Maak een oefenexamen van de volgende tekst: De ziekte van Crohn en colitis ulcerosa vallen onder de inflammatoire darmziekten. Vaak ontstaan bij mensen jonger dan 30 jaar.
Risicofactoren: Als het in de familie voorkomt. Roken verhoogt kans op de ziekte van Crohn, maar verlaagt risico op colitis ulcerosa (onduidelijk waarom).
Etiologie: Genetische aanleg, omgevingsfactoren en een abnormale immuunreactie.
Pathofysiologie: De inflammatie komt door een abnormale immuunreactie in de mucosa van de maag-darmwand. Er komen hierbij ontstekingsmediatoren vrij zoals cytokinen. De ziekte van Crohn ontstaat hoofdzakelijk in terminale ileum en het colon ascendens, kan in hele maag-darmkanaal optreden. Er is sprake van segmentale ontsteking. Bij heftige ontsteking, kunnen littekenweefsel en hypertrofie van de spierlaag van de darm optreden, wat kan leiden tot vernauwing en obstructie. Als ontsteking via darmwand in contact komt met andere organen/ander deel van de darm kunnen fistels (tunnelvormige verbinding) ontstaan. Hierdoor kan pus en feces lopen. Kan uitmonden in de huid, vaak rondom anus. Colitis ulcerosa begint meestal in rectum en kan uitbreiden naar proximaal gelegen colon. Hierdoor vaak sprake van bloederig diaree, buikpijn en loze aandrang. Ontsteking zit in mucosa. Scherpe grens tussen normaal en aangetast weefsel.
Symptomen gastro-intestinaal: (Bloederig) diaree, (chronische) buikpijn en verandering van defecatiepatroon. Algehele malaise, gewichtsverlies, anemie en koorts.
Diagnostiek: Bij ziekte van Crohn kan bij palpatie van de buik een massa voelbaar zijn. Bij beide ziektes word gekeken naar ontstekingsverschijnselen en anemie bij bloedonderzoek. Infectieuze oorzaak word uitgesloten door een feceskweek. Beeldvormend onderzoek: sigmodoscopie, coloscopie, CT/MRI-scan.
Behandeling:
o Inflammatieproces remmers: ontstekingsremmers, immunosuppressiva (onderdrukken immuunsysteem, waardoor er minder ontstekingsreactie ontstaat), biologicals (remmen werking TNT-alfa, dat is een cytokine wat een rol speelt bij ontstaan onstekingen).
o Overige medicijnen: Antibiotica (bij fistels abcessen en bacterile overgroei), motiliteitsremmende middelen (diaree remmers), operatie (stoma) en aandacht voor psychologische ondersteuning en leefstijl.
Complicaties: Risico op colorectaal carcinoom. Complicaties van ziekte van Crohn: abces, fistel en obstructieve ileus. In ernstige gevallen: malabsorptie door aantasting van dunne darmwand. Hierdoor worden vitaminen en mineralen minder goed opgenomen > vitaminegebrek, anemie, stollingsproblemen en osteoporose. Bij kinderen kan dat uiten tot vertraagde groei en ontwikkeling. Ook kunnen galstenen, nierproblemen en amyloidose optreden.
Fulminante colitis (toxisch megacolon) is zeldzame, maar ernstige complicatie, voornamelijk bij colitis ulcerosa. Dit is verwijding van het colon en sepsis bij acute ontsteking in de dikke darm > operatie.
Meestal als de colon is aangedaan kan je huid-mondslijmvlies, oog, lever/galgang en gewrichtsafwijkingen en trombo-embolische complicaties krijgen.
Prognose: Ziekte van Crohn geneest zelden en verloopt met exacerbaties en remissies. Sterftekans door de ziekte is erg laag. Bij zorgvragers waar de colitis ulcerosa beperkt is tot het rectum hebben de beste prognose. Bij zorgvragers met colitis ulcerosa die een totaal proctolectomie ondergaan, zijn genezen. Zij hebben permanent stoma/pouch.
Preventie: NSAIDs kunnen een exacerbatie uitlokken, alleen in overleg met de arts dus. Afweer onderdrukkende medicatie vermijden bij infecties. Screening op bloedarmoede, osteoporose en deficintie van vitaminen en mineralen. 8 jaar na diagnose word gestart met screeningscoloscopie om risico op colorectaal carcinoom te bepalen. Er worden uit elke colonsegment biopten genomen om maximale historische uitbreiding te bepalen.
Bij diverticulosis coli is er sprake van divertikels (uitstulpingen) vanuit het colon. Dit gebeurd vooral bij ouderen. Als divertikels ontstoken raken, heet het diverticulitis coli.
Etiologie: Divertikels komen vaker voor bij zorgvragers met obstipatie en mogelijk is een dieet met weinig vezels een factor. Bij sprake van diverticulitis, kan door de zwelling de bloedtoevoer naar colonwand worden belemmerd en kan perforatie ontstaan > feces in buikholte > peritonitis.
Symptomen: Zorgvrager met diverticulosis heeft alleen soms last van obstipatie. 15-20% krijgt symptomen met bloedverlies en pijn als gevolg van complicaties. Symptomen van diverticulitis zijn (sub) acute hevige pijn links in de onderbuik, veranderd defecatie patroon en soms rectaal bloedverlies. Evt koorts, misselijkheid en braken.
Diagnostiek: Asymptomatische diverticulosis word meestal gevonden tijdens coloscopie of CT-abdomen. Bij verdenking diverticulitis worden naast lichamelijk onderzoek, lab onderzoek en beeldvorming zoals echografie en CT-scan verricht.
Behandeling: Geen behandeling nodig bij asymptomatische diverticulosis coli. Bij diverticulitis kan gekozen worden voor een conservatieve behandeling met ruime vochtinname en pijnstilling, maar ook voor antibiotica behandeling. Groter abces word gedraineerd. Bij ileus of perforatie mag de zorgvrager niet eten/drinken (komt via infuus). Evt operatie.
Complicaties en prognose: Bij 15-20% word diverticulosis gecompliceerd door diverticulitis of arterile bloeding vanuit divertikel. Een bloeding is meest voorkomende oorzaak van rood/bruin bloedverlies uit de tractus digestivus bij volwassenen. NSAIDs zijn risicofactor. Indien bloeding niet vanzelf stopt, word het tijdens coloscopie behandeld. Bij 20-25% van zorgvragers met diverticulitis treden complicaties zoals abces, fistel, obstructie of perforatie op. Obstructie kan leiden tot obstructieve ileus.
Een darmpoliep is een benigne tumor vanuit de darmwand die in de darm steekt. Ongeveer 30% van de bevolking ouder dan 60 jaar heeft 1/meer heeft darmpoliepen.
Symptomen: Kan gering (meestal occult) bloedverlies aanwezig zijn.
Diagnostiek en behandeling: Diagnose meestal op basis van coloscopie. De poliep kan meteen verwijderd en histologisch onderzocht worden, om te bepalen of deze goedaardig is.
Prognose: Er bestaan veel erfelijke syndromen die gepaard kunnen gaan met veel poliepen, deze zorgvragers krijgen regelmatig coloscopie. Er wordt bevolkingsonderzoek gedaan naar (dikke) darmkanker. Grootste zorg is dat benigne, maligne wordt.
Preventie: Als poliep is weggehaald hangt het af van verschillende factoren (aantal poliepen en leeftijd) of er vervolg coloscopie plaats vind.
Colorectaal carcinoom (dikkedarmkanker) is een van de meest voorkomende typen kanker.
Risicofactoren:
o Hogere leeftijd
o Ongezonde leefstijl
o Inflammatoire darmziekten
o Familielid die het heeft
o Dragerschap van bepaalde erfelijke aandoening
Etiologie: Ontstaat meestal vanuit goedaardig poliep. Klein deel kan doorgroeien en veranderen in kwaadaardige tumor.
Pathofysiologie: Kenmerkende symptomen aan de rechterkant van colon zijn occult bloedverlies en anemie. Obstructie komt daar minder vaak voor i.v.m. vloeibare darminhoud. Linkszijdige laesies geven meer klachten van obstructie zoals buikpijn, darmdiameter is hier kleiner. Bloedverlies kan vermengd zijn met feces. Bij rectum kanker is een kenmerkend symptoom: helderrood bloedverlies tijdens def en loze aandrang. Colorectaal carcinoom kan lymfogeen en hematogeen metastaseren. Bij hematogene mestasering, worden vaak metastasen in lever gezien > bloedafvoer vanuit colon gaat via vena porta.
Symptomen: gewichtsverlies en symptomen van anemie zijn algemeen. Gastro-intestinale symptomen zijn rectaal bloedverlies, veranderd defecatiepatroon, bloed vermengd met ontlasting, buikpijn en loze aandrang. Symptomen van levermetastasen zijn o.a. verminderde eetlust, misselijkheid, gewichtsverlies, vermoeidheid, geelzucht en jeuk. Symptomen longmetastasen zijn o.a. (prikkel)hoest, benauwdheid of recidiverende luchtweginfecties.
Diagnostiek: Bij lichamelijk onderzoek wordt o.a. gekeken of er een tumor te voelen is bij palpatie van de buik en via rectaal toucher. Lab onderzoek: hemoglobine, anemie. Een immuno chemische fecaal occultbloedtest, bij bepaling van niet-zichtbaar bloed in de feces. Beeldvormend onderzoek: coloscopie (hier kunnen biopten/tumoren weg worden gehaald en onderzocht). CT-thorax en abdomen.
Behandeling: Operatief verwijderen van de tumor. Chemo/radiotherapie. Bij 10-30% van zorgvragers met levermetastasen wordt met een operatie (thermische ablatie) genezing bereikt. Als genezen niet mogelijk is berhaupt, kan d.m.v. een palliatieve operatie (> de klachten afnemen) de obstructie worden verwijderd. Of het plaatsen van een stent bij obstructie/palliatieve chemotherapie.
Complicaties: Na operatie kans op pneumonie, urineweginfectie, trombose, wondinfectie, nabloeding of naadlekkage (> peritonitis). Aanleg van stoma kan gecompliceerd worden door ischemie van uitwendige deel van de darm, uitpuilen stoma, littekenbreuk in de buikwand bij stoma, vernauwing of irritatie van de huid rondom stoma. Na de operatie kan er ook last zijn van problemen bij def, blaas- en seksuele functiestoornissen.
Prognose: Vijfjaarsoverleving is afhankelijk van de tumor stadium. Prognose is ongunstig als er metastasen op afstand zijn.
Preventie: Aanpakken van risico factoren in leefstijl en voeding. In NL en Vlaanderen loopt een bevolkingsonderzoek voor vroegtijdig opsporen van colorectaal carcinoom/voorstadium. Iedere 2 jaar wordt een brief gestuurd met het verzoek om een fecaaloccultbloedtest te doen. Test wordt per post opgestuurd.
Verpleegkundige aandachtspunten: Symptomen herkennen > vroegtijdige diagnose en behandeling. Denk aan langtijdige verandering in ontlastingspatroon. Ondersteuning en voorlichting van mensen met het carcinoom. Tijdens en na behandeling zijn verpleegkundige interventies van belang. Lange en korte termijngevolgen van de ziekte en behandeling bespreekbaar maken. Zo nodig verpleegkundig doorverwijzen naar gespecialiseerde zorgverlener (stomaverpleegkundige bijv).
Appendictitis (blindedarmontsteking) is een acute ontsteking van de appendix = wormvormig aanhangsel van de blindedarm. 7-9% krijgt dit, komt het vaakst voor bij tieners/jongvolwassenen.
Etiologie en pathofysiologie: Als de opening naar de appendix verstopt raakt door bijv een hard stukje ontlasting, galsteen, wormen of een tumor, zullen de bacterin in de feces achter de afsluiting zich vermeerderen en een infectie veroorzaken. Zwelling van de appendix, kan bloedtoevoer belemmeren > weefselversterf en perforatie. Bij perforatie komt feces in de buikholte terecht > peritonitis.
Symptomen: Minder dan 50% met appendicitis heeft de volgende symptomen:
o Buikpijn
o Anorexie
o Misselijkheid en braken
o Toename van de buikpijn bij hoesten/bewegen.
o (Lichte) tempratuurverhoging
Diagnostiek: Anamnese. Bij lichamelijk onderzoek wordt de buik onderzocht op drukpijn en loslaatpijn bij palpatie van de rechteronderbuik. En verminderde/afwezige peristaltiek bij auscultatie. Infectieparameters en leukocyten kunnen verhoogd zijn bij labonderzoek. Of urineonderzoek (urineweginfectie en zwangerschap). Beeldvormend bestaat uit echo, CT/MRI abdomen. Bij vrouwen is aandacht voor gynaecologische oorzaak van buikklachten.
Behandeling: Zorgvrager mag niks meer eten/drinken via de mond. Appendix wordt operatief of met laparoscopie verwijderd. Soms wordt er behandeld met antibiotica.
Complicatie: Als er niet op tijd wordt geopereerd, bestaat risico op perforatie en peritonitis. Postoperatief bestaat risico op een buikabces en verklevingen met darmobstructie. Bij vrouwen kans op verminderde fertiliteit door verklevingen.
Prognose: Tijdig herkennen en behandelen zorgt voor gunstige prognose, bij complicaties loopt het ernstiger.
Preventie: onmogelijk.
Verpleegkundige aandachtspunten: Signaleren van fysiologische veranderingen. Beschreven symptomen in kaart brengen, voor optimale behandeling. Verpleegkundige interventies zoals, meten van pijnscore en fysiologische verandering monitoren. Alert zijn op verergering van symptomen i.v.m. risico op perforatie. Postoperatieve voorlichting geven, ook over complicaties.
Maagkanker: Is een kwaadaardige tumor die uitgaat van de weefsels in de maag. Maagkanker komt vaak bij mannen voor dan bij vrouwen.
Etiologie en risico factoren (etiologie van maagkanker is nog niet bekend). Hieronder staan de risicofactoren van maagkanker:
o Hogere leeftijd
o Infectie met H. pylori bacterie lijkt de kans van maagkanker groter te maken, mogelijk als gevolg van de schade die deze bacterie aanricht aan de cellen in het slijmvlies.
o Maagkanker in de familie
o Chronische atrofische gastritis (is een aandoening waarbij het maagslijmvlies dunner wordt)
o Leefstijl factoren; zoals roken, alcohol gebruik en ongezonde voeding etc.
Pathofysiologie: Een tumor in de maag kan uitsteken in de maagholte of door groeien in de maagwand, die daardoor dikker wordt. Verdere groei van de tumor leidt tot vernauwing en uiteindelijk obstructie van de maag. Door druk op de zenuwuiteinden ontstaat vervolgens pijn.
Symptomen: De vroege symptomen van maagkanker zijn meestal aspecifiek.
(Niet duidelijk). Bijv. gebrek aan eetlust, misselijkheid en braken en een vol of verzadigd gevoel. Er kan melaena optreden. Meestal is pijn een later symptoom van maagkanker. Maagkanker kan samengaan met ijzergebreksanemie door bloedverlies uit de tumor.
Diagnostiek: Lichamelijk onderzoek en bloedonderzoek (voor het vaststellen van een eventuele anemie) is meestal beeldvormend onderzoek voor nodig, zoals gastroscopie of endoscopie, echografisch onderzoek, een CT-scan of een PET- scan. Laparoscopie wordt ook gedaan om te kunnen zien of er evt. uitzaaiingen zijn.
Behandeling: De behandeling is afhankelijk van de grootte van de tumor en eventuele uitzaaiingen. Een kleine tumor kan soms endoscopisch worden verwijderd. Chemotherapie kan voor of na de operatie worden gegeven, of als palliatieve behandeling, maar dan niet in combinatie met radiotherapie.
Complicaties: Obstructie van de maag, een maagbloeding of maagperforatie zijn complicaties van een tumor in de maag.
Prognose: De prognose hangt af van het stadium, de plaats van de tumor en de uiteindelijke behandeling. Als de ziekte vroeg wordt ontdekt (gunstig stadium), leeft ongeveer 70% van de 100 mensen na 5 jaar nog. Als de ziekte ver gevorderd is (ongunstig stadium), leeft na 5 jaar nog maar 1% van de 100 mensen.
Preventie: De kans van maagkanker kan worden verkleind door aanpassingen van leefstijl en door behandeling een infectie H. pylori.
Astma: Is een chronische longaandoening die zich kenmerkt door aanvallen van benauwdheid, een piepende ademhaling en hoesten als gevolg van een chronische ontsteking van de onderste luchtwegen in combinatie met een overgevoeligheid voor bepaalde prikkels.
Etiologie en risicofactoren (de precieze oorzaak ervan is onbekend). Maar waarschijnlijk spelen erfelijke factoren een grote rol. Hieronder staan de risico factoren van astma:
o Erfelijke aanleg
o Overgewicht
o Omgevingsfactoren, namelijk specifieke prikkels binnens- en buitenshuis.
Pathofysiologie: Bij astma zijn de luchtwegen chronisch ontstoken. Deze ontsteking gaat gepaard met oedeem, waardoor de wand van de luchtwegen verdikt is. Ook is er een toename van het aantal slijm producerende cellen, waardoor mucus zich ophoopt in de luchtwegen.
Symptomen: Astma kenmerkt door typische longaanvallen (exacerbaties) van wheezing, hoesten, dyspneu en een drukkend gevoel op de borst.
Diagnostiek: Anamnese en lichamelijke onderzoek. Belangrijke aandachtpunten voor anamnese:
o De aard en de ernst van de luchtwegenklachten
o Aanwijzingen voor blootstelling aan allergische en niet allergische prikkels.
o Rookgedrag
o Allergien
o Longfunctieonderzoek
o Allergologische onderzoek (om te kijken of iemand een allergie heeft)
Behandeling: Het kan behandeld worden met leefstijl adviezen die vaak worden gegeven:
o Stoppen met roken
o Iedere dag minstens een half uur bewegen
o In geval van overgewicht streven naar gewichtsreductie en een evenwichtige voeding
o Prikkels die een astma-aanval kunnen uitlokken vermijden
Of medicamenteuze behandeling van astma berust op twee pijlers: ontstekingsremming (inhalatie cortisteroiden) en verwijding van de luchtwegen (bronchus verwijders).
Complicaties
o Pneumonie
o Atelectase
o Respiratoir insufficintie
o Status astmaticus
Prognose: Tegenwoordig hebben de meeste mensen met astma een normale levensverwachting. Astma heeft een negatieve invloed op de kwaliteit van leven. De aandoening kan gepaard gaan met slaapproblemen, school- of werk verzuim.
Preventie: Primaire preventie van astma is niet mogelijk, maar er zijn aanwijzingen dat roken van de moeder tijdens de zwangerschap en blootstelling aan rook. Borstvoeding heeft mogelijk een beschermende werking.
Verpleegkundige aandachtspunten: Bij astma is de rol van een verpleegkundige vooral gericht op het observeren, begeleiden en registreren van fysiologische veranderingen om zo aanvallen te herkennen. Een belangrijke verpleegkundige interventie is het monitoren van de vitale functies.
COPD: is een chronische aandoening die over het algemeen is. Dit zorgt voor een negatieve invloed op de gezondheid en kwaliteit van leven.
Risicofactoren: Inademing van schadelijke deeltjes of gassen. Denk hierbij aan:
o Roken
o Omgevingsfactoren
o Hogere leeftijd
o Erfelijke factoren
o Schade door eerdere longaandoeningen
Etiologie: Roken is de belangrijkste oorzaak van COPD. Roken of meeroken beschadigt de longen ernstig. Niet iedereen die rookt krijgt COPD, dit heeft waarschijnlijk te maken met erfelijke factoren.
Pathofysiologie: Bij COPD is er sprake van een chronische ontsteking van de onderste luchtwegen door prikkelende stoffen, meestal sigarettenrook, wat gepaard gaat met zwelling van slijmvlies. Als reactie op de ontsteking kan ook het gladde spierweefsel verkrampen, waardoor de bronchioli extra vernauwen. Dit zorgt voor een probleem met de ventilatie.
Symptomen: Meestal starten de symptomen bij mensen tussen 40-50 jaar. Kenmerkende ademhalingssymptomen van COPD zijn:
o Kortademigheid
o Chronisch hoesten
o Opgeven van helder sputum
o Gewichtsverlies
o Oedeem in de benen
o Ochtendhoofdpijn en concentratieproblemen, door een toename van Co2 gehalte tijdens de slaap.
Diagnostiek: De anamnese richt zich voornamelijk op de symptomen en eventuele risicofactoren. Daarnaast wordt er ook lichamelijk onderzoek en spirometrie gedaan.
Behandeling: Begint met niet- medicamenteuze adviezen gericht op het voorkomen van de klachten en een goede algehele gezondheid. Dit bestaat uit:
o Voorlichting over Het ziektebeeld
o Stoppen met roken
o Zorgen van een droge, warme omgeving
o Voldoende drinken
o Voldoende beweging
Medicamenteuze behandeling:
- Kort en langwerkende luchtwegverwijdende medicatie
- Ontstekingsremmende medicatie
Complicaties
o Bijwerkingen van inhalatiemedicatie, zoals tachycardie, droge mond en een schimmelinfectie
o Pneumonie
o Longemfyseem
o Respiratoire insufficintie, repertoire acidose en uitputting, uiteindelijk kan leidend tot verdere verslechtering en bewustzijnsdaling.
o Pulmonale hypertensie, hartfalen rechts
o Pneumothorax bij longemfyseem als gevolg van het kapotgaan van de alveoli; met name tijdens vliegreizen neemt de kans hierop toe.
Prognose: De ernst van COPD neemt toe over de jaren heen. Als zorgvragers blijven roken, hebben zij een slechtere prognose dan wanneer ze hiermee stoppen. Een longaanval kan leiden tot een ziekenhuisopname. Zorgvragers met COPD hebben een grotere kans op longkanker, ook als zij niet roken.
Preventie: Na het stellen van die diagnose, bestaat preventie uit het vermijden van prikkels, het voorkomen van luchtweginfecties door griepvaccinatie en pneumokokkenvaccinatie, en het bevorderen van zelfredzaamheid en zelfmanagement.
Verpleegkundige aandachtspunten: Bij COPD is de rol van de verpleegkundige ongeveer hetzelfde als bij astma. Juiste streef saturatie en monitoring bij zuurstoftoediening zijn belangrijk, omdat zuurstoftoediening bij mensen met zeer ernstige COPD anders gevaarlijk kan zijn. Vroeg signalering van psychische klachten, aandacht voor energie inname met een adequaat voedingspatroon en aandacht voor bewegen zijn specifieke aandachtpunten.
Anemie: is een te laag aan erytrocyten en/of een te laag aan hemoglobine. Anemie is een symptoom van een onderlinge aandoening.
Risicofactoren
o Bloedverlies
o Verminderde opname van voedingsstoffen, zoals bij gebruik van metformine
o Te kort aan voedingsstoffen
o Ziekte zoals infecties, kanker en nierfalen
o Zwangerschap
o Erfelijke factoren
Pathofysiologie: Anemie wordt ingedeeld op basis van de pathofysiologie. We onderscheiden anemie door acuut bloedverlies, door een stoornis of door een verhoogde afbraak. Bij acuut bloedverlies is er absoluut verlies aan erytrocyten en bloedvolume. Bij een stoornis in de aanmaak kunnen drie verschillende dingen aan de hand zijn: er worden minder erytrocyten gemaakt, er wordt minder HB aangemaakt of het gemaakte HB functioneert niet optimaal.
Dit kan komen door benodigde stoffen.
Symptomen: De symptomen bij anemie zijn een uiting of compensatie van zuurstoftekort in de weefsels. Andere symptomen hangen samen met de oorzaak van anemie. Algemene klachten zoals; moeheid, duizeligheid, niet lekker voelen, hoofdpijn, zwakte en oorsuizen. Meer specifieke klachten zijn bleekheid, tachycardie, pijn op de borst, kortademigheid bij inspanning.
Diagnostiek: De onderzoeken zijn bedoeld om te kijken of iemand bloedarmoede heeft en wat de oorzaak is. De arts stelt vragen over mogelijke oorzaken (anamnese). Bij het lichamelijk onderzoek wordt gekeken naar de buik, lymfeklieren en of iemand geel ziet (icterus). Bijna altijd wordt ook bloedonderzoek gedaan. Daarbij wordt in ieder geval het hb gemeten.
Behandeling: De behandeling van anemie hangt af van de oorzaak.
Bij een tekort aan ijzer, vitamine B12 of foliumzuur krijg je supplementen. Soms moet je die levenslang gebruiken als de oorzaak niet weg kan. De hemoglobine (HB) wordt gecontroleerd om te zien of de behandeling werkt. Soms is een bloedtransfusie nodig, bijvoorbeeld bij ernstig bloedverlies, orgaan falen of klachten van hart en longen.
Complicaties: Anemie kan leiden tot longproblemen en hartfalen. Er kan bovendien sprake zijn van een beperkte inspanningstolerantie door het afgenomen zuurstoftransport ten gevolge van het afgenomen aantal erytrocyten.
Prognose en preventie: De prognose is afhankelijk van de oorzaak. Bepaalde vormen van HB hebben een grote ziektelast en een beperkte levensverwachting.
Verpleegkundige aandachtspunten: Verpleegkundigen spelen een belangrijke rol bij het ondersteunen en voorlichten van mensen met anemie. Zij kunnen fysiologische veranderingen signaleren en monitoren. Verpleegkundige interventies toepassing zijn bij anemie zijn het meten van hart- en adem frequentie, temperatuur, bloeddruk en transcutane zuurstofsaturatie.
Les 2
Coronaire hartziekten of ischemische hartziekten is er sprake van myocardischemie als gevolg van een vernauwing van de coronaire arterin; de bloed stroom door de kransslagader is verminderd, met zuurstof te kort van het myocard tot gevolg. Coronaire hartziekten zijn een belangrijke doodoorzaak. Ze uiten zich als ischemie (zonder klachten), als stabiele angina pectoris, als acuut coronair syndroom of als plotse hartdood.
Risico factoren: De risico factoren voor coronaire hartziekten komen overeen met de risico factoren voor arterile aandoeningen in het algemeen.
Etiologie: De meeste coronaire hartziekten zijn het gevolg van atherosclerose in een grote of middelgrote coronaire arterie. In de overige gevallen wordt er geen atherosclerose aangetoond. De vernauwing van de coronaire arterin kan dan worden veroorzaakt door vaatspasmen. Dit variant noemen we Variant of Prinzmetal angina.
Pathofysiologie
Atherosclerose in de kransslagaders zorgt ervoor dat deze langzaam vernauwen. Als een kransslagader sterk vernauwd is, krijgt de hartspier te weinig zuurstof (ischemie). Dit veroorzaakt pijn op de borst (angina pectoris), die soms uitstraalt naar de linkerarm, schouder of kaak. De pijn ontstaat vooral bij inspanning of stress, omdat het hart dan meer zuurstof nodig heeft. In rust neemt de pijn meestal weer af. Een atherosclerotische plaque in een kransslagader kan plotseling scheuren. Hierdoor wordt de bloedstolling geactiveerd en ontstaat een bloedstolsel (trombus) dat het bloedvat gedeeltelijk of helemaal afsluit. Dit veroorzaakt acute zuurstoftekort (ischemie) van de hartspier. De pijn op de borst ontstaat plotseling, is niet afhankelijk van inspanning of stress en verdwijnt niet in rust. Als de afsluiting lang duurt, kan een deel van de hartspier afsterven (hartinfarct).
Preventie: voorkomen van (het aangroeien van) de atheroclerotische plaques, door het verminderen van benvloedbare risicofactoren.
Perifeer arterieel vaatlijden is sprake van vernauwing van arterin in de extremiteiten waardoor ischemie ontstaat. De ischemie veroorzaakt pijn, functieverlies en weefselversterf. De aandoening komt vooral voor al voor bij mannen boven de 60 jaar.
Etiologie: Vernauwing door atherosclerose is de belangrijkste oorzaak van perifeer arterieel vaatlijden. Daarbij zijn de arterin distaal van de aortabifurcatie het vaakst aangetast. Het gaat dan bijvoorbeeld om de arteria femoralis, de arteria poplitea en de arteria tibialis.
Risico factoren: De risico factoren voor perifeer arterieel vaaltlijden zijn dezelfde als die voor atherosclerose en bestaan uit familiaire belasting, hypercholesterolemie en leefstijl factoren. Zie pagina hiervoor.
Symptomen: Een belangrijk symptoom van perifeer arterieel vaatlijden aan de onderste extremiteiten is pijn of kramp in de bil- of beenspieren. Als deze pijn ontstaat tijdens het lopen en weer afneemt in rust noemen we dit claudicatio intermittens (etalage benen). Andere symptomen zijn koude voeten en zwakke arterile pulsaties. De huid wordt bleek bij heffen en rood bij afhangen van de voet. Bij ernstige ischemie is er sprake van rustpijn en huidafwijkingen. De pulsaties zijn meestal niet meer te voelen. De pijn treedt vaak s nachts op en neemt af bij afhangen van de voet. Aan de huid worden atrofie, verminderde beharing, ulcera en gangreen gezien. Arterile ulcera zijn pijnlijk droog en zitten meestal op de tenen en hak, soms op de voeten en onderbenen.
Diagnostiek: De diagnose wordt vermoed op grond van de klachten en de bevindingen bij het lichamelijk onderzoek. Ter bevestiging wordt een enkel armindex bepaald. Een enkel armindex lager dan 0,9 bevestigt perifeer arterieel vaatlijden. Bij klachten van ernstige ischemie worden met behulp van duplexonderzoek de ernst en de plaats van vernauwing of aansluiting vastgesteld. Invasiever vaatonderzoek, zoals CT- of MRI-angiografie met contrastvloeistof, is soms nodig voorafgaand aan een operatie.
Behandeling: De behandeling van perifeer arterieel vaatlijden is bedoeld om klachten te verminderen en erger te voorkomen. Het is belangrijk om de risicofactoren aan te pakken. Bewegen is het belangrijkst. Vooral looptraining onder begeleiding van een fysio- of oefentherapeut helpt goed. Regelmatig wandelen verbetert de doorbloeding en is ook goed voor de algemene gezondheid. Daarnaast zijn gezonde leefgewoonten belangrijk, zoals stoppen met roken en gezond eten. Goede voetverzorging is extra belangrijk bij wondjes die slecht genezen. Om de kans op een afsluiting van een bloedvat te verkleinen, krijgt bijna iedereen een bloedverdunner (meestal een medicijn dat bloedplaatjes minder laat samenklonteren). Soms worden ook medicijnen gegeven tegen hoog cholesterol of hoge bloeddruk. Als de klachten ernstig zijn, kan een operatie nodig zijn. Bijvoorbeeld een dotterbehandeling of een bypassoperatie.
Aneurysma is een abnormale verwijding van meer dan 50 procent van de normale diameter van een arterie.
Etiologie en pathofysiologie: Een aneurysma ontstaat uit een zwakke plek in de vaatwand, als gevolg van een combinatie van genetische factoren, ontstekingsmediatoren en chronische stress op de vaatwand. Ook infectie en trauma kunnen een aneurysma veroorzaken. Het gevaar van zon zwakke plek in een arterie is dat deze gemakkelijk kan scheuren, wat een levensbedreigende bloeding in de buikholte, thorax en hersenen kan opleveren.
Risicofactoren: De belangrijkste risicofactoren voor het ontwikkelen van een aneurysma zijn een hogere leeftijd, roken, hypertensie, atherosclerose en mannelijk geslacht. Ook mensen met en bindweefselaandoening, zoals het syndroom van Marfan, lopen meer risico op het ontwikkelen van aneurysmas. Aneurysmas kunnen in alle arterin voorkomen, maar het abdominale deel van de aorta is het vaakst aangedaan; we spreken van een aneurysma van de abdominale aorta als diameter groter is dan 3 centimeter. De diameter van een AAA neemt in de loop van jaren geleidelijk toe met gemiddeld 10 procent per jaar, maar kan ook sneller groter worden.
Symptomen: In het beginstadium geven de meeste AAAs geen klachten, waardoor het vaak niet bekend is dat iemand een AAA heeft. Grotere AAAs kunnen pijnklachten in buik, rug en flanken veroorzaken, maar deze pijn kan ook een teken zijn dat het aneurysma gebarst is. Soms is er een pulserende massa voelbaar in de buik of is er een ruis hoorbaar bij het luisteren naar de aorta.
Diagnostiek: Een asymptomatisch AAA wordt vaak bij toeval ontdekt als om andere redenen lichamelijk of beeldvormend onderzoek van buikorganen plaatsvindt. Het klinische vermoeden op een AAA wordt bevestigd met beeldvorming: echografie, CT-abdomen en soms MRI. Asymetrische AAAs worden bij voorkeur jaarlijks gecontroleerd met echografie. Bij een symptomatisch AAA wordt bij voorkeur een CT-scan gemaakt, waarbij angiografie van de aorta nodig kan zijn voor de planning van de herstelbehandeling.
Behandeling: De behandeling van een AAA hangt af van de grootte van het aneurysma. Is het aneurysma kleiner dan 5,5 cm en zijn er geen klachten? Dan wordt er meestal afgewacht. De patint komt jaarlijks op controle en moet risicofactoren verminderen. Stoppen met roken is hierbij het belangrijkst, omdat dit de groei van het aneurysma kan vertragen. Is het aneurysma groter dan 5,5 cm of geeft het klachten? Dan is behandeling nodig, omdat de kans op een scheur (ruptuur) groter wordt. Meestal wordt gekozen voor een EVAR. Hierbij wordt via de lies een stent in de aorta geplaatst. Dit is minder zwaar dan een open operatie en geeft minder kans op complicaties. Soms is een open operatie nodig. Daarbij wordt het verwijde deel van de aorta vervangen door een kunststofbuis (vaatprothese). Dit is een grote en ingrijpende operatie.
Complicaties en prognose: Complicaties van een AAA zijn ruptuur en trombusvorming met embolien naar de benen en voeten. Het risico op een ruptuur neemt toe naarmate het aneurysma groter wordt. Een acute ruptuur heeft vaak een direct fatale bloeding in de buik tot gevolg. Zorgvragers die wel het ziekenhuis halen, hebben een hemoragische shock met hypotensie en tachycardie, en vaak pijn in de buik, flank of rug, met verminderde pulsaties in de been arterien.
Hartfalen of decompensatio cordis is een klinisch syndroom. Word veroorzaakt doordat de pompfunctie van het hart tekortschiet voor de behoefte van het lichaam. Een structurele/functionele afwijking van het hart. Kan acuut of geleidelijk ontstaan, soms is het tijdelijk en kan de pompfunctie zich herstellen. Chronisch progressief.
Risicofactoren: Verhoogd risico bij zorgvragers met: Hartaandoeningen zoals coronaire hartziekten, hartklepaandoeningen, ritmestoornissen, hypertensie, hypercholesterolemie, chronische ziekten zoals diabetes mellitus en COPD. Obesitas of leefstijlfactoren zoals roken.
Pathofysiologie: De pompfunctie van het hart schiet tekort, met als gevolg forward failure en backward failure. Forward failure is het onvoldoende rondpompen van bloed naar weefsels en organen> tekort aan zuurstof en voedingsstoffen. Backward failure is het onvoldoende wegpompen van bloed uit de weefsels en organen> stuwing in de aanvoerende vaten naar het hart en vocht hoopt zich op in weefsels en organen. Als vooral de linkerventrikelfunctie is aangetast, wordt ook wel van linkszijdig hartfalen of links decompensatie gesproken. Forward failure van de linkerventrikel zorgt voor onvoldoende doorbloeding in de grote circulatie> door zuurstoftekort in weefsels en organen ontstaat vermoeidheid. Backward failure van het linkerventrikel zorgt voor ophoping van vocht in de longen (longoedeem) > verminderde gaswisseling en daardoor kortademig. Forward failure van de rechterventrikel zorgt voor onvoldoende doorbloeding in de kleine circulatie. Backward failure van de rechterventrikel zorgt voor ophoping van vocht in de perifere venen. Bij systolische hartfalen is er sprake van systolische disfunctie met of zonder diastolische disfunctie. Bij diastolische hartfalen is er alleen sprake van diastolische disfunctie, systolische disfunctie is normaal. Bij systolische disfunctie wordt er door ventrikels minder bloed uitgepompt. De myocardcellen zijn verzwakt. Bij diastolische disfunctie wordt het hartfalen bepaald door een verstijving van het hart. Door het meten van ejectiefractie kan het verschil tussen systolisch en diastolisch hartfalen bepaald worden.
Etiologie: Hartfalen wordt veroorzaakt door onderliggende structurele of functionele afwijkingen van het hart, die voor verzwakking of juist verstijving van de hartspier zorgen. Oorzaken die zorgen voor aantasting van de werking van de hartspier: ischemie, toxiciteit, inflammatoire, infiltratie, metabole en genetische afwijkingen. Oorzaken die zorgen voor overbelasting van de hartspier: Hypertensie, pulmonale hypertensie, hartklepafwijkingen, pericardaandoeningen, hoge cardiac output, volume belasting . Beide kunnen door ritme en geleidingsstoornissen veroorzaakt worden.
Symptomen: Ze variren per zorgvrager. Vermoeidheid, kortademigheid in rust/inspanning en oedeem zijn kernsymptomen. Symptomen bij linkszijdig ventrikelfalen:
o Overmatige vermoeidheid
o Dyspneu
o Orthopneu
o Cyanose
o Hoesten
o Palpitaties
o Oligurie
o Verwardheid en geheugenproblemen
o Duizeligheid, syncope
o Depressie
Symptomen bij rechtszijdig ventrikelfalen:
o Oedeem (voeten, enkels, onderbenen en buik)
o Nycturie
o Gewichtstoename
o Opgezette buik (door vergrote lever en ascites)
o Verminderde eetlust
Diagnostiek: Gegevens uit de anamnese. Aanwijzingen voor hartfalen bij lichamelijk onderzoek zijn: gestuwde halsvenen, crepitaties bij auscultatie van de longen, tachypneu, tachycardie, afwijkende harttonen en souffles bij auscultatie van het hart, vergrote lever en ascites bij buik onderzoek en perifeer oedeem. Aanvullend onderzoek: sommige oorzaken van hartfalen geven zichtbare afwijkingen in een ECG. Een MRI-scan van het hart is de gouden standaard om de functie van het hart te meten en klep- en andere hartafwijkingen in beeld te brengen. Ook wordt er bloedonderzoek gedaan.
Behandeling: Met preventieve maatregelen wordt geprobeerd verdere achteruitgang van de hartfunctie te voorkomen. Verder richt de behandeling zich op het verminderen van de klachten, verbeteren van kwaliteit van leven en op het reduceren van de mortaliteit en risico op ziekenhuis opname. Behandeling bestaat meestal uit medicatie. Als dit onvoldoende is, worden implanteerbare devices ingebracht om de hartfunctie te ondersteunen. Bij eindstadium is een harttransplantatie een optie. (ZIE BLZ 121 VOOR DETAILS.)
Complicaties: Verminderde kwaliteit van leven, ritmestoornissen, acute hartstilstand en overlijden. Verminderde doorbloeding van de hersenen zorgt voor cognitieve stoornissen, verwardheid en onrust. Bij hartfalen door atriumfibrilleren is er een verhoogd risico op stolselvorming in het hart > CVA. Levensbedreigende complicatie van chronisch hartfalen is acute verergering. Acute vermindering van linkerventrikelfunctie zorgt voor acuut longoedeem met respiratoire insufficintie en kan tevens tot cardiogene shock leiden. Acuut hartfalen bij onvoldoende herstel leiden tot chronisch hartfalen.
Prognose: Als het niet adequaat wordt behandeld > slechte prognose.
Verpleegkundige aandachtspunten: Voorlichten en begeleiden van de zorgvrager met hartfalen en zijn omgeving. Kwaliteit van leven bij hartfalen wordt bepaald door vier essentile leefregels die je als verpleegkundige kan ondersteunen: medicatie stipt innemen, natriumbeperkt eten, vochtinname beperken en dagelijks wegen. De verpleegkundige moet fysiologische veranderingen signaleren.
Ritme- en geleidingsstoornissen van het hart: Het normale hartritme waarbij prikkels ontstaan in de sinusknoop, wordt sinusritme genoemd. Bij hartritmestoornissen of aritmin zijn de elektrische prikkels niet in de sinusknoop ontstaan, maar elders in het hart. Bij supraventriculaire ritmestoornissen ontstaan afwijkende elektrische prikkels in de atria of in de scheidingswand tussen de atria en ventrikels. Deze prikkels worden (deels) voortgeleid naar de ventrikels, waardoor er een samentrekking van het hart op volgt. Bij ventriculaire ritmestoornissen ontstaan de prikkels in de ventrikels of in het septum. De ventrikels trekken niet meer synchroon samen, omdat de myocardcellen niet meer via het prikkelgeleidingssysteem gestimuleerd worden. Bij geleidingsstoornissen is er een stoornis in de prikkelgeleiding van het hart, waardoor prikkels die ontstaan zijn in de sinusknoop vertraagd of geblokkeerd worden op de weg naar de ventrikels. Wanneer er helemaal geen elektrische activiteit en geleiding is, spreken we van asystolie. Bij de meeste mensen komen wel eens te vroeg vallende slagen, of extrasystolen voor. Deze extra slagen kunnen ontstaan in het atrium of in het ventrikel.
Etiologie van ritmestoornissen in het algemeen:
o Bestaande hartziekten
o Degeneratie
o Aanlegstoornis in het prikkelgeleidingssysteem
o Overige ziekten (bijv. COPD en schildklieraandoeningen)
o Verstoring van de homeostase
o Medicatie
o Middelen (alcohol, drugs en cafene)
Atriumfibrilleren, de meest voorkomende hartritmestoornis. Het is een supraventriculaire ritmestoornis, waarbij de atria van het hart onregelmatig en versneld samentrekken.
Risicofactoren en etiologie:
o Hogere leeftijd
o Gebruik van alcohol, cafene en drugs
o Koorts, fysieke inspanning en psychische stress.
o Hart- en klepaandoeningen
o Hypertensie, anemie, diabetes, hyperthyreodie
o Gebruik van bepaalde medicatie
Pathofysiologie: Er ontstaan prikkels vanuit verschillende plaatsen in de atria of uit de venae pulmonales, die normale prikkels vanuit de sinusknoop overrulen. Door de vele ongecontroleerde prikkels in de atria kunnen de atria niet gecordineerd samentrekken. Wel komen al die verschillende prikkels aan in de AV-knoop. Die stuurt niet elke prikkel door naar de ventrikels, maar doet dit meestal wel versneld en onregelmatig > irregulaire tachycardie. Langdurig bestaand atriumfibrilleren kan decompensatio cordis veroorzaken.
Symptomen: Zorgvragers voelen niet altijd dat het hart een afwijkend ritme heeft. Sommige klagen over palpitaties (hartkloppingen).
o Druk/pijn op de borst
o Kortademigheid
o Verminderde inspanningstolerantie
o Licht in het hoofd, gevoel flauw te vallen
o Wegrakingen
o Symptomen van complicaties
Symptomen bij lichamelijk onderzoek:
o Irregulaire tachycardie bij hart auscultatie
o Versnelde en irregulaire pols
o Verzwakte pols
o Inequale pols
Diagnostiek: Diagnose word gesteld op basis van ECG. Bij lichamelijk en aanvullend onderzoek word gekeken naar tekenen van hartfalen. Bij lab onderzoek wordt gekeken naar schildklierafwijkingen, anemie, glucose, nierfunctie en elektrolyten.
Behandeling: Kan gericht zijn op voorkomen van trombose embolische complicaties, verlaging van de hartfrequentie of herstel van sinusritme.
Medicamenteuze behandeling: Betablokkers, calciumantagonisten en glycosiden verlagen de hartfrequentie naar streef slagen p/m. Veel zorgvragers met atriumfibrilleren gebruiken antitrombotische medicatie die het risico op trombo-embolische complicaties verlaagt. (Zie voorbeelden op blz. 109). Daarnaast kan de medicamenteuze behandeling worden gericht op uitlokkende factor zoals hyperthyreodie of anemie.
Niet-medicamenteuze behandeling: Uitlokkende factoren vermijden. Herstel van sinusritme kan middels toediening van antiaritmica of een kleine elektrische schok (elektrocardioversie).
Prognose en complicaties: De levensverwachtingen van deze zorgvragers is lager en een verhoogd risico op trombo-embolische complicaties. De meest voorkomende is een CVA. Embolie kan leiden tot een acute afsluiting van een beenarterie of arterie naar de darmen. Er kunnen ook complicaties ontstaan door medicamenteuze behandeling.
Preventie: Uitlokkende factoren moeten vermeden worden. Preventie van complicaties van antitrombotische medicatie bestaat uit voorlichting en vroegtijdig contact bij tekenen van bloeding.
Verpleegkundige aandachtspunten: Je signaleert, observeert, registreert, licht voor en begeleidt zorgvragers met atriumfibrilleren. Bij veel zorgvragers die geen klachten hebben is een irregulaire en inequale hartslag een toevalsbevinding bij de controle van vitale parameters. Vrees voor onbekende gevolgen, angst voor pijn op de borst en andere klachten bespreekbaar maken. Verpleegkundige kan hulp inschakelen van andere disciplines voor opbouw van lichamelijke conditie. Juist gebruik van medicatie stimuleren.
Supraventriculaire tachycardie is een verzamelnaam voor een groep supraventriculaire ritmestoornissen met een regelmatige en zeer versnelde hartslag, vaak tussen de 160-240 slagen per minuut. Deze stoornissen ontstaan vaak aanvalsgewijs in de atria vanuit een normaal hartritme. Duur kan variren van een aantal seconden tot enkele uren.
Symptomen: Snelle, regelmatige palpitaties die gepaard gaan met pijn op de borst, kortademigheid en een licht gevoel in het hoofd.
Diagnostiek: Hartritmemonitor en ECG. Lichamelijk onderzoek is meestal niet afwijkend, op tachycardie na.
Behandeling: Vaak stopt de aanval spontaan. Soms een behandeling nodig, de nervus vagus kan geprikkeld worden. Dit doen ze door te persen op de hand, sinus caroticus masseren of ijskoud water drinken. Als het niet effectief is, kan het sinusritme worden hersteld met behulp van intraveneuze anti-aritmica of elektrische cardioversie.
Bij ventrikeltachycardie is er sprake van een versneld ritme (150-200 slagen per minuut meestal) in de ventrikels. Kan kortdurend zijn, maar kan ook langer duren zonder spontaan herstel. Snelle frequentie zorgt voor een kortere vullingstijd van het hart, waardoor cardiac output daalt. Bij langdurige VT kan het gepaard gaan met een circulatiestilstand of ventrikelfibrilleren.
Symptomen: Kortdurende VT kan asymptomatisch zijn. Langdurig kan zorgen voor shockverschijnselen met bewustzijnsdaling, bleekheid en transpireren.
Diagnostiek: Bloeddruk is laag/niet meetbaar. Pulsaties zijn zeer zwak of niet te voelen > VT zonder output. Hartritmemonitor en/of het ecg zijn typische kenmerken van een VT te zien.
Behandeling: Bij VT zonder output dient er acuut te worden gereanimeerd. Bij defibrilleren wordt een forse elektrische schok toegediend, zodat het sinusritme zich kan herstellen. Bij VT die nog wel gepaard gaat met output, probeert men het eigen normale ritme te herstellen met elektrische cardioversie of intraveneuze antiaritmica. Voor lange termijn wordt een implantable cardioverter defibrillator ICD ingebracht.
Bij ventrikelfibrilleren ontstaan ongecontroleerde elektrische prikkels op meerdere plaatsen in de ventrikels tegelijkertijd. Ventrikels kunnen niet meer gecordineerd samentrekken en gaan fibrilleren of trillen > cardiac output. We spreken dan van circulatiestilstand/hartstilstand.
Symptomen: Bewusteloos, ademt niet/nauwelijks en ziet er bleek uit.
Diagnostiek: Geen pulsaties voelbaar. Te zien op hartritmemonitor en/of ECG.
Behandeling: Acuut reanimeren. Een VF is een schokbaar ritme, met defibrillator wordt een forse elektrische schok toegediend zodat het normale sinusritme hersteld. Tijdens reanimatie door ambulance of in het ziekenhuis worden intraveneus amiodaron en adrenaline gegeven. Voor de langer termijn wordt vaak een ICD ingebracht.
Atrioventriculair blok (AV-blok) is een voorbeeld van een geleidingsstoornis. Er treedt een gedeeltelijke/volledige blokkade op in de AV-knoop, waardoor geleiding van de sinusknoop naar de ventrikels verstoord. Minder prikkels naar de ventrikels > bradycardie.
Symptomen: Kan asymptomatisch zijn. Bij ernstige vormen word je licht in het hoofd, duizelig, gevoel van flauwvallen en syncope optreden. Er kunnen ook symptomen van hartfalen zijn.
Diagnostiek: Lichamelijk onderzoek > bradycardie, wisselende/lage bloeddruk en soms tekenen shock. ECG.
Behandeling: Bij ernstige vormen van AV-blok is bij de meeste een pacemaker gendiceerd. Pacemaker is een klein onderhuids apparaatje dat met elektrische draden verbonden is met het hart. Die bewaakt het hartritme en neemt zo nodig de functie van de sinusknoop en prikkelgeleidingssysteem over door elektrische prikkels af te geven aan atria en ventrikels.
Bij asystolie is er geen elektrische activiteit meer in het hart. De myocardcellen worden niet gestimuleerd tot samentrekken, waardoor circulatiestilstand optreedt. Kan optreden na VF/VT, maar ook als eerste ritmestoornis. Hypoxie is meestal de oorzaak.
Symptomen: Bewusteloos, ademt niet en ziet zeer bleek.
Diagnostiek: Geen voelbare pulsaties. Hartritmemonitor/ECG.
Behandeling: Direct reanimeren. Tijdens reanimatie door ambulance/ziekenhuis wordt intraveneus adrenaline gegeven.
Les 3
Nierinsufficintie (nierfalen) is het gevolg van schade aan de nieren, waardoor zij hun functie niet meer goed kunnen uitoefenen.
Pathofysiologie: Bij nier insufficintie is de filtratie in de glomerulis verminderd. Dit kan leiden tot een verminderde urineproductie en een veranderde samenstelling van het bloed. De belangrijkste functies van de nier die verstoord raken bij nierinsufficintie:
o Filteren van het bloed
o Verwijdering afvalstoffen
o Regulatie van vocht en elektrolytenbalans en regulatie van de bloeddruk.
o EPO-productie
o pH-regulatie
o Activatie van vitamine D en regulatie van calcium en fosfaat
Acute nierinsufficintie (acuut nierfalen/nierschade), treedt op als er acuut (enkele uren/dagen) schade aan de nieren ontstaat met als gevolg een snel verlies van de nierfunctie. Dit kan leiden tot chronische nierinsufficintie.
Risicofactoren:
o Hogere leeftijd
o Chronische ziekten
o Medicatiegebruik
o Dehydratie en shock
o Aandoeningen urinewegen
Etiologie:
o Prerenale oorzaken. Verminderde doorbloeding van de nier en daardoor een lagere filtratiedruk.
o Renale oorzaken. De glomeruli, tubuli en het interstitium raken beschadigd.
o Postrenale oorzaken. Obstructie van de afvoerende urinewegen, waardoor urine niet goed afloopt en de druk in de nieren oploopt > lagere filtratiedruk. Ophoping van urine in pyelum heet hydronefrose.
Symptomen:
o Afname van hoeveelheid urine (oligurie en anurie)
o Verkleuring van de urine (hematurie en myoglobinurie)
o Tekenen van vochtretentie/overvulling (Oedeem, kortademigheid en gewichtstoename)
o Tekenen van ophoping van afvalstoffen (uremie, vermoeidheid, coma, verminderde eetlust, jeuk aan de huid)
Diagnostiek: Bloedonderzoek, anamnese (vragen naar mictieklachten en nefrotoxische stoffen), lichamelijk onderzoek. Bij lab>bloedonderzoek zie je een verhoogde concentratie ureum en creatine. Ook wordt er gekeken naar het bloedbeeld, ontstekingsparameters, alle elektrolyten en albumine. Bij verdenking op een postrenale oorzaak wordt een bladderscan verricht en evt urinekatheter geplaatst. Bij echografie/CT-scan word een obstructie duidelijk.
Behandeling: Wegnemen van de oorzaak. Er wordt gestreefd naar een optimale vullingstoestand, door water en zoutbeperking en soms diuretica. Elektrolyten en pH worden gemonitord. Verstoringen zoals hyperkalimie en matabole acidose worden gecorrigeerd. Medicatie die een nierinsufficintie kunnen verergeren wordt gestaakt/dosisaanpassing. Bij zeer ernstige nierinsufficintie is soms nierfunctie vervangende therapie gendiceerd.
Complicaties:
o Ernstige hyperkalimie
o Metabole acidose
o Uremische complicaties
o Longoedeem
Prognose: Nierfunctie kan zich volledig herstellen, maar in sommige gevallen gaat acute nierinsufficintie over in een chronische nierinsufficintie. Pat met anurie/oligurie hebben een minder goed uitzicht op volledig herstel. Pat met onderliggende chronische nierinsufficintie, hebben bij acute nierinsufficintie een verhoogd risico op nierfunctie vervangende therapie en terminaal nierfalen.
Preventie: Handhaven van een goede vochtbalans bij zorgvragers met een verhoogd risico op dehydratie en shock. Nefrotoxische stoffen en medicatie die van invloed is op de nierfunctie, moeten bij risicogroepen worden vermeden.
Verpleegkundige aandachtspunten: Vroeg signalering is belangrijk voor snelle behandeling en het voorkomen van chronische nierinsufficintie. Verpleegkundigen moeten alert zijn op longoedeem, hypertensie en ondervulling als overvulling bij vochtbalans. Bij acuut is het bewaken van het mictiepatroon, dagelijks wegen, meten van bloedglucose bij diabetes gevallen en vitale functies monitoren. Omgeving en zorgvrager begeleiden en voorlichten.
Chronische nierinsufficintie nierfunctie is door beschadiging van het nierweefsel langzaam (maanden-jaren) achteruit aan het gaan.
Etiologie: De meest voorkomende zijn diabetes mellitus en hypertensie. Beide aandoeningen en atheroclerose en autoimmuunaandoeningen veroorzaken schade aan kleinere bloedvaatjes in de nieren. Bij diabetes heet dit diabetische nefropathie. Andere oorzaken kunnen zijn pyelonefritis, nefrotoxische medicatie en erfelijke nieraandoeningen. Acute nierinsufficintie die onvoldoende herstelt kan overgaan naar chronisch.
Symptomen: Pas bij 60-70% uitval van de nierfunctie ontstaan er klachten:
o Vaker plassen en nycturie
o Uremie (vermoeidheid, cognitieve problemen, coma, bewustzijnsdaling, verminderde eetlust, misselijk, jeuk en een vaalgele huid).
o Vochtretentie/overvulling (oedeem en hypertensie)
o Elektrolytstoornissen en acidose (spierpijn, spierzwakte, spierkrampen tinteling gevoelsverlies).
o Anemie (vermoeidheid en bleek zien)
o Verstoorde botstofwisseling (osteoporose) en botpijn.
Diagnostiek: Jaarlijkse screening middels bloed en urineonderzoek is aanbevolen bij risicogroepen. Beeldvorming: echografie en CT-scan. (zie blz 246)
Behandeling:
o Vertragen van progressie en preventie van late complicaties
Hyperglykemie, hypertensie en protenurie zijn risicofactoren voor progressie van nierschade. Het is daarom belangrijk om het glucosegehalte en de bloeddruk goed onder controle te houden. Combinatie van antihypertensiva verlaagt de bloeddruk en gaat protenurie tegen (ook een eiwitbeperkt dieet is tegen protenurie). Gezonde leeftstijlmaatregelen remmen nierschade af. En medicamenteus te behandelen.
o Verminderen van symptomen
- Uremie, door een eiwitbeperking dieet.
- Vochtretentie, door inname zout en vocht beperking en diuretica.
- Elektrolytstoornissen, fosfaatbeperking (eiwitbeperking), fosfaatbinders en calcitriol zorgen voor een beter calcium-fosfaatbalans. Hyperkalimie kan worden bestreden door een kaliumbeperkt dieet en kaliumverlagende middelen.
- Anemie, door EPO-injecties en suppletie van ijzer, foliumzuur en vitamine B12.
- Metabole acidose, door eiwitbeperking, diuretica en evt bicarbonaat.
o Preventie van bijkomende acute nierinsufficintie
Risico op een acute verslechtering zo klein mogelijk houden, door het voorkomen van dehydratie, ondervulling en het gebruik van nefrotoxische middelen.
o Aanpassen van medicatie
Verminderde eliminatie in de nieren kan zorgen voor dat medicatie een te hoge bloedspiegel bereikt > risico op toxiciteit. Hiervoor regelmatige bloedspiegel controle en zo nodig dosis aanpassing.
o Nierfunctievervangende therapie, bij nierfalen (eGFR van minder dan 15 ml/min/1,73m2) is nierfunctievervangende therapie nodig. Deze therapie bestaat uit nierdialyse en niertransplantatie (hemodialyse en peritoneale dialyse). Een donornier wordt in de onderbuik aangesloten op bloedvaten en de blaas. Hierna gebruikt de zorgvrager medicatie die het immuunsysteem onderdrukt om de kans op verstoting te verkleinen. Zie blz 247 voor 2 soorten dialyse.
Bij een niertransplantatie wordt een donornier in de onderbuik aangesloten op de bloedvaten van de blaas. Na transplantatie moet de zorgvrager medicatie gebruiken die het immuunsysteem onderdrukt om kans op afstoting te verkleinen.
Complicaties:
o Hart- en vaatziekten door hypertensie
o Hartritmestoornissen door hyperkalimie
o Osteoporose met fracturen en botpijn door een verstoorde calcium en fosfaatbalans.
o Hartfalen door vocht en zoutretentie en door anemie
o Pericarditis, pleuritis en stollingsstoornis door uremie
o Jicht door ophoping van urinezuur
o Toxische doses van medicatie door afname van de uitscheiding via de nier.
Prognose: Beschadigd nierweefsel, zal niet meer herstellen.
Preventie: Huisarts/praktijkondersteuner controleert jaarlijks de nierfunctie bij risicogroepen. In een vroeg stadium de onderliggende oorzaken factoren aanpakken. Gezonde leefstijl.
Verpleegkundige aandachtspunten: Signaleren. Angst en vrees bespreekbaar maken. Screenen op ondervoeding. De omgeving en zorgvrager voldoende inlichten.
Niersteenlijden: Nier- en urinestenen zijn harde klontjes die ontstaan uit afvalstoffen in de urine. Deze stoffen lossen normaal op, maar soms blijven ze achter en vormen ze steentjes in de nieren of urinewegen. Als zon steentje vast komt te zitten, kan dat heftige pijn veroorzaken. Ook kan er bloed in de urine zitten en soms ontstaat er een blaas- of urineweginfectie. Niersteenlijden en urinesteenlijden betekenen eigenlijk hetzelfde.
Etiologie en pathofysiologie: Het precieze ontstaansmechanisme van niersteenlijden is onduidelijk. Men neemt aan dat stenen in de nieren worden gevormd door het neerslaan van ionen in oververzadigde urine. Ook ten gevolge van urineweginfecties kunnen nierstenen ontstaan, in dat geval door het neerslaan van afvalstoffen op bacterin.
Symptomen: Niet alle nierstenen geven klachten. Kleine steentjes worden spontaan uit geplast. Soms is de steen zo groot dat deze in het pyelum blijft zitten. Klachten treden wel op als een steen in de ureter vast blijft zitten en daar voor obstructie zorgt met stuwing van de urine. Zorgvrager voelt hierbij klam aan en ziet er bleek-grauw uit. Bij een typische niersteenaanval is er sprake van aanvalsgewijze, hevige krampende pijn. Dit gaat vaak gepaard met misselijkheid, braken en bewegingsdrang. De pijn kan in de flank, de zijkant van de buik, onderbuik en lies gelokaliseerd zijn, afhankelijk van de plaats waar de niersteen is vastgelopen. Bij een distaal gelegen steen in de ureter zijn er soms mictieklachten, zoals een dysurie en frequentie mictie. Soms wordt bloed in de urine gezien. Een bijkomende urineweginfectie kan zorgen voor een verhoogde temperatuur.
Diagnostiek: Naast de anamnese wordt lichamelijk onderzoek verricht. Palpatie van de buik kan eenzijdig pijnlijk zijn. Bij urineonderzoek wordt gekeken naar de aanwezigheid van erytrocyten en tekenen van een urineweginfectie. Hematurie wijst op niersteenlijden, maar afwezigheid van erytrocyten sluit een niersteen niet uit. In eerste instantie wordt spontane passage van een niersteen afgewacht en is geen beeldvorming nodig. Bij tekenen van stuwing, urineweginfectie en bij aanhoudende klachten wordt wel beeldvorming verricht ter bevestiging van een steen en stuwing in de urinewegen en nieren.
Behandeling en prognose: Bij de meeste niersteenkolieken volstaat een medicamenteuze behandeling met pijnstillers. Tijdens een aanval wordt diclofenac intramusculair gegeven en zo nodig worden opioden subcutaan of intramusculair gegeven. Als de pijn en misselijkheid voldoende afgenomen zijn, gaat men over op orale pijnmedicatie en evt. tamsulosine om de steen makkelijker te passeren. Zorgvragers krijgen het advies om de urine te zeven en de niersteen op te vangen, zodat samenstelling van de steen kan worden geanalyseerd. Bij grotere stenen die niet passeren is vergruizen of verwijderen van de stenen nodig. Bij niersteenvergruizing worden krachtige schokgolven gericht op de niersteen, die daardoor in gruis uiteenvalt. Dit gruis kan worden uit geplast. Ook kunnen nierstenen, indien nodig, endoscopisch of via een kijkoperatie worden verwijderd. Eventueel wordt er een katheter in de nier geplaatst om stuwing van de nier te ontlasten en de ureter te laten herstellen. Na verwijdering van de niersteen is de prognose gunstig, maar recidieven komen regelmatig voor.
Complicaties: Complicaties van nierstenen komen niet vaak voor. Een vastzittende steen kan leiden tot stuwing in de nieren en daardoor tot schade aan het nier weefsel met nierinsufficintie. Een bijkomende urineweginfectie kan leiden tot een sepsis.
Preventie: Voor preventie van recidieven wordt naar aanleiding van de steenanalyse een advies op maat gegeven. Voldoende drinken is belangrijk om de concentratie afvalstoffen te verdunnen.
Elektrolyten stoornissen: Stoornissen in de concentratie van elektrolyten in het bloed, en daarmee ook van de osmolaliteit, kunnen leiden tot ernstige gezondheidsproblemen, zoals neurologische en cardiologische problemen.
Natrium: Natrium regelt de vochtbalans in het lichaam en zit vooral in het bloed en het vocht tussen de cellen. We krijgen genoeg natrium binnen via voeding, vooral als keukenzout. Een teveel wordt uitgeplast. Het lichaam houdt de hoeveelheid natrium in het bloed zo constant mogelijk, maar soms kan die te laag of te hoog worden.
Bij hyponatrimie is de natriumconcentratie in het bloed verlaagd. Het bloed bevat relatief meer water in verhouding tot de hoeveelheid natrium.
Risico factoren, etiologie en pathofysiologie
Een verlaagde natriumconcentratie in het bloed kent verschillende oorzaken: Hyponatrimie is meestal het gevolg van natriumverlies. Dit kan komen door;
Nieraandoeningen,
Andere oorzaken; zoals hevig braken of ernstige diarree
Gebruik van diuretica
Een andere oorzaak is het vasthouden van te veel vocht, of het te langdurig vasthouden van vocht.
Dit kan komen door:
Een verhoogde afgifte van ADH in reactie op een onvoldoende circulatie, zodat water wordt vastgehouden.
Een (langdurige) verhoogde afgifte van ADH door bepaalde geneesmiddelen, zoals antipsychotica, antidepressiva en NSAIDs of als gevolg van SIADH.
Een excessieve vochtopname zonder zoutgebruik.
Ecstasygebruikers vormen een bijzondere risicogroep. Ecstacy stimuleert de afgifte van ADH. Wanneer ecstacy gebruikers veel water drinken, kan een watervergiftiging met ernstige hyponatrimie ontstaan.
Symptomen: De klinische verschijnselen zijn afhankelijk van de ernst van het natriumtekort en de snelheid waarmee het natriumtekort ontstaat. Bij een geleidelijk ontstane hyponatrimie hebben zorgvragers vaak vage klachten, zoals algehele malaise, vermoeidheid, maag-darmklachten en een verhoogde kans op vallen. Neurologische symptomen zijn concentratiestoornissen en hoofdpijn. Bij een ernstige en acute hyponatrimie staan neurologische symptomen op de voorgrond die het gevolg zijn van hersenoedeem, zoals verwardheid, epilepsie en coma.
Diagnostiek: De diagnose wordt mede gesteld op grond van laboratoriumonderzoek. Naast bepaling van de natriumconcentratie in het bloed, wordt ook de osmolaliteit bepaald en de hoeveelheid natrium in de urine. Dit is nodig om vast te kunnen stellen of de hyponatrimie het gevolg is van te veel water of niet.
Behandeling: Een acuut tekort aan natrium in het bloed met matige tot ernstige symptomen moet onmiddellijk worden aangevuld met hypertoon zout. Bij een chronische hyponatrimie richt de behandeling zich op de oorzaak.
Complicaties: Acute hyponatrimie kan leiden tot ernstige hersenbeschadiging of zelfs overlijden als gevolg van acuut hersenoedeem ontstaan door verplaatsing van water naar de hersencellen, als gevolg van de hogere intracellulaire osmolaliteit. Een te snelle correctie van het zouttekort bij een chronische hyponatrimie geeft risico op een andere neurologische complicatie, het osmotisch demyelinisatie syndroom.
Bij hypernatrimie is de natriumconcentratie in het bloed verhoogd. Het bloed bevat relatief minder water in verhouding tot de hoeveelheid natrium.
Risicofactoren en etiologie: De belangrijkste oorzaak van hypernatrimie is dehydratie door onvoldoende waterinname en/of een overmatig waterverlies via de nieren of via zweten. Risicogroepen zijn kinderen en ouderen, mensen die zijn opgenomen op de intensive care en zorgvragers met ontregelde diabetes. Ook bij diabetes inspidus verliest het lichaam overmatig veel water doordat er te weinig ADH wordt aangemaakt. Hypernatrimie ontstaat soms door de inname van ex-cessieve hoeveelheden zout.
Symptomen: Vaak hebben zorgvragers met hypernatrimie geen klachten. Soms hebben zij last van een droge mond, dorst en neurologische symptomen zoals rusteloosheid. Bij een ernstige hypernatrimie kan er sprake zijn van een gedaald bewustzijn, insulten en zelfs coma.
Behandeling: De behandeling is gericht op het normaliseren van de natriumconcentratie in het bloed en het aanvullen van het tekort aan water. Als er sprake is van polyurie, dan moet de oorzaak hiervan ook worden aangepakt. Polyurie zien we bijvoorbeeld bij diabetes mellitus.
Complicaties: Een ernstige complicatie van acute hypernatrimie is een hersenbloeding. Chronische hypernatrimie kan leiden tot hersenoedeem.
Kalium is belangrijk voor het in stand houden van de membraanpotentiaal en dus voor de werking van zenuwen en spieren. Het zit vooral in de cellen, we krijgen meestal genoeg via voeding en een teveel wordt via de nieren uitgescheiden.
Bij Hypokaliemie is de kaliumconcentratie in het bloed verlaagd.
Risicofactoren en etiologie: de belangrijkste oorzaken van hypokalimie zijn:
De verminderde inname van kalium. Dit komt zelden voor. In het algemeen wordt voldoende kalium ingenomen via voeding.
Verhoogde uitscheiding van kalium via de nieren:
Door het gebruik van bepaalde diuretica
Bij bepaalde syndromen
Verhoogde uitscheiding van kalium via het maag-darmkanaal door ernstige diarree
Verplaatsing van kalium van extra -naar intracellulair, dit proces treedt onder andere op bij alkalose of bij de toedieningen van insuline bij een zorgvrager met ernstige hyperglycemie
Symptomen: Milde hypokalimie veroorzaakt meestal geen klachten. Bij ernstige hypokalimie kunnen neuromusculaire problemen ontstaan.
Diagnostiek: De diagnose hypokaliemie wordt primair gesteld op grond van bloedonderzoek. Eventuele hartproblemen kunnen worden vastgesteld met behulp van een ecg.
Behandeling: Bij matige tot ernstige hypokaliemie met ecg-afwijkingen of verlammingsverschijnselen wordt meestal gestart met intraveneuze aanvulling van het kaliumtekort. Bij milde hypokaliemie kan het kaliemie tekort worden aangevuld door middel van orale kaliumsppletie. Natuurlijk moet zal ook de oorzaak moeten worden behandeld.
Complicaties: De belangrijkste complicatie is een ernstige hartritmestoornis.
Preventie: Monitoring van de kaliumspiegel is van belang bij bepaalde medicijnen en bij zorgvragers met eetstoornissen.
Hyperkalimie kaliumconcentratie in het bloed is verhoogd.
Risicofactoren en etiologie:
o Verhoogde inname van kalium
o Verminderde uitscheiding van kalium
o Verplaatsing (redistributie) van kalium van intra naar extracellulair.
Symptomen: Geen klachten vaak. Mogelijke symptomen zijn dyspneu en hypotensie. Laat symptoom is spierzwakte.
Diagnostiek: Lab onderzoek > kaliumconcentratie in het bloed.
Behandeling: Intraveneuze medicatie bij acuut. Bij chronisch gaat het om het wegnemen van de oorzaak (bijv medicatie aanpassen/voedingsgewoonte).
Complicaties en prognose: Ernstige hyperkalimie kan leiden tot hartritmestoornissen/hartstilstand.
Preventie: Regelmatige kaliumconcentratie controle. Soms een kaliumbeperkt dieet nodig.
Calcium is belangrijk voor een goede botopbouw, het gebit, de bloedstolling en het hartritme. Ook goed voor goed functioneren van de spieren en zenuwen.
Hypocalcimie: de calciumconcentratie in het bloed te laag.
Etiologie en pathofysiologie:
o Tekort aan PTH
o Tekort aan calcitriol door verminderde inname van vitamine D
o Verminderde reabsorptie
Symptomen:
o
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag