Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Les 6
Psychotische stoornissen: Van een psychotische stoornis is sprake als de zorgvrager psychotische symptomen heeft, zoals wanen, hallucinaties, onsamenhangende spraak of sterk chaotisch gedrag en deze psychotische symptomen niet optreden in het kader van een andere psychische aandoening, zoals bipolaire stoornis, depressieve stoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis of dementie. Psychotische stoornissen vallen volgens de DSM-5 onder het schizofreniespectrum. Het hebben van een psychotische ervaring is niet hetzelfde als het hebben van een psychotische stoornis.
Risicofactoren: De risicofactoren voor het krijgen van een psychotische stoornis kunnen we onderverdelen in biologische en psychosociale riscofactoren. Bekende risicofactoren zijn:
Biologische factoren:
- Geslacht (schizofrenie vaker bij mannen)
- Leeftijd (eerste psychose is vaak tijdens adolescentie/jongvolwassenheid)
- Genetische factoren
- Vertraagde of abnormale ontwikkeling in de baarmoeder
- Een laag IQ
Psychosociale factoren:
- Immigratie
- Leven in een stedelijke omgeving
- Middelengebruik op jonge leeftijd
- Een ingrijpende gebeurtenis meemaken of veel stress ervaren
Etiologie en pathofysiologie: De oorzaak van psychotische stoornissen is nog niet bekend. Waarschijnlijk zijn ze het gevolg van een combinatie van genetische factoren, een ontwikkelingsstoornis en omgevingsfactoren. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat overactiviteit van de neurotransmitter dopamine mogelijk een rol speelt bij de positieve symptomen, zoals wanen en hallucinaties, maar ook de neurotransmitters gamma-aminoboterzuur, glutamaat, serotonine en acetylcholine lijken een rol spelen.
Symptomen: Bij een psychose zijn de waarneming, het denken en de emoties gestoord, waardoor de zorgvrager een veranderde beleving van de werkelijkheid heeft. Dit kan zich uiten in de volgende psychotische symptomen
- Wanen (verkeerde interpretaties van de werkelijkheid)
- Hallucinaties (verstoorde waarneming van de werkelijkheid)
- Onsamenhangende spraak
- Gedesorganiseerd gedrag of katatonie (ontregeling van de motoriek)
Een zorgvrager met een psychotische stoornis heeft altijd een of meer psychotische symptomen. Daarnaast kan de zorgvrager symptomen vertonen uit drie andere symptoomclusters binnen het schizofreniespectrum, namelijk negatieve symptomen, cognitieve symptomen of affectieve symptomen. Bij negatieve symptomen gaat het om een vermindering van gedrag dat normaal gesproken wel aanwezig is. Affectieve symptomen hebben betrekking op de stemming en emoties van de zorgvrager. Soms is er sprake van een sluipend begin, waarbij er al langere tijd subtiele cognitieve of negatieve symptomen bestaan. In andere gevallen is er sprake van een acute psychose na een ingrijpende gebeurtenis of stressvolle situatie.
Diagnostiek: De diagnose psychotische stoornis kan alleen worden gesteld door een psychiater na uitgebreid psychiatrisch onderzoek. Welke diagnose uit het schizofreniespectrum de zorgvrager krijgt, is afhankelijk van de aan of afwezigheid van negatieve symptomen, cognitieve symptomen, affectieve symptomen, van de ernst van, de duur van en het aantal psychotische symptomen. Diagnose schizofrenie, een van de ernstigere psychotische stoornissen, wordt bij minder dan 1 procent van de volwassenen gesteld. Deze diagnose wordt gesteld door de duur van de symptomen (minimaal 6 maanden).
Behandeling: De behandeling is gericht op de symptomen en op persoonlijk en maatschappelijk herstel. Afhankelijk van de symptomen, de zorgbehoefte en het behandeldoel zijn er verschillende medicamenteuze en niet medicamenteuze behandelmogelijkheden. De medicatie van eerste keuze bij psychotische symptomen is een antipsychoticum. Soms kunnen antipsychotica negatieve of cognitieve symptomen als bijwerking hebben: dan moet het antipsychoticum worden aangepast. Belangrijke niet medicamenteuze interventies zijn:
- Psycho-educatie
- Cognitieve gedragstherapie
- Gezinsinterventies
Er zijn diverse andere niet-medicamenteuze interventies die aangeboden kunnen worden, zoals psychomotorische therapie, cognitieve redmeditatie training, rehabilitatie etc.
Complicaties: Sommige zorgvragers met een psychotische stoornis gebruiken drugs of alcohol als zelfmedicatie en kunnen hierdoor ook een verslavingsstoornis ontwikkelen. Andere complicaties zijn zelfverwonding en sucide. Ook hebben zorgvragers met een psychotische stoornis een grotere kans op hart- en vaatziekten dan anderen, als gevolg van de metabole bijwerkingen van antipsychotica en een ongezonder leefpatroon. Een andere bijwerking van antipsychotica is parkinsonisme.
Prognose: Het beloop van een psychotische stoornis is wisselend. Een groot deel van de zorgvragers heeft last van terugkerende psychoses, maar is in staat redelijk te functioneren. De prognose is het ongunstigst bij zorgvragers met schizofrenie. De levensverwachting van deze groep zorgvragers is 20-25 jaar korter dan die van zorgvragers zonder schizofrenie. Dit komt vooral door het verhoogde risico op hart en vaat ziekten, maar ook omdat het risico op zelfdoding sterk is verhoogd.
Preventie: Alle 14 tot 35-jarigen die hulp zoeken binnen de ggz worden met behulp van een zelfrapportagelijst gescreend op het risico op een psychose. Deze screening wordt door behandelaars buiten de ggz ook aangeboden aan leeftijdgenoten met subklinische psychotische symptomen, een doorgemaakte zeer korte psychose of psychotische stoornissen in de familie. Als de gescreende zorgvragers tot de ULTRA HIGH risicogroep behoren, krijgen ze behandeling aangeboden, waarmee de kans op een eerste psychose aanzienlijk verminderd.
Verpleegkundige aandachtspunten: Verpleegkundige spelen een belangrijke rol in de observatie en begeleiding van zorgvragers met een psychotische stoornis. Een verpleegkundige die kennis heeft van de verschillende psychotische stoornissen en de bijbehorende symptomen en hierop alert is, kan bijdragen aan de diagnose en behandeling. Verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg, maar ook in andere settingen, komen regelmatig zorgvragers tegen die een psychose hebben. Het is in dergelijke situaties van belang om een rustige en veilige omgeving te creren en door effectieve verbale en non-verbale communicatie het gevoel van angst bij de psychotische zorgvrager te verminderen.
Trauma en stres gerelateerde aandoeningen: Treden op na het doormaken van een traumatische of ernstig stressvolle gebeurtenis of na een periode overbelasting door stressoren.
PTSS is een stoornis die ontstaat in reactie op een aanwijsbare en ernstige stressor of een reeks van stressoren.
Risicofactoren en etiologie: PTSS ontstaat na blootstelling aan een traumatische gebeurtenis. Denk aan het zelf meemaken of getuige zijn van bijvoorbeeld gewelddadig overlijden, ernstige verwonding of seksueel geweld of vernemen dat een nabij familie lid dit is overkomen. Mannen zijn vaak slachtoffer van geweld of oorlogshandelingen, vrouwen zijn vaker slachtoffer van seksueel geweld en mishandeling. Predisponerende factoren zijn onder andere jonge leeftijd, een laag opleiding niveau, eerdere psychische problemen of gedragsproblemen of een overleden partner. De kans op PTSS neemt toe bij ernstigere traumatische gebeurtenissen, herhaling hiervan en stressvolle omstandigheden na de gebeurtenis. Bepaalde beroepen associren we met een verhoogd risico op PTSS door een hoge blootstelling aan traumatische gebeurtenissen en agressie. Denk aan militairen, hulpverleners en ook zorgpersoneel.
Symptomen: karakteristieke symptomen van PTSS kunnen we onderverdelen in vier categorien:
- Frequente, indringende herinneringen, nachtmerries en flashbacks/herbelevingen waarin het lijkt alsof de traumatische gebeurtenis opnieuw wordt doorgemaakt.
- Vermijding van prikkels die geassocieerd worden met traumatische gebeurtenis
- Negatieve gedachten en een negatieve gemoedstoestand met schuldgevoelens, desinteresse voor activiteiten en vervreemding van anderen
- Spanning en onrust: hyperalert en prikkelbaar gedrag met concentratieproblemen en verstoring van slaap.
Diagnostiek: Bij psychiatrisch onderzoek wordt nagegaan of volgens de DSM-5 classificatie aan de criteria van PTSS wordt voldaan. Belangrijk is dat de klachten het functioneren negatief benvloeden en dat eventueel middelengebruik of een lichamelijke aandoening als oorzaak zijn uitgesloten.
Behandeling: Bij de directe opvang na een traumatische gebeurtenis zijn allereerst de basale behoeften zoals veiligheid, voeding, rust en beschikbaarheid van contact en hulp belangrijk. Overige interventies worden afgestemd op de individuele veerkracht en het adaptief vermogen van de zorgvrager. Soms is een periode van actief monitoren en werkzaam afwachten aangewezen. Wanneer een PTSS ontwikkeld is, kan deze worden behandeld met een combinatie van psycho-educatie, trauma gerichte psychotherapie en medicatie.
Complicaties: Traumatische gebeurtenissen kunnen ook leiden tot depressie, angststoornissen of problematisch middelengebruik. Deze stoornissen komen ook geregeld gelijktijdig met PTSS voor. Op somatisch gebied zien we dat PTSS leidt tot een verstoorde cortisolhuishouding. Zorgvragers met PTSS hebben vaker chronische pijn en hartaandoeningen, longaandoeningen of aandoeningen aan het maag-darmkanaal dan mensen zonder PTSS.
Prognose: Vroege interventie bij PTSS heeft een gunstig effect op het beloop. Het starten van behandeling binnen een maand na het trauma kan chronische PTSS voorkomen.
Overspanning en burn-out: Overspanning is een toestand met spanningsklachten en het gevoel van controleverlies, waardoor er beperkingen in het functioneren ontstaan. Een burn-out is een langdurige overspanning, waarbij klachten langer dan zes maanden aanwezig zijn, met daarbij duidelijke moeheid en uitputting.
Etiologie: Overspanning en burn-out kunnen ontstaan ten gevolge van overbelasting door een of meerdere stressoren waarbij de coping of stresshantering ontoereikend is. Stressoren zijn omstandigheden of gebeurtenissen die een bedreiging zijn voor het psychosociale evenwicht. Denk aan echtscheiding, rouw en een aandoening bij zichzelf etc. Vaak is er sprake van een combinatie van factoren. Een korte, hevige stressor kan dezelfde klachten geven als langdurige lichtere stressoren.
Risicofactoren: Het risico op overspanning en burn-out is hoger bij een opeenstapeling van stressoren in het verleden, eerdere overspanning, een hoge medische consumptie en veel ziekteverzuim en een beperkt steunsysteem. Over spanning en burn-out komen vaker voor bij mensen met een passief vermijdende copingstjil, mensen die perfectionistisch zijn en mensen die niet goed nee kunnen zeggen. Risicogroepen zijn daarnaast mensen met een chronische aandoening, met een lage sociaaleconomische status, thuiswerkers en alleenstaanden.
Symptomen: Er is sprake van meerdere spanningsklachten, die zich uiten in:
- Prikkelbaarheid
- Niet goed tegen drukte en/of lawaai kunnen
- Een gejaagd gevoel
- Piekeren
- Labiliteit
- Concentratieproblemen
- Slaapproblemen
- Vermoeidheid
Daarnaast zijn er gevoelens van controleverlies en machteloosheid, het gevoel grip te verliezen door een tekortschietende stresshantering. Bij langdurige klachten ontstaat een burn-out met mentale moeheid zoals geheugenproblemen en aandachtsproblemen en het ervaren van uitputting.
Diagnostiek: De diagnose wordt meestal gesteld op basis van de klachten, eventueel kunnen vragenlijsten gebruikt worden. Belangrijk is om ook te denken aan psychiatrische problematiek zoals een angststoornis, depressie, problematisch alcohol- of drugsgebruik en SOLK.
Behandeling: De behandeling bestaat uit voorlichting en begeleiding door de huisarts, POH-GGZ en/of psycholoog en richt zich op het herstel van het evenwicht tussen draaglast en draagkracht. Het beloop van overspanning en burn-out is in te delen in drie herstelfasen, waar de behandeling bij aansluit. In de crisisfase wordt gewerkt aan acceptatie, rust en ontspanning, en een goede draagstructuur in de tweede fase wordt gewerkt aan het in kaart brengen van problemen en oplossingen. De derde fase is gericht op het oppakken van rollen en taken en het herstel van functioneren. Vanaf het begin blijven participeren is beter voor het gevoel van controle en het herstel van functioneren. Medicamenteuze behandeling is niet gendiceerd.
Eetstoornissen
Risicofactoren:
o Genetische factoren
o Specifieke psychologische factoren
o Sociaal-culturele factoren
Etiologie en pathofysiologie: Er wordt gedacht dat eetstoornissen een gevolg zijn van een combinatie van biologische, psychologische en sociale factoren. Vaak gebruikt de zorgvrager het als (ineffectieve) copingstrategie voor problemen. Dit kan leiden tot ondervoeding, ondergewicht, stoornissen in eletrolytenbalans en vochthuishuiding.
Symptomen:
o Anorexia nervosa: Zorgvrager onderdrukt eetlust om mager te zijn. Kan bang zijn om aan te komen en blijft onvoldoende eten. Zorgvrager ervaart eigen lichaamsgewicht/vorm anders dan omstanders. Eetbuien kunnen voorkomen met het opwekken van braken en gebruik van laxantia, diuretica of klysmas.
o Boulimia nervosa: lichaamsvorm en gewicht bepalen oordeel van zorgvrager over zichzelf. Zorgvrager heeft minimaal eenmaal per week gedurende minstens 3 maanden eetbuien met gevoel van controleverlies en probeert gevolgen van eetbuien tegen te gaan (opwekken braken, laxantia, diuretica, klysmas, vasten, extreme lichaamsbeweging). Om boulimia te kunnen stelen, moet diagnose anorexia zijn uitgesloten.
o Eetbuistoornis: zorgvrager heeft minimaal 1x per week minstens drie maanden last van eetbuien, gevoel dat ze hier geen controle over hebben. Zorgvrager probeert niet om de gevolgen van de eetbuien tegen te gaan. Ze eten veel sneller dan gebruikelijk, dooreten tot een ongemakkelijk vol gevoel, zonder fysieke honger veel eten, niet in aanwezigheid van anderen eten uit schaamte en na het eten van zichzelf walgen, depressief en schuldig voelen. Om diagnose eetbuitstoornis te stellen, moeten diagnoses anorexia en boulimia nervosa zijn uitgesloten.
Lichamelijke symptomen:
o Bradycardie, hypotensie, hartritmestoornissen.
o Misselijkheid, maagproblemen, obstipatie, diarree.
o Nierfunctiestoornissen
o Hypoglykemie, groeistoornis, uitblijven menstruatie
o Osteoporose
o Huidafwijkingen, hypothermie en veranderde beharing
o Concentratiestoornissen, cognitieve stoornissen, angst en somberheid.
Diagnostiek: Anamnese (type stoornis diagnosticeren). Lichamelijk onderzoek om tekenen van ondervoeding te zien. Labonderzoek en ecg brengen afwijkingen als gevolg van eetstoornis in kaart.
Behandeling: Gericht op symptoomverlichting, behandeling van onderliggende problemen, beperken van de lichamelijke en psychosociale gevolgen en terugvalpreventie. Dit d.m.v. voorlichting, vergroten van de motivatie tot verandering, cognitieve gedragstherapie en systeemtherapie. Soms is gedwongen opname en behandeling nodig.
Complicaties en prognose: bij anorexia nervosa ondervoeding, spierzwakte, traagheid, hypokalimie en hypoglykemien. Door de verhoogde energie inname kan bij eetbuistoornis ernstige obesitas, hart vaatziekten en diabetes mellitus 2 tot gevolg hebben. 20-25% van eetstoornissen kent een chronisch beloop.
Preventie: Vroeg signaleren door orinterende vragen te stellen over eetproblematiek.
Verpleegkundige aandachtspunten: Kennis en inzicht hebben als verpleegkundige. Ggz-verpleegkundigen spelen een rol bij psycho-educatie van zorgvrager en omgeving. Aanmoedigende rol. (makes sense de rest)
Bij persoonlijkheidsstoornissen is er sprake van een duurzaam en star belevings- en gedragspatroon dat leidt tot problemen in het dagelijks leven.
Etiologie en pathofysiologie: Het ontstaan heeft waarschijnlijk te maken met een combi van verschillende omgevingsfactoren en genetische factoren invloed op de hersenontwikkeling. Ontstaat op zijn laatst op jongvolwassen leeftijd. We onderscheiden drie verschillende clusters van persoonlijkheidsstoornissen, cluster A, B en C. Borderline persoonlijkheidsstoornissen (uit cluster B) en vermijdende persoonlijkheidsstoornissen (uit cluster C) komen het meest voor.
Symptomen: Zorgvrager heeft langdurig problemen op minstent twee van de volgende gebieden: cognitie, emoties, relaties en gedrag.
Cluster A: vreemd en excentriek gedrag:
o Paranode persoonlijkheidsstoornis: zv heeft richting anderen een wantrouwen en achterdocht.
o Schizode persoonlijkheidsstoornis: zv reageert weinig emotioneel en toont weinig interesse in sociale contacten.
o Schizotypische persoonlijkheidsstoornis: zv is ongemakkelijk in sociale relaties, gedraagt zich excentriek en heeft een veranderd denk/waarnemingspatroon. Er is wel behoefte aan contact, maar dit leidt tot wantrouwen.
Cluster B: Overdreven, emotioneel en/of impulsief gedrag:
o Antisociale persoonlijkheidsstoornis: zv heeft geen respect voor andermans rechten en schendt deze ook. Impulsief gedrag, liegen en gebrek aan inlevingsvermogen. Begint voor 15e levensjaar.
o Borderline persoonlijkheidsstoornis: emoties, relaties en zelfbeeld van zv zijn instabiel. Kan herhaalde sucidepogingen doen, hiermee dreigen of zelfverwonding.
o Histrionische persoonlijkheidsstoornis: zv heeft behoefte aan aandacht en is overdreven emotioneel.
o Narcistische persoonlijkheidsstoornis: zv heeft een overdreven gevoel van grootheid en behoefte aan bewondering, gebrek aan empathie.
Cluster C: angst met als gevolg verschillend gedrag:
o Vermijdende persoonlijkheidsstoornis: zv vermijdt sociale contacten uit angst voor afwijzing en kritiek, wel behoefte aan sociaal contact.
o Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis: zv is bang om in de steek gelaten te worden.
o Dwangmatige persoonlijkheidsstoornis: zn overmatig gericht op orde, perfectie en controle in een poging fouten te vermijden.
Diagnostiek: er worden verschillende interviews gericht op de DSM- 5 classificatie gebruikt.
Behandeling: voorlichting en vormen van psychotherapie.
Prognose: Bij verschillende stoornissen is er met het ouder worden kan op spontane verbetering.
Zorgvragers met een somatisch-symptoomstoornis hebben excessieve, disproportionele gedachten en gevoelens over lichamelijke klachten. Enkele somatisch symptoomstoornissen zijn:
o Conversiestoornis: zv heeft motorische of sensorische klachten of symptomen die niet medisch kunnen worden verklaard (verlamming, blindheid of aanvallen niet epileptisch).
o Ziekteangststoornis: voortdurend overtuigd dat zij een ernstige aandoening hebben > angst.
o Nagebootste stoornis: zv zoeken medische hulp vanwege voorgewende klachten/symptomen die door zelfverwonding veroorzaakt zijn (Mnchhausen-by-proxy-syndroom)
Soms hebben zorgvragers lichamelijke klachten waarvoor de arts na medisch onderzoek geen/onvoldoende somatische verklaring vindt. Wanneer deze klachten langer dan enkele weken duren, spreken we van Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK). Somatisch-symptoomstoornis is een ernstige vorm van SOLK.
Risicofactoren:
o Biologische factoren: lichamelijke aandoeningen en mogelijk genetische aanleg.
o Psychologische factoren: kindermishandeling (vaak seksueel) en persoonlijkheidskenmerken.
o Sociale factoren: ziektegedrag in de familie en aandacht in de media voor een bepaalde klacht/klachtenpatroon.
Etiologie en pathologie: oorzaak van de klachten is nog onbekend. Uitlokkende factoren zijn: biologische factoren, psychologisch of sociaal.
Symptomen:
o Pijnklachten
o Lichamelijke functiestoornissen
o Afwijkende waarneming
o Clusters: chronisch vermoeidheidssyndroom, functionele buikklachten en chronische pijn aan houdings- en bewegingsapparaat. Na verloop van tijd evt psychische klachten zoals spanning, concentratie, geheugen, slaapproblemen, angst en depressie.
Diagnostiek: anamnese en lichamelijk onderzoek. (makes sense de rest)
Behandeling: zv moet bereid zijn het zoeken naar lichamelijke klachten op te geven. Doel van behandeling wordt in overleg met zv bepaald (verminderen psychologische factoren/kwetsbaarheid, copinggericht of klachtengericht. Zv met ernstige SOLK/beperkte gezondheidsvaardigheden kunnen aanvullend worden ondersteund door een casemanager. Mogelijke interventies: psycho-educatie, gedragsinterventies, cognitieve gedragstherapie en vaktherapie. Medicamenteuze behandeling is vooral aan de orde bij comorbiditeit (denk aan depressie).
Prognose: bij meer dan de helft verdwijnen de klachten binnen een jaar ongv.
Preventie: Weinig wetenschappelijk bewijs, maar chronische SOLK kan mogelijk worden voorkomen door psycho-educatie. Er zijn aanwijzingen dat lichamelijke inspanning en cognitieve gedragsinterventie een gunstig effect hebben op verloop van (onbegrepen) lage rugklachten.
Verpleegkundige aandachtspunten: vroeg signalering van SOLK, kan verergering van beginnende klachten voorkomen. Aandacht hebben voor bejegenen van zorgvrager. Ondersteuning van regiebehandelaar en informeren van zv en omgeving over aandoening, prognose en behandelmogelijkheden. Emotionele ondersteuning en goede communicatie tussen zv en zorgverlener.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 10.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag