Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: amyamina - 2 maanden geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Les 5

Kanker is een verzamelnaam voor alle typen kanker en kan op iedere leeftijd voorkomen. Andere veelgebruikte termen zijn maligniteit, kwaadaardige aandoening, kwaadaardige tumor of maligne neoplasie.

Risicofactoren:
o Leeftijd, de helft is 70 jaar/ouder.
o Erfelijke factoren
o Leefstijlfactoren (overmatig alcohol, roken, onvoldoende beweging).
o Overgewicht
o Omgeving (ultraviolette straling, rntgenstraling, radioactieve straling).
o Verminderde afweer, bacterin en virusinfecties.

Etiologie en pathofysiologie: Een tumor ontstaat doordat de cellen ongeremd gaan delen. Die kan goedaardig (benigne) of kwaadaardig (maligne) zijn. Benigne tumor is geen kanker, maar kan wel tot symptomen en uitval leiden door de plek. Ze zijn vaak operatief goed te verwijderen. Bij maligne tumoren spreken we van kanker. Bij sommige typen kanker is geen sprake van een tumor (leukemie). Kanker ontstaat door mutatie(s) van het DNA in de celkern en een verstoorde apoptose. Deze mutaties kunnen al vastliggen op het DNA (erfelijk) en of gedurende leven onstaan. Dat DNA bevat specifieke genen die celgroei en mitose bevorderen. Die heten proto-oncogenen. Ook zijn er genen die ongeremde celgroei en mitose tegengaan > tumor suppressorgenen. Ontstaan van kanker is vaak een proces van jaren. Er zijn op een oudere leeftijd al vaker cellen gedeeld > grotere kans. Bij langdurige verminderde afweer, worden afwijkende cellen minder goed herkend en afgebroken > grotere kans. Carcinogenen zijn factoren buiten het lichaam die kankerverwekkend zijn.

Maligne tumoren kunnen doorgroeien in het omliggende weefsel > invasieve groei. Daarnaast kunnen er uitzaaiingen (metastasen) ontstaan. Hierbij zijn tumorcellen losgeraakt en vervolgens via de lymfebanen (lymfogeenvia de bloedbaan (hematogeen) op een andere plek in het lichaam terecht gekomen. Deze kwaadaardige cellen kunnen weer gaan groeien tot een tumor. De oorspronkelijke maligne tumor, waaruit de metastasen ontstaan heet primaire tumor.

Symptomen (algemeen):
o Anemie kan vermoeidheid veroorzaken, als gevolg van tumor (bij colorectaal carcinoom > bloedverlies) of de chemotherapie behandeling. Ook psychosociale factoren kunnen bijdragen.
o Gewichtsverlies: er kan sprake zijn van minder voedselinname doordat slikken pijnlijk is door tumor of behandeling. Vermoeidheid en verminderde eetlust draagt bij. Ook kan kanker zorgen voor een verhoogd metabolisme, waardoor er meer energie door het lichaam wordt verbruikt. Zorgvrager in terminale fase die extreem mager zijn > cachexie.
o Beginfase heeft ongeveer 30% van de zorgvragers pijn, latere fase stijgt dit tot 60-80%. Pijn word veroorzaakt door de tumor zelf met invasieve groei in of druk op de weefsels in de omgeving (zenuwen, bloedvaten, organen en bot). Pijn kan ook veroorzaakt zijn door littekens na een operatie/weefselbeschadiging door chemo/radiotherapie.

Diagnostisch onderzoek:
o Lab onderzoek: Bij bloedonderzoek worden tumormarkers bepaald. Die worden door de tumor zelf gemaakt of door het lichaam als reactie op tumor. Ze worden ook gebruikt als evaluatie van de behandeling. Tumormarkers kunnen ook in urine of liquor zitten. Er kan bij bloedonderzoek ook afwijkingen veroorzaakt door kanker/bijwerking van behandeling gevonden worden.
o Beeldvormend onderzoek:
- Rntgenonderzoek (mammografie en computertomografie/CT scan)
- Magnetic resonance imaging/MRI-scan
- Combo van positronemissietomografie/PET-scan en CT/MRI-scan.
- Echografie
o Altijd is microscopisch weefsel (histologiecellen (cytologie) onderzoek nodig om kanker vast te stellen en zo ja, welke vorm. Histologie kan worden verkregen door een biopt. Bij cytologie worden de cellen verkregen door bijvoorbeeld een punctie van vocht in de tumor/uitstrijkje.
o Stadiring: het stadium van de kanker is gekoppeld aan de inzet van de behandeling. Er word wereldwijd het TNM/G-systeem gebruikt.
- T staat voor tumor. T1 tot T4 geeft de grootte van de tumor aan en/of de mate van doorgroei in de omgeving. Term Tis betekent dat er sprake is van voorstadium van kanker, zonder invasieve groei.
- N staat voor nodus (lymfeklier), daarmee word aangeduid of de tumor is uitgezaaid naar de lymfeklieren in omgeving. Score N0-N3.
- M staat voor metastasen. Gaat om hematogene metastasering en/of om lymfogene metastasering naar lymfeklieren die verder weg liggen van de primaire tumor. M0 geen metastasen op afstand, bij M1 wel.
- G staat voor graad en geeft differentiatie is van de cellen. Dit staat voor de mate waarin tumorcellen lijken op de oorspronkelijke lichaamscellen waaruit de ontstaan. Score G1-G4.

Behandeling: hangt af van type kanker, locatie, stadium en de specifieke kenmerken van kankercellen. Kan curatief en palliatief zijn. Aanvullende behandeling na operatie heet adjuvante behandeling. Voorafgaand noemen we neo-adjuvant.
o Operatie: De kwaadaardige tumor word verwijderd en indien mogelijk de omliggend weefsel. Daarnaast word regelmatig in de buurt liggende lymfeklieren verwijderd en soms metastasen.
o Radiotherapie (bestraling): wordt gebruikt om het DNA van de tumorcellen dusdanig te beschadigen dat er geen celgroei en mitose meer kan plaats vinden. Met behulp van technieken probeert men zo veel mogelijk straling op de tumor te richten en zo min mogelijk op gezonde weefsel. Brachytherapie is inwendige radiotherapie. Radioactieve zaadjes worden hierbij met naalden zo dicht mogelijk op de tumor ingebracht. Nieuwe vorm van radiotherapie is protonentherapie. Er kan hiermee nog gerichter worden bestraald. Systematische bijwerkingen van radiotherapie zijn vermoeidheid, verminderde eetlust, huidproblemen en haartuitval.
o Bij chemotherapie worden met behulp van medicijnen (cytostatica) de kwaadaardige cellen gedood of geremd. Cytostatica beschadigen het DNA in de cellen. Beschadigt ook (snel delende) gezonde cellen. Kan zorgen voor vermoeidheid, verminderde eetlust, slijmvliesproblemen, haaruitval, gastro-intestinale en polyneuropathie. Word vaak intraveneus gegeven. Door remming aanmaak van bloedcellen is er risico op anemie, stollingsstoornissen en infecties. Bij langdurig cytostatica toediening, wordt port-a-cath geplaatst = lang onderhuids reservoir met een katheter die in de vene ligt.
o Hormoontherapie kan bij tumoren die groeien onder invloed van hormonen (mammacarcinoom en prostaatcarcinoom). Doel is om de productie en/of effect van de hormonen in het lichaam te blokkeren. Bestaat uit medicatie meestal en soms word operatief het hormoonproducerend orgaan (ovaria en testes) verwijderd.
o Doel bij doelgericht therapie is om de kwaadaardige cellen te vernietigen of te remmen. Bijvoorbeeld specifieke eiwitten die de tumor nodig heeft, worden geremd. Of het remmen van de groei van bloedvaten rond de tumor, waardoor het minder zuurstof en voeding krijgt. Doel van immuuntherapie is het immuunsysteem van de zorgvrager versterken, waardoor dit de kwaadaardige cellen zelf kan vernietigen. Checkpointremmers is het meest in ontwikkeling, hierbij bindt het medicijn aan specifieke punten op de afweercellen/kwaadaardige cellen > immuunsysteem herkent de kwaadaardige cellen makkelijker en vernietigd deze.
o Bij bepaalde kanker krijgen zorgvragers hoge dosis chemo/radiotherapie, waarna een stamceltransplantatie plaatsvindt. Hoge dosis heeft als bijwerking dat het de aanmaak van bloedcellen onderdrukt. Zorgvrager krijgt stamcellen die vr de behandeling van hemzelf zijn (autoloog) of van een donor (allogeen). Die zorgen voor de vorming van nieuwe bloedcellen.

Prognose: Kan om kanker te overleven wordt uitgedrukt in de vijfjaarsoverleving = percentage zorgvragers dat vijf jaar na het moment dat de diagnose is gesteld nog in leven is. Varieert per type kanker en welk stadium. Wanneer de kanker terug komt heet dat recidief.

Preventie: Gezonde leefstijl, bescherming van de huid tegen UV en bepaalde vaccinaties. Andere vorm zijn bevolkingsonderzoeken > doel is vroeg stadium diagnosticeren zonder symptomen. Tijdens het werk: beschermende kleding dragen bij verwijderen asbest/loodschort dragen bij rntgen. Erfelijkheidsonderzoek (DNA).

Verpleegkundige aandachtspunten: Gericht op preventie, curatieve behandeling, nazorg, palliatieve zorg en terminale zorg. Monitoren lichamelijke problemen en bijwerkingen van de behandeling. Ondersteuning psychosociale problemen. Begeleiding naasten/mantelzorgers.

Op basis van anatomie en fysiologie beredeneren op welke manier metastasering kan optreden.
Door veranderingen in het DNA krijgen kankercellen andere eigenschappen dan normale cellen en zien ze er anders uit. Er is onderscheid tussen goedaardige (benigne) en kwaadaardige (maligne) tumoren. Benigne tumoren bestaan uit redelijk gedifferentieerde cellen die lijken op de oorspronkelijke cellen. Ze groeien ongeremd maar blijven lokaal, vormen een afgeronde massa en drukken omliggend weefsel weg zonder erin door te groeien.
Ze zaaien niet uit, maar kunnen wel gevaarlijk zijn door druk op organen of door hormoonproductie (bijv. in hypofyse of insuline producerende cellen). Maligne tumoren bestaan uit slecht gedifferentieerde cellen die minder lijken op de oorspronkelijke cellen. Ze vertonen afwijkende kernen en chromosomen (aneuplodie) en groeien infiltratief in omliggend weefsel. Deze cellen zijn ongevoelig voor groeiregulerende signalen, blijven delen en kunnen omliggende cellen beschadigen. Ze kunnen bloed- en lymfevaten binnendringen en zich via deze wegen verspreiden (metastasering). Sommige kankercellen krijgen nieuwe eigenschappen, zoals hormoonproductie (bijv. ACTH bij longkanker) of kalkvorming (bij borstkanker). Ook kunnen tumormarkers in het bloed verhoogd zijn, zoals PSA bij prostaatkanker en CEA bij darmkanker. Kankercellen verliezen het vermogen om af te sterven en stimuleren de vorming van nieuwe bloedvaten voor hun groei. Symptomen hangen af van de plaats van de tumor en eventuele uitzaaiingen, zoals hoesten bij longkanker, bloed bij ontlasting bij darmkanker of neurologische uitval bij hersentumoren. Tumorgroei kan ook leiden tot pijn en gewichtsverlies door verhoogde energiebehoefte.


Mammacarcinoom: of te wel Borstkanker is een kwaadaardige nieuwvorming van het weefsel in de borst.
Risicofactoren: Een verhoogd op borstkanker hebben vrouwen die:
Een hogere leeftijd hebben
Een of meer eerstegraadsfamilieleden hebben met borstkanker of ovariumcarcinoom
Twee of meer tweedegraads familieleden hebben met borstkanker
Eerder borstkanker, of een voorloper hiervan, hebben gehad
Drager zijn van een genmutatie in BRCA1 en BRCA2
Een vroege menarche en een late menopauze hebben
Kinderloos zijn of op latere leeftijd zwanger zijn geworden van hun eerste kind
Hormonale therapie volgen tijdens de menopauze
Radiotherapie van de thorax hebben gehad voor het 40ste levensjaar
Overmatig alcohol gebruiken, roken en/of een verhoogd BMI hebben na de menopauze
Risico verlagend voor borstkanker zijn borstvoeding geven, meer dan vier kinderen baren en een lager dan gemiddeld BMI na de menopauze.
Etiologie: In ongeveer 10-15 procent van de gevallen is borstkanker erfelijk. Vrouwen die drager zijn van een mutatie in een van de twee bekende borstkankergenen hebben gedurende hun leven een verhoogd risico van 50-85 procent op het krijgen van borstkanker. Draagsters van het BRCA1-gen hebben daarnaast ook een verhoogd risico op ovariumcarcinoom. In alle overige gevallen is de etiologie van borstkanker niet precies bekend.
Pathofysiologie: Borstkanker is meestal een van adenocarcinoom. Een ductaal carcinoom is de meest voorkomende vorm en gaat uit van de melkgangen. Een lobulair carcinoom gaat uit van het melkklierweefsel van de borst. We maken onderscheid tussen de verschillende soorten mammacarcinoom op basis van kenmerken van het weefsel onder de microscoop, de hormoongevoeligheid van de tumor en de aanwezigheid van andere receptoren op het celoppervlak.
Symptomen: In de meeste gevallen wordt borstkanker ontdekt bij screening terwijl er nog geen symptomen zijn. Veranderingen in de borst die kunnen wijzen op borstkanker zijn:
Een knobbeltje dat of een schijf of streng in de borst die anders aanvoelt dan normaal
Veranderingen aan de tepel; ingetrokken tepel, afscheiding, roodheid, zwelling of schilfering
Veranderingen aan de huid
Een warme en roodkleurde borst
De borst doet langdurig pijn of is gevoelig

Andere symptomen bij een verder gevorderde aandoening zijn:
Tekenen van lymfogene metasering: opgezette lymfeklieren in de oksels
Tekenen van hematogene metasering: pathofysiologische fracturen, dyspneu, neurologische klachten
Algemene symptomen van maligniteit: vermoeidheid en afvallen.

Diagnostiek: In Nederland en Belgi vindt bevolkingsonderzoek op borstkanker plaats. In Nederland krijgen alle vrouwen tussen de 50-75 jaar elke twee jaar een oproep voor screening op borstkanker door middel van digitale mammografie, waarbij een rntgenfoto van beiden borsten wordt gemaakt. In Belgi gebeurt hetzelfde bij vrouwen van 50 tot en met 69 jaar elk jaar. 70 procent van alle borstkanker wordt ontdekt bij het BOB. Bij een afwijkende uitslag, of bij een onvolledig onderzoek, wordt een vrouw door de huisarts verwezen voor aanvullend onderzoek. Voor vrouwen met een erfelijke verhoogd risico op borstkanker, vrouwen die al eerder borstkanker doorgemaakt hebben en vrouwen die voor hun veertigste bestraald zijn op de thorax gelden andere screeningsvoorwaarden.
Beeldvormend onderzoek: Wanneer er op basis van anamnese, inspectie of palpatie twijfel bestaat over borstkanker, is aanvullend onderzoek nodig.
De eerste stap is meestal een mammogram (rntgenfoto van de borst). Hiermee kunnen afwijkingen in het borstweefsel zichtbaar worden gemaakt. Indien nodig wordt dit aangevuld met een echografie, bijvoorbeeld om beter onderscheid te maken tussen verschillende soorten afwijkingen (zoals cysten of solide tumoren). In sommige gevallen worden ook CT- of MRI-scans gebruikt. Deze geven een meer gedetailleerd beeld van de tumor en helpen om eventuele uitzaaiingen op te sporen.
Onderzoek op de polikliniek (mammapoli): Vrouwen met een sterke verdenking op borstkanker worden verwezen naar de mammapoli voor verder onderzoek. Daar wordt vaak een echogeleide punctie uitgevoerd, waarbij cellen uit de tumor en eventueel uit verdachte lymfeklieren worden opgezogen voor cytologisch onderzoek. Daarnaast kan een biopsie worden gedaan. Hierbij wordt een stukje weefsel weggenomen om de diagnose definitief te bevestigen. Ook wordt onderzocht of de tumor hormoongevoelig is en of er andere receptoren aanwezig zijn (zoals HER2), omdat dit belangrijk is voor de behandeling.

Stadiringsonderzoek: Wanneer de diagnose borstkanker is gesteld, volgt stadiringsonderzoek om te bepalen in welk stadium de ziekte zich bevindt. De oksel wordt onderzocht met een echografie en zo nodig een punctie van verdachte lymfeklieren om uitzaaiingen via de lymfe vast te stellen. Daarnaast wordt gekeken of er uitzaaiingen via het bloed (hematogeen) zijn. Hiervoor kunnen verschillende onderzoeken worden ingezet, zoals:
echografie van de lever
X-thorax
CT-scan van de thorax en het abdomen
skeletscintigrafie
PET-CT
Deze onderzoeken helpen om de uitgebreidheid van de ziekte in kaart te brengen en de juiste behandeling te bepalen.
Behandeling: De meeste zorgvragers met borstkanker worden curatief behandeld met een combinatie van chirurgie en radiotherapie, soms met aanvullende systematische therapie. De geadviseerde behandeling is afhankelijk van het type tumor en het TNM-stadium. In het geval van een uitgezaaide aandoening vindt palliatieve behandeling plaats met systematische therapie en soms palliatieve radiotherapie.
Chirurgische: behandeling kan bestaan uit een borstamputatie (mastectomie), waarbij de gehele borst wordt weggehaald. In veel gevallen is ook een borstsparende operatie mogelijk, waarbij alleen de tumor met omringend weefsel wordt weggehaald en een groot deel van de borst behouden blijft. Na een borstsparende operatie is meestal aanvullende radiotherapie nodig. De overlevingskans en kans op recidief is bij een borstsparende operatie inclusief radiotherapie even groot als bij een mastectomie, mits de gehele tumor verwijderd is. Tijdens de operatie worden de lymfeklieren in de oksel gecontroleerd op metastasen. Met de schildwachtklierprocedure wordt met een kleurstof of radioactieve stof bepaald wat de eerste lymfeklieren zijn waarnaar de borsttumor draineert. Deze schildwachtklieren worden tijdens de operatie onder de microscoop onderzocht. Als zij kankercellen bevatten wordt een lymfeklierdissectie verricht, waarbij alle lymfeklieren in de oksel worden verwijderd.
(Neo) adjuvante systematische therapie: Aanvullend systematische therapie kan bestaan uit chemotherapie, hormonale therapie en doelgerichte therapie. Hormonale therapie wordt ingezet bij hormoongevoelige tumoren, waardoor de werking van geslachtshormonen op de tumor wordt geblokkeerd. Een veel gebruikt antioestrogeen is tamoxifen. Doelgerichte therapie wordt ingezet bij tumoren met een HER2-receptor. Middelen als trastuzumab blokkeren deze receptoren, waardoor groei van de tumor niet langer wordt gestimuleerd.
Complicaties: De complicaties van borstkanker zijn afhankelijk van het stadium van de aandoening en de behandeling. Een operatie aan de borst is voor veel vrouwen emotioneel zeer aangrijpend. Ook kunnen er postoperatief zenuwpijn en lymfoedeem optreden. Na lymfeklierdissectie en na radiotherapie van de okselklieren is de kans op het ontwikkelen van lymfoedeem aan de arm groot. Door beschadiging van gezond weefsel door radiotherapie en chemotherapie kan onder andere hartfalen optreden. Hormonale veranderingen kunnen zorgen menopauzeklachten en seksuele klachten. Andere veelvoorkomende late gevolgen van de behandeling van kanker in het algemeen zijn vermoeidheid, geheugen en concentratiestoornissen, somberheid en depressie.
Prognose: De overlevingskans bij borstkanker is erg afhankelijk van het stadium van de aandoening bij diagnose. De gemiddelde vijfjaarsoverleving bij stadium I en II ligt tussen de 92 en 98 procent. Bij stadium IV is de vijfjaaroverleving gemiddeld 29 procent.
Preventie: Aandacht voor risicofactoren is belangrijk bij de preventie van borstkanker. Om borstkanker in een zo vroeg mogelijk stadium te ontdekken worden vrouwen tussen de 50 en 75 jaar tweejaarlijks opgeroepen voor het bevolkingsonderzoek. Vrouwen met een extra verhoogd risico op borstkanker worden vaker gecontroleerd en gescreend
Verpleegkundige aandachtspunten: Verpleegkundigen spelen een belangrijke rol bij het ondersteunen en voorlichten van mensen met mammacarcinoom. Tijdens de behandelingen en in het nazorgtraject zijn verpleegkundigen interventies van belang om lichamelijke en psychosociale ondersteuning te bieden aan de zorgvrager en haar omgeving.
Longcarcinoom: Longkanker is een kwaadaardige aandoening van het weefsel in de longen.
Risicofactoren: Risicofactoren voor longkanker zijn roken, meeroken, blootstelling aan schadelijke stoffen en genetische factoren. Ook kunnen andere longziekten, zoals COPD, het risico op longkanker vergroten.
Etiologie: Ongeveer 85 procent van alle gevallen van longkanker is het gevolg van roken. Tabaksrook bevat meer dan 4000 chemische stoffen, waarvan er minimaal 40 carcinogeen zijn. Ongeveer 15 procent van alle zorgvragers met longkanker heeft nooit of nauwelijks gerookt. Vooral bij deze groep worden specifieke mutaties in het DNA gevonden.
Pathofysiologie: Longkanker ontstaat door beschadiging van het DNA in longcellen, meestal door langdurige blootstelling aan kankerverwekkende stoffen. Hierdoor gaan cellen ongecontroleerd delen en ontstaan een tumor. We onderscheiden twee typen op grond van microscopische beeld: niet kleincellig longcarcinoom en kleincellig longcarcinoom. De kleincellige vorm groeit sneller en zaait eerder uit. Tumoren kunnen de luchtwegen vernauwen, waardoor er obstructie ontstaat in bronchin > sputum hoopt zich op in het achterliggende longweefsel > makkelijker onstaan van infectie. Ook kunnen tumoren de bloedvaten in de longen aantasten > bloed ophoesten (hemopto). Uitzaaiingen vinden plaats via de lymfe en het bloed.
Symptomen: De symptomen van longkanker ontstaan vaak geleidelijk en zijn in het begin niet altijd duidelijk. Veelvoorkomende klachten zijn een langdurige hoest, bloed ophoesten, benauwdheid en pijn in de borst, rug of schouders. Daarnaast kunnen algemene klachten optreden zoals vermoeidheid, koorts, gewichtsverlies en verminderde eetlust. In een later stadium, bij uitzaaiingen, kunnen ook klachten ontstaan zoals misselijkheid, bot pijn en neurologische verschijnselen.
Diagnostiek: De diagnose begint met een anamnese en lichamelijk onderzoek, maar deze geven vaak weinig specifieke aanwijzingen. Daarom wordt aanvullend onderzoek gedaan. Meestal wordt eerst een rntgenfoto van de borstkasgemaakt, gevolgd door een CT-scan om de tumor beter in beeld te brengen. Soms wordt ook een PET-scan gebruikt om uitzaaiingen op te sporen. De definitieve diagnose worst gesteld door middel van cytologisch of histologisch onderzoek van tumorweefsel, verkregen via een biopt of punctie. Een bronchoscopie kan worden uitgevoerd om de luchtwegen van binnen te bekijken en weefsel af te nemen. Voor stadiringsonderzoek worden echografie bovenbuik, PET-scan, skeletscintigrafie en MRI-scan hersenen ingezet.
Behandeling: De behandeling van longkanker hangt af van het type tumor, de plaats en het stadium van de ziekte. In een vroeg stadium (geen metastasering) kan een operatie worden uitgevoerd om de tumor te verwijderen, vaak in combinatie met chemo of radiotherapie postoperatief. In latere stadia wordt gekozen voor palliatief door een combinatie van chemotherapie, radiotherapie, immuuntherapie en soms doelgerichte therapie. Endobronchiale therapie is beter voor behoud van longfunctie: via bronchoscoop wordt tumor verwijderd, weggebrand of bestraald.
Complicaties: Bij longkanker kunnen verschillende complicaties optreden. Door afsluiting van de luchtwegen kan een longontsteking ontstaan. Aantasting van zenuwen kan leiden tot heesheid. Wanneer de bovenste holle ader wordt samengedrukt, kan zwelling van het gezicht en de hals optreden. Ook kunnen slikproblemen ontstaan door druk op de slokdarm. Ingroei in pleuraholte veroorzaakt pleuritis carcinomatosa met pleuravocht > dyspneu. Aantasting van het diafragma kan eveneens ademhalingsproblemen veroorzaken.
Prognose: De prognose van longkanker is over het algemeen ongunstig. De gemiddelde vijfjaarsoverleving ligt rond de 17%, maar dit hangt af van het stadium waarin de ziekte wordt ontdekt en het type tumor. Niet kleincellige longkanker heeft meestal een betere prognose dan kleincellige longkanker. Hoe eerder de ziekte wordt ontdekt, hoe groter de kans op een succesvolle behandeling.
Preventie: Preventie van longkanker richt zich vooral op het vermijden van risicofactoren. De belangrijkste maatregel is stoppen met roken. Daarnaast is het belangrijk om meeroken te vermijden en blootstelling aan schadelijke stoffen, zoals asbest en andere carcinogenen, zoveel mogelijk te beperken.
Verpleegkundige aandachtspunten: Verpleegkundigen spelen een belangrijke rol in de zorg voor patinten met longkanker. Zij signaleren symptomen en veranderingen in de gezondheidstoestand en ondersteunen bij de behandeling. Daarnaast geven zij voorlichting en bieden zij psychosociale begeleiding.
Het endometriumcarcinoom is een kwaadaardige tumor van het baarmoederkanker en komt vooral voor bij vrouwen na de menopauze. De ziekte wordt vaak in een vroeg stadium ontdekt, omdat het zich meestal uit in abnormaal vaginaal bloedverlies, met name postmenopauzaal bloedverlies.

Risicofactoren:
o Leeftijd boven 50 jaar
o Chronische aandoeningen (diabetes bijv)
o Bestraling van het bekken
o Langdurig blootstelling aan oestrogeen: nooit zwanger, cyclus zonder ovulatie, late menopause, obesitas etc
o Familiale belasting

Symptomen: vaginaal bloedverlies, toegenomen postmenopauzale fluor en vaginale afscheiding zijn lokale symptomen. Algemeen is algehele malaise, gewichtsverlies en pijn. Evt mictie en def stoornissen.

Diagnose: wordt gesteld met behulp van een transvaginale echo, waarbij gekeken wordt naar de dikte van het endometrium en weefselonderzoek kan worden gedaan. Soms wordt beeldvorming zoals een MRI of CT gebruikt. Bij labonderzoek wordt soms tumormarker gemeten. Een uitstrijkje van de cervix genomen.

Behandeling: bestaat in de meeste gevallen uit een operatie waarbij de baarmoeder (uterus), eileiders (ovariae) en eierstokken (tubae) worden verwijderd. Afhankelijk van het stadium kan behandeling nodig zijn, zoals radiotherapie en chemotherapie. Soms bij jonge vrouwen

Complicaties: endometriumcarcinoom kan doorgroeien naar omliggende structuren en uitzaaien via de lymfebaan en bloedbaan. Complicaties van de operatie zijn bloeding, infecties of beschadigingen aan de darm of urineweg.

Prognose: de prognose is relatief gunstig ten opzichte van andere gynaecologische kwaadaardige tumoren. Over het geheel genomen is vijf jaar na de behandeling ongeveer 65% kankervrij, maar dit hangt sterk af van het stadium en type tumor.

Preventie: zorgvragers met een genetische aanleg voor het krijgen van endometriumcarcinoom worden geadviseerd om zich vanaf een leeftijd van 30-35 jaar te laten screenen.

Cervixcarcinoom is baarmoederhalskanker. Vooral tussen 35-45 jaar. Meestal veroorzaakt door infectie met het humaan papillomavirus HPV.

Risicofactoren: Belangrijke risicofactoren voor cervixcarcinoom zijn vooral gerelateerd aan besmetting met HPV. De kans op besmetting is groter bij vrouwen van wie de partner meerdere wisselende seksuele contacten heeft. Het gebruik van een condoom verkleint het risico op HPV-besmetting met ongeveer 70%, maar biedt geen volledige bescherming. Daarnaast verhogen een verminderde afweer, bijvoorbeeld door roken of een immuundeficintie, het risico op het ontstaan van cervixcarcinoom. Hormonale factoren spelen ook een rol; dochters van vrouwen die tijdens de zwangerschap DES hebben gebruikt, hebben een verhoogd risico op cervixcarcinoom, zonder dat daarbij een HPV-infectie nodig is. Verder wordt langdurig gebruik van de anticonceptiepil soms genoemd als risicofactor, hoewel het risico mogelijk ook samenhangt met het feit dat vrouwen dan minder vaak een condoom gebruiken.

Pathofysiologie: Cervixcarcinoom ontstaat meestal uit cellen in het overgangsgebied tussen de baarmoederhals en de baarmoedermond. In de meeste gevallen worden deze cellen eerst veranderd door het humaan papillomavirus (HPV). Veel vrouwen raken ooit besmet met HPV, maar in de meeste gevallen ruimt het immuunsysteem het virus weer op. Wanneer het virus echter niet verdwijnt, kan dit leiden tot afwijkende cellen in de cervix. Deze afwijkende cellen kunnen in eerste instantie nog genezen, maar kunnen zich ook ontwikkelen tot een voorstadium van kanker. Vaak geeft dit stadium geen klachten. Uiteindelijk kan dit voorstadium overgaan in cervixcarcinoom, vooral bij een verminderde afweer.

Symptomen: In het begin zijn er meestal geen klachten. De eerste symptomen bestaan vaak uit onregelmatig vaginaal bloedverlies, bijvoorbeeld na geslachtsgemeenschap of tussen menstruaties door. Ook spontaan bloedverlies kan voorkomen, evenals een veranderde vaginale afscheiding. In een later stadium kunnen pijn in het bekken, rugpijn en zwelling van een been optreden door doorgroei van de tumor.

Diagnostiek: Bij inwendig onderzoek wordt de cervix beoordeeld en wordt er een uitstrijkje gemaakt. Voor het stellen van de diagnose en het bepalen van het stadium worden aanvullende onderzoeken uitgevoerd, zoals lichamelijk onderzoek van het kleine bekken, vaginale echoscopie, een biopsie en een rntgenfoto van de thorax.

Behandeling: De behandeling van cervixcarcinoom hangt af van het stadium van de ziekte en bestaat meestal uit chirurgie, radiotherapie en/of chemotherapie. Soms wordt ook de baarmoeder verwijderd. In vroege stadia kan afwijkend weefsel worden verwijderd met een lisexcisie of conisatie. Bij lisexcisie wordt het afwijkende weefsel met een dunne metalen lus verwijderd waar elektrische stroom doorheen loopt. Bij conisatie wordt een kegelvormig stukje weefsel uit de cervix weggesneden.

Prognose: De prognose is afhankelijk van het stadium van de ziekte. Over het algemeen geldt dat vijf jaar na de diagnose ongeveer twee derde van de vrouwen met cervixcarcinoom nog in leven is.

Complicaties: Complicaties van de behandeling kunnen bestaan uit bloedingen, infecties en mictieproblemen door beschadiging van zenuwen naar de blaas. Radiotherapie kan zowel acute als late complicaties veroorzaken, zoals problemen met de blaas, het rectum, de vagina en onvruchtbaarheid. Chemotherapie en hormonale therapie kunnen eveneens leiden tot verminderde vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid, afhankelijk van de leeftijd en medicatie. Na verwijdering van de baarmoeder is zwangerschap niet meer mogelijk. Seksuele problemen zoals verminderd verlangen, verminderde opwinding en orgasmeproblemen kunnen optreden door een tekort aan geslachtshormonen na behandeling. Chemotherapie kan een vervroegde overgang veroorzaken met klachten zoals opvliegers, een droge vagina en slaapproblemen. Deze klachten kunnen soms behandeld worden met hormoonvervangende therapie, maar dit kan niet bij hormoongevoelige vormen van cervixcarcinoom. Daarnaast kunnen er ook psychosociale gevolgen zijn, zoals minder behoefte aan seksueel contact door bijvoorbeeld vermoeidheid.

Preventie:
o Voorkomen van HPV infecties is niet mogelijk. Kan op overdracht word verkleind door condoom, maar kan ook aan de handen en mond komen.
o Vaccinatie
o Bevolkingsonderzoek

Verpleegkundige aandachtspunten: Alert zijn op symptomen en kennis, draagt bij aan vroege diagnose en behandeling. Ondersteuning en voorlichting.















. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 10.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document