit nodig als bouwstof voor het groeiende lichaam.
Productie van melk, vlees of eieren. Denk aan melkkoeien, vleesvarkens en legkippen.
Wedstrijden (paard, hond). Dit vraagt extra energie van de dieren, dus moet er extra energie in het
voer zitten.
4.4 Voedingsbehoefte per levensfase
Per fase in het leven heeft een dier een andere voedingsbehoefte. Een jong dier heeft andere voedings-
stoffen nodig dan een volwassen dier, omdat het jonge dier nog groeit. Een ouder dier heeft weer andere
voedingsstoffen nodig.
Ad libitum
Er zijn verschillende manieren om een dier te voeren. Bij kleine huisdieren zie je nog wel eens dat de
dieren onbeperkt voer krijgen. Er staat de hele dag voer voor ze klaar. Onbeperkt voeren noemen we ad
lib. Dat is een afkorting van ad libitum.
Ad libitum voeren is gemakkelijk voor de eigenaar, maar het leidt vaak tot te dikke dieren. Het is vaak
beter om een dier zoveel voer te geven als het nodig heeft, afgepast in verschillende porties. Hoeveel een
dier nodig heeft, is afhankelijk van de hoeveelheid energie die een dier nodig heeft en van de hoeveel-
heid energie die het voer bevat.
4.4.1 Voedingsbehoefte van jonge dieren
Zoogdieren drinken na de geboorte bij de moeder. De eerste periode na de geboorte heeft de melk een
bijzondere samenstelling. We noemen dit biest. Deze melk bevat veel antistoffen die het jong bescher-
men tegen ziekten. De darmwand van een jong kan vlak na de geboorte deze speciale antistoffen doorla-
ten. Het is dus erg belangrijk dat een jong dier in de eerste dagen moedermelk krijgt. Het afweersysteem
functioneert de eerste weken nog niet goed, wat betekent dat het jong weinig of geen weerstand tegen
ziekten heeft. Zonder moedermelk is het jong niet beschermd tegen ziekten.
Door het drinken van biest krijgt een jong dier antistoffen binnen.
Biologie, voeding en voortplanting 67
Na een tijdje drinken de jongen minder melk bij de moeder. Je begint dan met bijvoeren. Op welke leef-
tijd je begint met bijvoeren, verschilt per diersoort. Een kalf krijgt al een klein beetje hooi als hij ongeveer
een week oud is. Hij eet er nog niet echt van, maar knabbelt er wel aan. Zo went zijn maagdarmkanaal
langzaamaan ander voer dan melk. Kittens ga je bijvoeren als ze drie tot vier weken oud zijn. Je geeft dan
speciale kittenbrokjes.
Als de jongen helemaal zonder melk kunnen, halen we ze bij de moeder weg. Dit noemen we spenen. Als
de dieren niet worden gespeend, blijven ze nog een tijd melk van de moeder drinken. Dit kan meestal
geen kwaad.
De leeftijd waarop dieren gespeend worden, noemen we de speenleeftijd. Dit is per diersoort verschil-
lend. Hieronder zie je een aantal voorbeelden:
diersoort speenleeftijd
hond 810 weken
kat 812 weken
konijn 68 weken
schaap 12 weken
muis 34 weken
cavia 34 weken
Als een jong geen melk kan drinken bij de moeder, is de beste oplossing om de moeder te melken en
deze melk met een flesje te geven. Je kunt ook de biest van een andere diersoort geven, bijvoorbeeld
koeienbiest aan een geitenlam. Na enkele dagen voer je het jonge dier verder met kunstmelk.
Er is speciale kittenmelk te koop.
Na het spenen moeten de jongen voer krijgen dat voor hen geschikt is. Pups krijgen puppyvoer, kittens
krijgen kittenvoer. Voor veulens, kalveren, biggen en lammeren zijn ook speciale brokken te koop. Voor
andere diersoorten zijn die er niet.
In het voer voor jonge dieren zit meer energie en meer eiwit. Een dier in de groei heeft namelijk meer
energie nodig, want groeien kost energie. Ook heeft een dier in de groei meer eiwit nodig, want eiwit is
een bouwstof voor het lichaam. Ook zitten er meer vitaminen en mineralen in voer voor jonge dieren.
68 Biologie, voeding en voortplanting
4.4.2 Voedingsbehoefte tijdens dracht en zoogperiode
Als een vrouwelijk dier drachtig is, verandert haar voedingsbehoefte. Dat is ook zo tijdens de zoogperi-
ode. Dat is de periode dat een moederdier haar jongen melk geeft (zogen).
Dracht
Het eerste gedeelte van de dracht zijn de ongeboren jongen nog heel klein. Deze groei kost dus weinig
energie voor het vrouwelijke dier. Daarom hoef je in het eerste gedeelte van de dracht geen ander of
meer voer te geven aan een drachtig dier. Voer je toch te veel? Dan wordt het drachtige dier te vet. Dat is
een nadeel, want de geboorte verloopt vaak moeilijker bij vette dieren.
Tijdens het laatste gedeelte van de dracht groeien de jonge dieren harder. Dan heeft het drachtige dier
meer energie en eiwit nodig in haar voeding om de jongen te laten groeien. Dan ga je het drachtige dier
meer voer geven of een ander soort voer.
Wanneer je een drachtig dier moet gaan bijvoeren, verschilt per diersoort. Een hond is negen weken
drachtig. Een hond voer je vanaf de helft van de dracht bij, dus als de hond vier tot vijf weken drachtig is.
Een schaap is vijf maanden drachtig en dat voer je extra vanaf de laatste maand van de dracht.
Het drachtig dier heeft minder ruimte in de buik, doordat die al vol met jongen zit. Daarom is het goed
om drachtige dierenvoer met een hoog energiegehalte en een goede verteerbaarheid te geven. Er is
speciale voeding voor drachtige honden en katten. Andere diersoorten geef je meer krachtvoer per dag
of een ander soort krachtvoer met meer energie en meer eiwitten.
Zoogperiode
Na de geboorte van de jongen hebben de moederdieren veel energie nodig. Deze energie gebruiken ze
voor het maken van biest en later van melk. Totdat de jongen gespeend worden, hebben de moederdie-
ren extra of ander voer nodig. Als de jongen op vast voer overgaan, kan het moederdier langzamerhand
minder voedsel krijgen.
4.4.3 Voedingsbehoefte van werkende dieren
Als een dier arbeid verricht, zal het meer en andere voedingsstoffen nodig hebben. Denk hierbij aan po-
litiehonden, sledehonden en manegepaarden. Je kunt werkende dieren voeren met meer voer. Maar het
kan ook dat het dier ander voer krijgt, bijvoorbeeld voer waar meer energie en eiwit in zit.
Werkende dieren zoals sledehonden hebben meer energie nodig.
Biologie, voeding en voortplanting 69
4.4.4 Voedingsbehoefte van oudere dieren
Bij oudere dieren kunnen organen, zoals de nieren, wat minder goed functioneren. Ook het gebit kan
problemen opleveren. Het spijsverteringskanaal bij oudere dieren werkt ook minder goed. Daarnaast
zijn oudere dieren vaak wat minder actief en hebben zij dus minder energie nodig.
Voor paarden, honden en katten is er speciaal seniorvoer. Voor andere
diersoorten is er geen seniorvoer te koop. Je kunt wel een ander soort
voer gaan voeren waar bijvoorbeeld minder energie in zit. Ook kun je
brok of korrel weken in water, waardoor een ouder dier met gebitspro-
blemen het voer makkelijker kan eten. Let bij oudere planteneters ook
op de kwaliteit van het ruwvoer. Zij moeten een goede kwaliteit ruw-
voer krijgen. Daarom voer je een ouder dier soms met een ander hooi
of kuilgras dan de rest van de dieren.
4.5 Voeding en ziekten
Bij het voeren van dieren kun je fouten maken, we noemen dit voerfouten. Door voerfouten kunnen
dieren ziek worden. Voerfouten zijn:
Te veel voer
Je voert een dier te veel voer per voerbeurt.
Je voert het dier te vaak op een dag.
Gevolg van te veel voer: het dier wordt te vet. Hierover lees je verderop meer.
Te weinig voer
Je geeft het dier te weinig voer per voerbeurt.
Je hebt te weinig voerbeurten op een dag.
Gevolg van te weinig voer: het dier vermagert en het dier heeft minder weerstand tegen ziekten.
Verkeerd voer
Je geeft het dier voer dat eigenlijk is bedoeld voor een andere diersoort.
Gevolg van verkeerd voer:
Het dier krijgt een tekort aan bepaalde voedingsstoffen en wordt hierdoor ziek.
Het dier krijgt een overmaat (te veel) aan bepaalde voedingsstoffen en wordt hierdoor ziek.
Slechte kwaliteit voer
Beschimmeld voer
Voer met veel stof
Te oud voer
Gevolg: diverse ziekten
Niet-hyginisch voeren
Vuile voerbakken
Vuile drinkbakken
Oud voer niet weghalen, waardoor het kan beschimmelen
Vervuild voer geven
Water niet iedere dag verversen
Gevolg van niet-hyginisch voeren: diverse ziekten, vooral ziekten aan het spijsverteringskanaal
Te snelle overgang van het ene soort voer naar het andere soort voer.
Als je een dier een nieuw voer voert, kan het dier ziek worden van een te snelle overgang naar
het nieuwe voer. Vooral diarree komt dan voor.
70 Biologie, voeding en voortplanting
Om ziekten bij de dieren zoveel mogelijk te voorkomen, is het belangrijk dat je op de juiste manier voert.
Dit doe je als volgt:
Geef het juiste voer.
Geef de juiste hoeveelheid voer.
Houd je aan het juiste aantal voerbeurten per dag.
Controleer voer op kwaliteit voordat je het aan de dieren geeft.
Werk hyginisch tijdens het voeren:
Maak voer- en drinkbakken iedere dag schoon.
Haal oud voer dat niet is opgegeten weg.
Geef iedere dag schoon en vers drinkwater. Controleer of automatische drinksystemen nog werken.
Zie je afwijkingen bij dieren of bij hun voer? Meld het bij je leidinggevende.
Soms moet je een dier een ander soort voer gaan geven. Je moet dieren altijd laten wennen aan nieuwe
voer. Neem hier de tijd voor. Dieren kunnen diarree of andere verschijnselen krijgen als de omschakeling
op een nieuw voer te snel gaat.
Houd dit schema aan:
1. drie of vier dagen 34 van het oude voer mengen met 14 van het nieuwe voer;
2. drie of vier dagen 12 van het oude voer mengen met 12 van het nieuwe voer;
3. drie of vier dagen 14 van het oude voer mengen met 34 van het nieuwe voer;
4. daarna volledig overstappen op het nieuwe voer.
4.5.1 Ziekten door voerfouten
Er zijn veel voorbeelden van ziekten die kunnen ontstaan door voerfouten. Het zijn er te veel om hier al-
lemaal te noemen. We behandelen hier een aantal van deze ziekten.
Maagzweer bij paarden
Paarden zijn van nature gewend om de hele dag te eten. Op stal krijgen paarden vaak te weinig ruwvoer,
zoals hooi of kuilgras. Het ruwvoer is dan al op voor de volgende voerbeurt. Voor een paard dat in het
weiland loopt, is dat geen probleem. Hij graast en krijgt zo ruwvoer (vers gras) binnen. Voor paarden op
stal is te weinig ruwvoer wel een probleem.
Een paard maakt speeksel als hij kauwt. Dat is anders dan bij de mens, die maakt de hele dag speeksel
aan. De maag van een paard maakt de hele dag maagsappen. Deze maagsappen zijn zuur. Speeksel
helpt om het zure maagsap minder zuur te maken.
Als de maag van een paard leeg is, gaat de maag door met het maken van maagsap. Maar er is geen
speeksel om ervoor te zorgen dat het maagsap minder zuur wordt. Het zure maagsap beschadigt dan
de wand van de maag. Dan ontstaan er maagzweren. Veel paarden die veel op stal staan en te weinig
ruwvoer krijgen, hebben maagzweren.
Maagzweren kunnen ook ontstaan bij paarden die veel krachtvoer en weinig ruwvoer krijgen. Op kracht-
voer kauwen de paarden minder lang. Er wordt dus minder speeksel gemaakt.
Er zijn meerdere verschijnselen die horen bij een maagzweer, zoals minder eten, vaak gapen, knarsetan-
den, sloomheid, een doffe vacht, diarree, vermageren, minder energie voor het rijden. Het lastige is dat
er niet n overduidelijk signaal is dat aangeeft dat het dier een maagzweer heeft.
Biologie, voeding en voortplanting 71
Vitamine C-gebrek bij cavias
Vitamine C is voor cavias een essentile voedingsstof, zo heb je geleerd in hoofdstuk 3. Als je cavias voert
met bijvoorbeeld konijnenvoer, dan krijgen ze te weinig vitamine C binnen. Cavias kunnen zelf geen vi-
tamine C maken uit andere voedingsstoffen en krijgen dan een vitamine C-gebrek. Je herkent dit gebrek
aan de volgende verschijnselen:
slepen met de achterpoten
slechte groei van jonge dieren
slechte eetlust
diarree
vermageren
minder weerstand tegen ziekten
Te dikke dieren
Veel van onze huisdieren zijn te dik. Ze zijn in een te goede conditie, zeggen we dan. We noemen dit ook
wel obesitas. Dit komt doordat dieren te veel voer krijgen of het verkeerde voer. Ook krijgen dieren te
veel of ongezonde tussendoortjes. Veel eigenaren van dieren denken dat ze hun dieren goed verzorgen
als ze lekkere tussendoortjes geven. Maar dat is niet zo, want dieren worden er te dik van.
Te dikke dieren krijgen allerlei gezondheidsproblemen, zoals slijtage van hun gewrichten. Ook ontstaan
er vaak vacht- of huidproblemen. Maar er zijn meer gevolgen. Zo hebben te dikke katten meer kans op
diabetes (suikerziekte). Te dikke konijnen kunnen hun ochtendontlasting niet meer opeten. Hierover lees
je meer verderop in dit hoofdstuk, bij voeding van planteneters.
Te dikke dieren worden ook minder goed drachtig. Bij drachtige dieren die te dik zijn, verloopt de ge-
boorte vaak moeizamer.
Obesitas bij huisdieren is een groot probleem.
Conditie na sterilisatie of castratie
Veel dieren worden dikker na sterilisatie of castratie. Door het verwijderen van de geslachtsklieren ver-
andert de stofwisseling, waardoor de dieren minder verbranden. Daarnaast krijgen de dieren meer hon-
gergevoel, waardoor ze meer eten. Ook worden ze wat luier en bewegen ze wat minder.
Als je een dier na castratie of sterilisatie hetzelfde voer en dezelfde voerhoeveelheid geeft, wordt het dier
dus dikker. Daarom moeten dieren na castratie of sterilisatie minder of ander voer krijgen.
72 Biologie, voeding en voortplanting
4.6 Dieetvoeding
Soms heeft een dier speciale voeding nodig, bijvoorbeeld bij een bepaalde ziekte. Hiervoor zijn verschil-
lende dieetvoeders te koop voor honden, katten en paarden. Je vindt dit dieetvoer bij de dierenarts. Ook
de dierenspeciaalzaak verkoopt dieetvoeding, maar hier mogen niet alle soorten dieetvoeding worden
verkocht. Dieetvoeding is duurder dan gewoon voer.
Er zijn veel soorten dieetvoeding. Voorbeelden van deze dieetvoeders zijn blaasgruisdieet en nierdieet bij
honden en katten. Maar er is ook speciaal voer voor honden en katten met huidproblemen, met voedsel-
allergie en met darmproblemen. Ook is er dieetvoeding voor dieren met overgewicht. Deze dieetvoeders
worden meestal voorgeschreven door een dierenarts. Een gezond dier heeft normaal gesproken geen
dieetvoer nodig.
Dieetvoeding betekent een voerverandering (waarover je bij Voeding en ziekten, al meer hebt gelezen),
dus het dier moet de dieetvoeding wel lusten. In overleg met de dierenarts is er voor ieder dier een pas-
sende voeding te vinden, al kost het soms wel tijd voordat er een voer is gevonden dat het dier wil eten.
Dieetvoeding bij overgewicht
Een dier wordt te dik doordat hij meer energie binnenkrijgt via het voer dan hij nodig heeft. Om een dier
te laten afvallen, moet er dus minder energie in het voer zitten. Dan zal het dier zijn reservevoorraden
lichaamsvet verbruiken en dus afvallen. Voor honden, katten en paarden zijn daar verschillende soorten
dieetvoeding voor. Vermageringsditen zijn via de dierenarts verkrijgbaar.
Vaak zitten er extra voedingsvezels (ruwe celstof) in vermageringsdieetvoer. Wat voedingsvezels precies
zijn, heb je gelezen hoofdstuk 3 bij voedingsstoffen. Honden en katten kunnen deze voedingsvezels niet
goed verteren, maar ze krijgen er wel een vol gevoel van. Ook zorgen de voedingsvezels ervoor dat het
voer minder goed verteerd wordt. Het dier neemt dus niet alle voedingsstoffen uit het voer op.
Meer beweging
Dieren met obesitas moeten niet alleen ander voer krijgen, maar zij moeten ook meer bewegen. Meer
beweging moet je wel langzaam opbouwen. Je kunt denken aan: vaker en langer wandelen met de hond,
een kat vaker naar buiten laten gaan en een paard meer beweging geven. Voor andere dieren is het be-
langrijk dat zij een groter verblijf krijgen. Denk voor konijnen en cavias aan een ren bij hun nachtverblijf.
Sommige knaagdieren, zoals muizen, ratten en hamsters, moeten een looprad in het verblijf hebben.
Zorg ervoor dat dieren die van nature graven ook echt kunnen graven. Dit geldt voor konijnen en gerbils.
Ratten en muizen klimmen graag, dus er moeten klimmogelijkheden in het verblijf zijn. Laat vogels af en
toe losvliegen.
Nierdieet
Bij katten en honden komen op latere leeftijd regelmatig nierproblemen voor. De nieren functioneren dan
steeds slechter. De oorzaak is meestal een chronische ontsteking van de nieren. De nieren filteren het
bloed en halen afvalstoffen uit het bloed. Deze komen met de urine mee naar buiten. Als de nieren niet
meer goed werken, blijven de afvalstoffen in het lichaam. Hierdoor wordt het dier ziek. Symptomen zijn:
veel drinken en plassen
braken
minder eten
sloom
doffe vacht
vermageren
Biologie, voeding en voortplanting 73
Een dier met nierproblemen heeft een speciaal dieet nodig. Het voer is verkrijgbaar bij de dierenarts. De
dierenarts moet dit voer voorschrijven.
Blaasgruisdieet
Blaasgruis komt voor bij honden en katten, maar veel vaker bij katten. In de blaas kunnen kleine kristal-
len ontstaan. Dit zijn mineralen die samenklonteren in de blaas. Normaal gesproken zijn de kristallen
heel klein en plast het dier ze uit. Maar soms zijn de kristallen te groot. Ze passen dan niet door de plas-
buis en blijven in de blaas achter. Dit kan leiden tot een levensgevaarlijke situatie.
Blaasgruis komt vaker voor bij katers dan bij poezen. Bij vrouwelijke dieren vormen blaaskristallen min-
der vaak een probleem, omdat de plasbuis veel korter en wijder is. Poezen kunnen daardoor de kristallen
makkelijker uitplassen.
Als de kristallen in de blaas achterblijven, kan het dier niet meer plassen. Maar er wordt nog wel urine ge-
maakt. Daardoor loopt de blaas vol. Als de blaas overvol is, loopt de urine terug naar de nieren. Hierdoor
zullen de nieren minder goed hun werk kunnen doen en ontstaan er nierproblemen. De situatie van het
dier kan zeer snel verslechteren.
Er zijn verschillende soorten blaasgruis. Voor iedere soort is er een ander dieetvoer te koop. Het voer is
verkrijgbaar bij de dierenarts. De dierenarts moet dit voer voorschrijven.
4.7 Voeding per diersoort
Nu je meer weet over de voeding van dieren in het algemeen, is het tijd om je te verdiepen in de speci-
fieke behoeften per diersoort.
4.7.1 Voeding van vleeseters: honden en katten
Honden en katten zijn vleeseters (carnivoren). Het darmstelsel van een carnivoor is kort in verhouding tot
zijn lichaam. Het gevolg is dat een carnivoor een zeer efficinte vertering heeft: bijna alle voedingsstof-
fen worden uit het voedsel gehaald. Deze efficinte vertering heeft ook een nadeel. Honden en katten
hebben sneller problemen in het spijsverteringskanaal dan planteneters of alleseters. Dat komt door de
onbruikbare onderdelen van de voeding, het spijsverteringskanaal van vleeseters is daar gevoelig voor.
Honden
De hond is een vleeseter, maar kan ook plantaardige voedingsstoffen verteren. Dat laatste is zo weinig,
dat we de hond gewoon tot de vleeseters rekenen.
Voer een hond bij voorkeur twee keer per dag, n keer in de ochtend en n keer aan het einde van
de dag. Voor grote rassen is het beter om ze drie keer per dag te voeren. Deze rassen zijn gevoelig voor
maagtorsie, dat is een draaiing van de maag. Dit kan dodelijk zijn. Als je een groot ras drie keer per dag
voert, is er minder kans op een maagtorsie.
Geef een hond het liefst eten na beweging (wandeling of andere beweging). In een asiel of hondenpen-
sion is dit niet altijd mogelijk. Geef de honden daar pas een uur na het voeren beweging.
Er moet de hele dag schoon en vers drinkwater voor de hond klaarstaan. Hoeveel een hond per dag
drinkt hangt sterk af van de hoeveelheid water die in het voer zit.
74 Biologie, voeding en voortplanting
Katten
Katten zijn echte vleeseters. Ze eten vooral spieren, botten en organen. In de natuur eten katten kleine
prooidieren, zoals muizen en vogels. Deze worden meestal met huid en haar opgegeten, maar de maag-
inhoud wordt meestal niet opgegeten.
Katten hebben twee belangrijke voedingsstoffen nodig uit de voeding: arginine en taurine. Beide voe-
dingsstoffen zitten in dierlijk voedsel. Een gebrek aan arginine kan dodelijk zijn. Een gebrek aan taurine
kan leiden tot blindheid, hartkwalen en storingen in de groei. Geef katten dus altijd voer dat bedoeld is
voor katten en niet voor andere dieren. Anders krijgen ze een tekort aan taurine en arginine.
Het is het beste om katten twee keer dag te voeren, n keer in de ochtend en n keer in de middag of
avond. Als de kat in een goede conditie is, kan ook onbeperkt (ad lib) gevoerd worden. Zorg ervoor dat
er altijd schoon en vers drinkwater klaarstaat en dat de drinkbak minimaal 1 meter van de voerbak staat.
Van nature gaan katten nadat ze gegeten hebben, eerst een stukje lopen voordat ze gaan drinken. Zet de
waterbak dus niet direct naast de voerbak.
Katten zijn veel kieskeuriger dan honden. Het komt regelmatig voor dat een kat een nieuw merk voer of
een andere smaak niet wil eten. Je maakt een voerovergang voor katten makkelijker door:
oud met nieuw voer te vermengen;
het voer te verwarmen;
de brokken nat te maken.
Hoeveel water een kat drinkt is afhankelijk van het soort voer. Als de dieren natvoer eten hebben ze min-
der behoefte aan water, omdat er al veel water in natvoer zit. Bij droge brokken hebben de katten meer
behoefte aan water. Buitenkatten drinken vaak uit sloten en plasjes.
4.7.2 Voeding van planteneters: herkauwers
Herkauwers zijn gespecialiseerde planteneters. Zij hebben drie of vier magen. Bekende herkauwers zijn
koeien, schapen en geiten. Maar ook herten en giraffes zijn herkauwers. Voor herkauwers is ruwvoer het
belangrijkst; dit moeten ze 24 uur per dag kunnen eten. Ruwvoer stimuleert de werking van de pens bij
herkauwers. Als herkauwers geen ruwvoer krijgen, dan komt het hele spijsverteringskanaal stil te liggen.
Dit kan leiden tot de dood. Natuurlijk moeten herkauwers 24 uur per dag schoon en vers water hebben.
Koeien
Naast gras eet de koe ander ruwvoer, zoals kuilgras, snijmas of hooi. Koeien krijgen daarnaast vaak
krachtvoer in de vorm van koeienbrok. Hobbykoeien die niet drachtig of zogend zijn, hebben geen koei-
enbrok nodig. In de commercile veehouderij krijgen de koeien wel (veel) krachtvoer, omdat ze dit nodig
hebben voor de melkproductie.
Koeien grazen ongeveer zes tot negen uur per dag. Ze snijden plukken gras af met hun tong tot ongeveer
1 cm hoogte. Een koe eet gemiddeld zestig kilo gras per dag. In de winter staan de koeien op stal en krij-
gen ze ander ruwvoer dan gras, bijvoorbeeld kuilgras.
Koeien herkauwen ongeveer vier tot zes uur per dag. Door het herkauwen wordt het voer mechanisch
vermalen en vermengd met speeksel. Herkauwen is al het begin van het verteren van het voedsel.
Een kalf heeft alleen een lebmaag. De andere magen (pens, netmaag en boekmaag) zijn wel aanwezig,
maar werken nog niet. Daarom kan een kalf nog geen ruwvoer verteren, want dat doet een koe vooral in
zijn pens. Daarom moet een kalf melk drinken. Dit kan verse melk van de koe zijn of kunstmelk. Kunst-
Biologie, voeding en voortplanting 75
melk maak je klaar met speciaal kunstmelkpoeder en warm water. De ontwikkeling van de voormagen
(pens, netmaag en boekmaag) komt op gang door het eten van ruwvoer. Vanaf ongeveer een week geef
je het kalf wat ruwvoer, bij voorkeur hooi. Na een paar weken geef je het kalf ook wat kalverbrok. Het
afbouwen van de melk kan pas na 10 weken.
Schaap en geit
Ook voor schapen en geiten is ruwvoer het belangrijkste voer. Hobbyschapen en hobbygeiten die niet
drachtig of zogend zijn, hebben voldoende aan een goede kwaliteit ruwvoer.
Tijdens de dracht en tijdens de zoogperiode moeten de moederdieren wel krachtvoer krijgen. Schapen
en geiten zijn vijf maanden drachtig; in de laatste maand moeten ze wat krachtvoer krijgen. Na de ge-
boorte van de lammeren moeten de dieren meer krachtvoer krijgen, want het produceren van melk kost
veel energie.
4.7.3 Voeding van planteneters: konijnen
Konijnen zijn pure planteneters (herbivoren). Hun darmkanaal is gebouwd om grote hoeveelheden veze-
lig voedsel te verteren. In de vrije natuur eten ze bladeren, takken, zaden en schors van bomen.
Hooi en konijnenbrokken
Voor konijnen bestaat het dieet vooral uit hooi. Dit hooi moet je onbeperkt voeren. Konijnen hebben
hooi nodig om voldoende structuur in het maagdarmkanaal te hebben. Daarnaast kun je konijnen konij-
nenbrokken te eten geven. De norm is 25 tot 30 gram aan brokken per kilogram lichaamsgewicht. Maar
het belangrijkste blijft hooi.
Veel mensen voeren konijnen met een mengsel van zaden, pellets en gedroogde en gekleurde stukjes
brood (oranje, geel en groen). Dit voer moet je niet gebruiken. De konijnen eten meestal eerst de lek-
kerste bestanddelen eruit en laten de rest liggen. Voer de konijnen met konijnenbrok; alle brokjes zien en
ruiken hetzelfde. De konijnen eten alles op en krijgen alle voedingsstoffen binnen die ze nodig hebben.
Groente, fruit en kruiden
Konijnen mogen ook groenten en fruit eten, maar twee of drie keer per week is voldoende. Geef niet te
veel groente en fruit per keer. Is het konijn niet gewend om groente en fruit te eten, dan moet het daar-
aan wennen. Dan begin je met n keer per week hele kleine porties. Dit bouw je langzaam op naar twee
drie keer per week een iets grotere portie.
Je kunt een konijn goed kruiden voeren. De soorten die je kunt voeren aan een konijn zijn: paarden-
bloemblad, gras, weegbree, klaver, vogelmuur, brandnetel, wikke en herderstasje. Let wel op de vind-
plaats van de kruiden: niet plukken in bermen, op plekken waar honden uitgelaten worden of op plekken
waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Keutels
Konijnen hebben een speciale spijsvertering. Ze produceren twee soorten keutels:
ronde, droge, bruine keutels;
blindedarmkeutels. Deze zijn zwart, klein en plakkerig.
De blindedarmkeutels vind je bijna nooit in het hok, omdat een gezond konijn deze meteen na het ont-
lasten weer opeet. Tijdens de eerste darmpassage zijn niet alle voedingsstoffen uit het voer gehaald. De
blindedarmkeutels zitten daarom nog vol voedingsstoffen. Daarom eet het konijn ze op. Bij een tweede
keer door het spijsverteringskanaal haalt het konijn wl alle voedingsstoffen eruit. We noemen dit cae-
cotrofie of coprofagie.
76 Biologie, voeding en voortplanting
Veel konijnen die als gezelschapsdier worden gehouden, zijn te dik. Vooral bij vrouwelijke konijnen kan
veel vet opgeslagen worden in de wam. De wam is een plooi onder de kin. Als deze plooi te groot is, kan
het dier de blindedarmkeutels niet meer uit de anus opeten en zijn anus niet meer goed schoonlikken.
Hierdoor kan een dikke plak ontlasting aan de anus gekleefd zitten. Ook kunnen er tekorten aan voe-
dingsstoffen ontstaan.
Het linker konijn heeft een wam: een vetplooi onder de kin.
Knagen
Konijnen moeten voldoende kunnen knagen aan hun voer. Hun tanden en kiezen groeien namelijk con-
tinu door. Als een konijn niet genoeg te knagen heeft, kunnen de tanden en kiezen zo lang worden dat
het dier niet meer goed kan eten.
Als een konijn iedere dag voldoende hooi en af en toe wat groenvoer krijgt, kan een konijn voldoende
knagen. Je kunt ook af en toe een wilgentak of een tak van een fruitboom geven. Let op dat de fruit-
boom niet bespoten is met bestrijdingsmiddelen. Het konijn zal de bast van de tak er helemaal afknagen.
Knaagstokjes zijn niet nodig als je zorgt voor hooi, groenvoer en takken. Knaagstokken bevatten vaak ook
veel suikers, wat slecht is voor konijnen.
4.7.4 Voeding van planteneters: knaagdieren (behalve de rat)
Voor de meeste knaagdieren zijn er in de handel gespecialiseerde mengvoeders te koop. Als dierenver-
zorger moet je deze voeders gebruiken. Ze zijn namelijk goed uitgebalanceerd en daarom beter dan
knaagdierenvoer of zelf gemengd voer.
De tanden van knaagdieren blijven gedurende het hele leven groeien. Het is daarom belangrijk om voer
te geven waardoor de tanden afslijten, zoals zaden, takjes (bijvoorbeeld wilgentakken) en harde groen-
ten en fruit, zoals wortel en appel.
Veel knaagdieren leven in de natuur van droge stengels. Fruit is daarom niet voor alle knaagdieren ge-
schikt. Ze kunnen hier diarree of suikerziekte van krijgen. Dieren als de degoe en de chinchilla zijn hier
gevoelig voor. Groenten zijn beter voor knaagdieren.
Alle knaagdieren hebben onbeperkt vers en schoon water nodig. Geef dit in een waterflesje dat je aan
de buitenkant van het verblijf hangt, anders knagen de dieren het flesje kapot. Glazen waterflesjes kun je
wel in het verblijf ophangen. Geef liever geen waterbakje, want het water wordt snel vies.
Cavias
Geef cavias 20-25 gram caviabrok per dier per dag. Ze moeten onbeperkt hooi krijgen. Voer ze ook 2 of 3
keer per week een kleine hoeveelheid fruit en groente. Geef cavias nooit konijnenbrok, dit bevat te veel
Biologie, voeding en voortplanting 77
vitamine D en te weinig vitamine C. Drachtige cavias krijgen vanaf de helft van de dracht meer caviabrok,
zogende cavias krijgen onbeperkt caviabrok. Jonge cavias zijn nestvlieders, dat wil zeggen dat zij meteen
kunnen mee-eten met de moeder.
Muis, hamster en gerbil
Geef muizen 5 gram voer per dier per dag. Dit is echt heel weinig, maar een muis is ook klein diertje. Veel
muizen zijn te dik, doordat ze te veel eten krijgen. Hooi is meer speel- en nestmateriaal. Af en toe geef je
een heel klein beetje groente.
Ook gerbil geef je 5 gram voer per dier per dag. Hooi gebruiken gerbils ook als nestmateriaal. Af en toe
geef je een klein beetje groente.
Hamsters geef je 5 tot 10 gram hamstervoer per dag. Veel hamsters krijgen te veel voer en zijn daardoor
te dik. Hamsters maken een voervoorraad: ze verstoppen voer in hun verblijf. Controleer altijd of er nog
voer verstopt zit. Als er nog voer ligt in het verblijf, dan geef je die dag geen nieuw voer. Af en toe geef je
een stukje wortel of appel.
4.7.5 Voeding van planteneters: paarden en kippen
Paarden
Paarden zijn planteneters. De vertering van de plantencelwand vindt voor het grootste deel plaats in de
blindedarm en de dikke darm.
Paarden eten met hun zeer beweeglijke lippen. Daarmee keuren ze het voer. Paarden zijn over het al-
gemeen heel kieskeurig wat betreft hun voer. Dit is ook te zien in een wei waar paarden staan. In zon
paardenwei zijn bepaalde planten heel selectief tot op de grond afgeknaagd, terwijl andere, minder lek-
kere planten volop groeien.
Het darmstelsel van het paard heeft constant kleine beetjes voer nodig. Daarom eet een paard de hele
dag door. Paarden op stal moeten daarom meerdere keren per dag ruwvoer krijgen. Zorg ervoor dat je
zoveel ruwvoer geeft dat ze genoeg hebben tot de volgende voerbeurt. Een paard in een weiland is het
beste, zodat ze de hele dag kunnen grazen.
Voor de meest paarden is alleen gras of hooi voldoende, zij hebben geen paardenbrok nodig. Een paard
dat extra arbeid verricht, krijgt ook krachtvoer, zoals paardenbrokken, granen of muesli. Deze paarden
verbruiken door de arbeid meer energie, die zij dus via het voer moeten opnemen. Paarden die extra
arbeid doen zijn bijvoorbeeld manegepaarden die een paar uur per dag in de les meelopen. Maar denk
ook aan paarden die getraind worden voor wedstrijden.
Te veel krachtvoer zorgt voor maag- en darmproblemen. Dit komt bij veel paarden in Nederland voor.
Kippen
Kippen zijn planteneters, maar eten ook af en toe dierlijk voedsel zoals torren, kevertjes en regenwormen.
Geef de dieren iedere dag legkorrel of legmeel. Kippen die de hele dag loslopen in een groot gebied voer
je ad lib. Kippen in een ren voer je beperkt. Per kriel geef je ongeveer 50 gram per dag, voor een groot
ras reken je op 100 gram per dier per dag. De kippen krijgen maagkiezel en grit ad lib. Vul het kiezel en
grit aan als het bijna op is. Zorg iedere dag voor vers en schoon drinkwater. Geef twee of drie keer per
week groenvoer.
78 Biologie, voeding en voortplanting
Tijdens de rui is het belangrijk om de dieren extra te voeren. In de nazomer en de herfst vervangen de
kippen al hun veren. Dit is een intensief proces, dat veel energie van de kippen vraagt. Het maken van de
nieuwe veren vraagt veel eiwit (bouwstof). Daarom voer je energierijk en eiwitrijk voer extra tijdens de
rui. Je kunt denken aan mais, zonnebloempitten en graan voor extra energie. Gekookt ei en (gedroogde)
meelwormen zorgen voor extra eiwitten. Tijdens de rui voer je elke dag iets bij. Wissel af in wat je bijvoert.
4.7.6 Voeding van alleseters: varkens en ratten
Van onze huisdieren zijn het varken en de rat alleseters.
Varkens
Varkens zijn omnivoren (alleseters). Ze eten planten, wortels en vruchten en ook vlees, eieren en zuivel-
producten. Van nature wroeten varkens op zoek naar eten. Zij bewegen dan met hun neus over en in de
grond om te ruiken of er voedsel is.
Varkens zijn gevoelig voor veranderingen. Voer daarom altijd op vaste tijden. Voer varkens twee keer per
dag, s ochtends en s avonds. Voer beslist geen tussendoortjes in verband met vervetting en onrustig,
soms zelfs agressief gedrag dat gericht is op het krijgen van eten.
Varkens hebben de neiging om snel dik te worden. Door varkens beperkt te voeren kun je ze in een
goede conditie houden, maar daar zitten ook nadelen aan:
De dieren krijgen te weinig voedingsstoffen binnen.
De dieren hebben een onverzadigd gevoel en hebben daardoor honger.
De dieren vervelen zich omdat ze te weinig tijd nodig hebben om te eten. Dit kan leiden tot afwij-
kend gedrag.
Om deze nadelen te voorkomen, is het belangrijk om varkens een rantsoen te geven dat veel vezels be-
vat. Vezels zorgen ervoor dat dieren een verzadigd gevoel hebben. Een rantsoen dat bestaat uit ongeveer
80% ruwvoer (bijv. gras, kuilgras, hooi, groente, bietenpulp) en ongeveer 20% varkensbrok past goed bij
hobbyvarkens. Door de grote hoeveelheid ruwvoer zijn de varkens langer bezig om te eten, wat verveling
voorkomt.
Varkens met een te goede conditie (te dik) kun je stro als ruwvoer geven. Dit geeft de dieren wel een
verzadigd (vol) gevoel, maar het bevat weinig voedingsstoffen.
Door voedsel te verstoppen help je varkens om langer bezig te zijn met het zoeken naar voedsel. Een
grote, stevige voerbal waarin wat brok wordt gestopt, houd de dieren actief.
Ratten
Geef 10 tot 15 gram rattenvoer per dier per dag. Geef ratten n keer per week dierlijk voedsel: een
hardgekookt ei of meelwormen. Af en toe mogen ze een stukje wortel of appel.
4.7.7 Voeding van vogels
Er zijn veel verschillende soorten eters onder de vogels. De meeste vogels zijn herbivoren, maar er zijn
ook vleesetende vogels, zoals uilen en gieren. Onder de herbivoren zijn er vogels die zaad eten, maar er
zijn ook vogels die alleen maar vruchten eten. De belangrijkste eters onder de vogels zijn de zaadeters
en de fruit- en insecteneters.
Zorg iedere dag voor vers en schoon drinkwater voor de vogels. Hoeveel watervogels drinken, ligt aan
het voer dat ze eten. Zaadeters drinken meer water dan vruchteneters, omdat in vruchten meer vocht
zit dan in zaden.
Biologie, voeding en voortplanting 79
Zaadeters
Je voert zaadeters met een zaadmengsel dat past bij het soort vogel. De meeste zaadeters worden ad lib
gevoerd. Voor papegaaien en andere grote zaadeters geldt dat meestal niet. Die voer je beperkt.
Bij zaadeters die je ad lib voert, vul je het voer pas bij als het voer bijna op is. Wat je iedere dag moet doen
is het voer afblazen. Na een dag liggen er vaak lege schilletjes op het voer. De vogels eten deze schilletjes
niet. Als je even voorzichtig op het voer blaast, blaas je deze schilletjes uit de voerbak. Dan kunnen de
vogels weer bij de zaden die er onder liggen.
De schilletjes komen daar doordat zaadeters de zaadjes schillen met hun snavel. Ze pellen dan het zaad-
huidje van het zaad. Dit zaadhuidje is een schilletje dat om het zaad zit. Als de vogels het zaadhuidje van
het zaad hebben geschild, laten ze dit vallen. Ze eten het zaadhuidje dus niet op. Ze laten de schilletjes
vaak in de voerbak vallen. Dat is de laag schilletjes die je op de zaden ziet liggen.
Je geeft zaadeters iedere dag een kleine hoeveelheid eivoer. Eivoer voer je dus niet ad lib. Je geeft meer
eivoer als dieren ziek zijn, aan het broeden zijn of jongen hebben.
Twee of drie keer per week geef je wat fruit of groenvoer. Een stukje appel of andijvie is prima. Je kunt
ook kruiden geven aan vogels, bijvoorbeeld een klein beetje vogelmuur, gras of paardenbloemblad.
Fruit- en insecteneters
Fruit- en insecteneters voer je met universeelvoer. Er zijn verschillende soorten universeelvoer te koop.
Het is belangrijk dat je deze eters voert met een universeelvoer dat geschikt is voor hun soort. Per soort
verschilt namelijk de behoefte aan voedingsstoffen en hoe grof het voer is.
Universeelvoer krijgt snel schimmels. Daarom is het belangrijk dat je oud universeelvoer iedere dag weg-
gooit en de voerbakken iedere dag schoonmaakt. Zie je vaak oud universeelvoer liggen? Meld dit bij je
leidinggevende, dan past hij/zij het voerschema aan.
4.7.8 Voeding van reptielen en amfibien
Er zijn veel soorten reptielen en amfibien, die ook allemaal op verschillende wijze gevoerd worden. In
deze reader bespreken we daarom niet alle terrariumdieren. Maar er zijn wel algemene zaken waar je op
moet letten bij het voeren van reptielen en amfibien:
Het soort voer moet passen bij het soort voer dat het dier in de vrije natuur ook eet.
Hoe vaak je een terrariumdier voert, is afhankelijk van hoe vaak een dier in de vrije natuur eet.
Slangen voer je bijvoorbeeld maar n keer per twee weken of n keer per maand. Grotere slan-
gensoorten kunnen zelfs nog langer zonder voedsel.
Reptielen en amfibien zijn koudbloedige dieren. Dat betekent dat zij hun lichaamswarmte halen
uit de warmte in hun omgeving. Als de verlichting en de verwarming in het terrarium uit zijn, zijn
de dieren niet actief. Als s ochtend de verlichting en verwarming weer aangaan, moet een terrari-
umdier eerst opwarmen. Je voert terrariumdieren daarom alleen als de verlichting en verwarming
al minstens een uur aan zijn. Voer je eerder, dan zijn de dieren nog te koud om hun voer te pakken
en te verteren.
Ingevroren voedseldieren, zoals ratten en muizen, laat je helemaal ontdooien voordat je ze voert.
Denk eraan om ook de voedseldieren te voeren. Veel voorkomende voedseldieren zijn knaagdieren
(ratten en muizen), maar ook krekels, sprinkhanen, meelwormen, buffalowormen en moriowormen.
Je kunt voedseldieren kopen, maar er zijn ook bedrijven waar ze zelf voedseldieren kweken.
Haal altijd het oude voer weg.
80 Biologie, voeding en voortplanting
Zie je dat er vaak oud voer ligt als je komt voeren? Meld dit bij je leidinggevende, dan past hij/zij het voer-
schema aan.
Mineralen en vitaminen voor terrariumdieren
Bij de voeding van reptielen en amfibien moet je vooral letten op de aanwezigheid van calcium, fosfor
en vitamine D. Calcium is nodig voor de opbouw van het skelet en de vorming van eieren. Knaagdieren
zijn een goed voer vanwege hun skelet, vlees en maaginhoud. Er komt calcium vrij bij de vertering van
het skelet van het knaagdier. Ook regenwormen zijn rijk aan calcium. Insecten bevatten heel veel fosfor.
De hoeveelheid calcium en de verhouding calcium-fosfor maak je beter door een calciumpoeder over
het voer te strooien.
4.7.9 Voeding van vissen
Het belangrijkste bij het voeren van vissen is dat je kleine hoeveelheden voert. Als je te veel voert, eten
vissen niet alle voeding op. Hierdoor vervuilt het water van het aquarium snel. Vissen kun je af en toe een
dag laten vasten (geen voer geven). Dit verschilt wel per soort vis. Diepvriesvoer moet je altijd helemaal
laten ontdooien voordat je het voert.. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag