Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: Sophie2805 - 3 maanden geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Tekstboek
2
Blz.
Kerncriteria/Leerdoelen 3
Inleiding 4
Par. 11.1 - Bloed 5
Par. 11.2 - De bloedsomloop 7
Par. 11.3 - De bloedvaten 9
Par. 11.4 - Het Hart 11
Par. 11.5 - Een aantal hartaandoeningen 14
Par. 11.6 - Bloedgroepen 15
Inhoud
3
In dit hoofdstuk komen de volgende kerncriteria/leerdoelen aan bod.
-Ik kan van de verschillende bloedbestanddelen de vorm en functie beschrijven
-Ik kan de bouw en functie van het hart beschrijven
-Ik kan de bouw en functie van de bloedvaten beschrijven
-Ik kan de bloedvaten en hartdelen van de bloedsomloop in de juiste volgorde
geven
-Ik kan beschrijven hoe leefstijl het risico op hart- en vaatziekten benvloedt
-Ik kan beschrijven hoe hart- en vaatziekten behandeld kunnen worden
-Ik kan beschrijven welke bloedgroepen er zijn en verklaren wanneer een
bloedtransfusie wel/geen problemen oplevert.
Kerncriteria/Leerdoelen
4
Inleiding
Je lichaam is voortdurend aan het werk. Zelfs als je slaapt, blijven je organen
functioneren: je hersenen denken, je spieren trekken samen en je cellen nemen stoffen
op en geven afvalstoffen af. Om dit allemaal mogelijk te maken, is een goed werkende
bloedsomloop van levensbelang.
Het bloed zorgt voor het transport van zuurstof, voedingsstoffen en andere belangrijke
stoffen naar alle delen van je lichaam. Zuurstof heb je nodig voor de verbranding in je
cellen: hiermee maken cellen energie. Zonder zuurstof kunnen cellen maar heel kort
overleven. Ook voedingsstoffen, zoals glucose, moeten bij de cellen komen zodat ze
goed kunnen werken. Tegelijkertijd voert het bloed afvalstoffen, zoals koolstofdioxide, af
naar organen die deze stoffen uit het lichaam verwijderen.
Dat het bloed overal kan komen, is te danken aan het hart en de bloedvaten. Het hart
werkt als een krachtige pomp die het bloed voortdurend rondpompt. Bij elke hartslag
wordt bloed in beweging gebracht. De bloedvaten vormen samen een uitgebreid
netwerk van buizen dat door je hele lichaam loopt. Zo bereikt het bloed zelfs de kleinste
bloedvaatjes in je huid, spieren en organen.
Als het rondpompen van het bloed niet goed zou werken, krijgen organen en cellen te
weinig zuurstof en voedingsstoffen. Dit kan ernstige gevolgen hebben en zelfs
levensgevaarlijk zijn. Daarom is een gezonde bloedsomloop belangrijk voor een gezond
lichaam. In dit hoofdstuk leer je hoe de bloedsomloop is opgebouwd, hoe het hart en de
bloedvaten samenwerken en waarom het belangrijk is om goed voor je hart te zorgen.
5
Paragraaf 11.1: Bloed
Bloed is een speciale vloeistof die voortdurend door je lichaam stroomt. Een volwassen
mens heeft gemiddeld ongeveer 5 liter bloed. Bloed is onmisbaar voor het functioneren
van het lichaam, omdat het zorgt voor transport, bescherming en herstel. Het zorgt
ervoor dat je alle cellen in het lichaam zuurstof en voeding krijgen om te leven (zie
filmpje 1).
1.1. Wat zit er allemaal in bloed? (A, B, C-niveau)
Bloed lijkt n vloeistof, maar het bestaat uit
verschillende onderdelen. Deze onderdelen kun je
van elkaar scheiden met een speciale techniek die
centrifugeren heet (zie filmpje 2).
Na het centrifugeren zie je drie lagen (zie figuur 1):
Onderin: rode bloedcellen (het zwaarst)
In het midden: een dunne laag witte
bloedcellen en bloedplaatjes
Bovenin: bloedplasma (het lichtst)
Bloed bestaat dus uit bloedplasma en bloedcellen.
Bloedplasma: dit is een gele vloeistof die
vooral uit water bestaat. In het plasma zitten
voedingsstoffen (zoals glucose), afvalstoffen
(zoals CO2) en hormonen.
Rode bloedcellen: deze cellen zorgen voor
het vervoeren van zuurstof. Ze bevatten
hemoglobine, een stof die zuurstof kan
binden en het hierdoor makkelijk kan
transporteren (zie figuur 2).
Witte bloedcellen: deze cellen spelen een
hele belangrijke rol bij de afweer als je ziek
bent. Ze kunnen ziekteverwekkers, zoals
virussen en bacterin, onschadelijk maken
waardoor je weer beter wordt.
Bloedplaatjes: dit zijn kleine cellen die ervoor zorgen dat je bloed kan stollen. Zo
kun je wondjes weer dichtkrijgen waardoor het stopt met bloeden.
1.2. Functies van bloed (A, B, C-niveau)
1. Transportfunctie: het vervoert zuurstof vanuit de longen naar de cellen en
koolstofdioxide terug naar de longen. Ook voedingsstoffen uit de darmen en
afvalstoffen naar de nieren worden door het bloed vervoerd.
2. Beschermingsfunctie: witte bloedcellen beschermen het lichaam tegen
ziekteverwekkers zoals bacterin en virussen.
Figuur 1: Bloedsamenstelling na centrifugeren
Figuur 2: Rode bloedcellen die zuurstof binden en weer
afgeven.
6
3. Stollingsfunctie: bij een wond zorgen bloedplaatjes en stollingseiwitten ervoor
dat het bloeden stopt.
4. Regelfunctie: het bloed helpt bij het regelen van de lichaamstemperatuur door
warmte te verdelen over het lichaam.
1.3. Hemoglobine (C-niveau)
Hemoglobine is een speciaal eiwit die voorkomt in rode bloedcellen. Het speelt een
belangrijke rol bij het transport van zuurstof in je lichaam.
Hemoglobine kan zich binden aan zuurstof. Dat gebeurt in de longen:
In de longen is veel zuurstof aanwezig.
Zuurstofdeeltjes binden zich aan hemoglobine.
Zo ontstaat oxyhemoglobine (hemoglobine met zuurstof).
Met behulp van het bloed wordt de zuurstof vervolgens door het lichaam vervoerd. In de
organen en spieren laat hemoglobine de zuurstof weer los. De cellen kunnen deze
zuurstof gebruiken voor verbranding (het maken van energie).
Hemoglobine bestaat uit meerdere delen en bevat ijzer. Dit ijzer is nodig om zuurstof te
kunnen binden. Als iemand te weinig ijzer heeft, kan het lichaam minder goed zuurstof
vervoeren. Dat kan leiden tot bloedarmoede.
Figuur 3: Hemoglobine dat zuurstof (O2) bindt aan een ijzer-ion.
7
Paragraaf 11.2: Bloedsomloop
De bloedsomloop is het transportsysteem van het menselijk lichaam. Cellen hebben
voortdurend zuurstof en voedingstoffen nodig om te kunnen werken. Omdat cellen niet
direct in contact staan met de buitenlucht of het voedsel dat je eet, zorgt de
bloedsomloop voor het transport van deze stoffen naar de juiste plek. Tegelijkertijd
voert de bloedsomloop afvalstoffen af (zie filmpje 3).
2.1. Samenwerking tussen hart, bloed en bloedvaten (A, B, C-niveau)
De bloedsomloop bestaat uit drie belangrijke onderdelen die met elkaar samenwerken:
1. Het hart: werkt als een pomp die het bloed in beweging houdt.
2. Het bloed: vervoert stoffen zoals zuurstof, voedingsstoffen, afvalstoffen en
hormonen.
3. De bloedvaten: vormen een uitgebreid netwerk van buizen waardoor het bloed
kan stromen.
Door het voortdurend samentrekken van het hart blijft het bloed rondstromen door het
hele lichaam.
2.2 Kleine en grote bloedsomloop (A, B, C-niveau)
De mens heeft een dubbele bloedsomloop, bestaande uit (zie figuur 4):
De kleine bloedsomloop (longbloedsomloop)
Het bloed stroomt van de rechterharthelft van het hart naar de longen. In de
longen neemt het bloed zuurstof op en geeft het koolstofdioxide af. Daarna
stroomt het zuurstofrijke bloed terug naar de linkerharthelft van het hart.
De grote bloedsomloop (lichaamsbloedsomloop)
Het zuurstofrijke bloed wordt vanuit de linkerharthelft door slagaders naar alle
organen en spieren gepompt. Hier geeft het bloed zuurstof en voedingsstoffen af
aan de cellen. Het zuurstofarme bloed stroomt via aders terug naar de
rechterboezem van het hart.
Figuur 4: De kleine en de grote bloedsomloop
Doordat zuurstofrijk en zuurstofarm bloed gescheiden blijven, werkt de bloedsomloop
efficint en kunnen organen voldoende zuurstof krijgen.
8
2.3 Bloedsomloop (A, B, C-niveau)
In de onderstaande figuur 5. zie je de kleine en grote bloedsomloop. In de figuur zie je
dat de slagaders zuurstofrijk bloed vervoeren (rood) en de aders zuurstofarm bloed
(blauw). In de haarvaten (paars) wordt zuurstof afgegeven. De haarvaten bevinden zich
dus ook op de plekken waar de organen liggen. Een aantal belangrijke bloedvaten zijn
weergegeven. Deze worden verder besproken in paragraaf 11.3.
Figuur 5: Kleine en grote bloedsomloop
2.4 Inspanning (A, B, C-niveau)
Bij inspanning, zoals sporten, hebben spieren extra zuurstof en energie nodig. Het hart
gaat dan sneller en krachtiger kloppen. Zo wordt per minuut meer bloed rondgepompt.
Ook verwijden sommige bloedvaten zich, zodat het bloed sneller bij de spieren kan
komen.
9
Paragraaf 11.3: Bloedvaten
Bloedvaten vormen een uitgebreid netwerk dat door het hele lichaam loopt. Ze
verschillen in bouw en functie.
3.1 Functies van de bloedvaten (A, B, C-niveau)
De belangrijkste functie van bloedvaten is het
vervoeren van bloed. Ze zorgen ervoor dat:
Zuurstof en voedingsstoffen bij de cellen
komen;
Afvalstoffen worden afgevoerd;
Het bloed in de juiste richting blijft
stromen;
De bloeddruk gereguleerd wordt.
3.2 Soorten bloedvaten (A, B, C-niveau)
Er zijn drie soorten bloedvaten, die elk een eigen bouw en
functie hebben: slagaders, aders en haarvaten (zie figuur 6
en 7).
1. Slagaders: Slagaders voeren bloed van het hart af naar de organen toe. Het
bloed staat hier onder hoge druk, omdat het net door het hart is weggepompt. Ze
hebben daarom dikke, gespierde en elastische wanden, zodat ze de hoge
bloeddruk aankunnen.
Door de elastische wand kunnen slagaders meerekken en weer terugveren bij
elke hartslag. In de meeste slagaders stroomt zuurstofrijk bloed, behalve in de
longslagader.
2. Aders: Aders voeren bloed van de organen af terug naar het hart toe. De druk in
aders is lager dan in slagaders. De wanden zijn daarom dunner en minder
gespierd dan bij de slagaders.
Veel aders, vooral in de benen, bevatten aderkleppen. Deze kleppen zorgen
ervoor dat het bloed niet terugzakt door de zwaartekracht. Spieren helpen hierbij:
als spieren samentrekken, drukken ze de aders samen en wordt het bloed
richting het hart gestuwd.
3. Haarvaten: Haarvaten zijn de kleinste en dunste bloedvaten. Ze verbinden
slagaders met aders. De wand van een haarvat bestaat uit slechts n cellaag.
Door deze dunne wand kunnen stoffen makkelijk worden afgegeven en
opgenomen. De uitwisseling van stoffen vindt dus plaats in de haarvaten.
- zuurstof en voedingsstoffen gaan van het bloed naar de cellen.
- koolstofdioxide en afvalstoffen gaan van de cellen naar het bloed.
Figuur 6: Slagaders, haarvaten en aders
10
Figuur 7: Dwarsdoorsnede van de verschillende type bloedvaten
3.3 Aantal belangrijke bloedvaten
Hieronder lees je wat de functie is van een aantal belangrijke bloedvaten (zie figuur 8).
- Kransslagaders:
Deze bloedvaten zorgen ervoor dat het hart zelf zuurstof
en voedingsstoffen krijgt, zodat het goed kan blijven
kloppen.
- Longslagaders:
Deze brengen zuurstofarm bloed van het hart naar de
longen, zodat het daar zuurstof kan opnemen.
- Longaders:
Deze brengen zuurstofrijk bloed van de longen terug naar
het hart.
- Aorta:
Dit is de grootste slagader van het lichaam. De aorta
brengt zuurstofrijk bloed van het hart naar het hele
lichaam.
- Holle aders:
Deze brengen zuurstofarm bloed van het lichaam terug naar het hart.
3.4 Bloeddruk (B, C-niveau)
De bloeddruk is de druk waarmee het bloed tegen de wand van de bloedvaten duwt. In
slagaders is de bloeddruk hoog, in aders heel laag. Een gezonde bloeddruk is belangrijk
om het bloed goed door het lichaam te laten stromen. De bloeddruk meet je altijd in de
slagaders omdat hier de bloeddruk het hoogste is. Meestal wordt de armslagader
genomen.
Figuur 8: het hart met de verschillende bloedvaten
11
Paragraaf 11.4: Het hart
Het hart is een krachtig en onvermoeibaar orgaan dat ervoor zorgt dat het bloed blijft
rondstromen door het lichaam. Het is een holle spier ter grootte van een vuist en ligt in
de borstkas, tussen de longen en iets links van het midden. Het hart klopt gemiddeld
ongeveer 70 keer per minuut en pompt zo elke dag duizenden liters bloed rond (zie
filmpje 4).
4.1 Functie van het hart (A, B, C-niveau)
De belangrijkste functie van het hart is het rondpompen van bloed. Door deze
pompwerking krijgen alle organen en weefsels voldoende zuurstof en voedingsstoffen.
Tegelijkertijd worden afvalstoffen afgevoerd. Het hart past zich voortdurend aan de
situatie aan: bij inspanning klopt het sneller en krachtiger dan in rust.
4.2 Bouw van het hart (A, B, C-niveau)
Het hart bestaat uit vier holtes (zie figuur 9):
Rechterboezem: ontvangt zuurstofarm bloed vanuit de holle aders uit het
lichaam. Het bloed stroomt vervolgens naar de rechterkamer als de hartkleppen
open zijn.
Rechterkamer: pompt dit bloed via de longslagader naar de longen.
Linkerboezem: ontvangt zuurstofrijk bloed vanuit de longen via de longaders.
Het bloed stroomt vervolgens naar de linkerkamer als de hartkleppen open zijn.
Linkerkamer: pompt dit bloed met grote kracht via de aorta naar het hele
lichaam.
De wand van de linkerkamer is dikker dan die van de rechterkamer, omdat het bloed
naar het hele lichaam gepompt moet worden en daarvoor meer kracht nodig is.
Figuur 9: Doorsnede van het hart.
12
4.3 Hartkleppen (C-niveau)
Tussen de boezems en kamers en in de longslagader en aorta zitten kleppen. Deze
kleppen zorgen ervoor dat het bloed maar n richting op kan stromen. De kleppen
tussen de kamers en de boezems noem je hartkleppen en die tussen de kamers en de
longslagader/aorta noem je halvemaanvormige kleppen. Maar ze hebben ook een
specifieke naam (zie figuur 8):
1. Tricuspidalisklep: Zit tussen rechterboezem en de rechterkamer
2. Mitralisklep: Zit tussen de linkerboezem en de linkerkamer
3. Pumonalisklep: Zit tussen de longslagader en de rechterkamer
4. Aortaklep: Zit tussen de aorta en de linkerkamer
Ze openen en sluiten automatisch door de druk van het bloed. Zo wordt voorkomen dat
bloed terugstroomt de boezems of de kamers in.
4.4 De hartcyclus (B, C-niveau)
De hartcyclus is het geheel van gebeurtenissen tijdens n volledige hartslag. Het
beschrijft hoe het hart zich vult met bloed en het daarna wegpompt. De hartcyclus
herhaalt zich steeds opnieuw.
De hartcyclus bestaat uit drie fasen (zie figuur 10):
1. Hartrust (diastole)
Het hart is ontspannen. Zowel de boezems als de kamers vullen zich met bloed.
Bloed stroomt:
o vanuit de holle aders naar de rechterboezem
o vanuit de longaders naar de linkerboezem
De hartkleppen tussen boezems en kamers staan open.
In deze fase vult het hart zich met bloed.
2. Boezemsystole
De boezems trekken samen.
Het bloed wordt vanuit de boezems naar de kamers geperst. De kamers raken nu
volledig gevuld.
De hartkleppen tussen boezems en kamers staan open.
De boezems zorgen ervoor dat de kamers genoeg bloed krijgen.
3. Kamersystole
De kamers trekken samen.
Bloed wordt weggepompt:
o vanuit de rechterkamer via de longslagader naar de longen
o vanuit de linkerkamer via de aorta naar het lichaam
De hartkleppen tussen boezems en kamers zijn dicht, zodat het bloed niet
terugstroomt
13
Dit is het moment waarop het bloed naar de longen en het gehele lichaam wordt
rondgepompt.
Figuur 10: De hartcyclus
14
Paragraaf 11.5: Een aantal hartaandoeningen
Het hart is een spier die bloed door je lichaam pompt. Soms werkt het hart niet goed.
Dat noem je een hartaandoening. Hieronder lees je over drie veelvoorkomende
hartaandoeningen.
5.1. Hartinfarct (A, B, C-niveau)
Een hartinfarct wordt ook wel een hartaanval genoemd. Het ontstaat wanneer de
kransslagader dat het hart van zuurstof voorziet,
plotseling verstopt raakt. Hierdoor krijgt een deel van
de hartspier te weinig zuurstof en kan beschadigd
raken. Het hart kan hierdoor niet genoeg bloed meer
rondpompen (zie figuur 11).
Oorzaken:
Ophoping van vet en cholesterol in de
bloedvaten waardoor deze verstop raken. Dus
niet teveel vet voedsel eten.
Roken
Ongezonde voeding
Klachten:
Hevige pijn of een drukkend gevoel op de borst
Pijn die uitstraalt naar de arm of schouder.
Misselijk en veel zweten
Oplossing:
Dotteren: via een ballonetje, dat men opblaast in de slagader, wordt het bloedvat
weer open geduwd.
By-pass: Er wordt een omleiding gemaakt om de verstopte slagader heen, via een
ander bloedvat.
5.2. Hartritmestoornis (B, C-niveau)
Bij een hartritmestoornis klopt het hart te snel, te langzaam of onregelmatig.
Normaal klopt het hart in een vast ritme, maar bij deze aandoening is dat ritme
verstoord. Hierdoor wordt er te weinig bloed weggepompt uit de kamers van het hart.
Oorzaken:
Problemen met de elektrische signalen die het hart aansturen.
Gevolgen:
In de kamers van het hart komt te weinig bloed. Hierdoor pompt het hart per slag
te weinig bloed de aorta en de longslagader in. Te weinig bloed betekent
uiteindelijk ook minder O2 en glucose en dus te weinig energie.
Figuur 11: Hartinfarct doordat een kransslagader
verstopt is geraakt
15
Klachten:
Hartkloppingen
Duizeligheid
Kortademigheid
Oplossing:
Een pacemaker. een klein elektronisch apparaat met een batterij en computer,
gemplanteerd onder de huid, dat het hartritme regelt door elektrische
stroomprikkels te geven als de natuurlijke hartslag te traag is, zodat het hart in
een gezond ritme blijft pompen.
5.3 Hartklepafwijking (B, C-niveau)
Het hart heeft hartkleppen die ervoor zorgen dat het
bloed de juiste kant op stroomt. Bij een
hartklepafwijking werken n of meer kleppen niet
goed. Ze sluiten niet goed of gaan moeilijk open (zie
figuur 12).
Gevolgen:
Het bloed stroomt terug naar de kamers of de
boezems. Dit hangt af van welke klep niet
goed sluit.
Het hart moet harder werken om bloed weg te pompen.
Klachten:
Snel moe zijn
Kortademigheid
Opgezette enkels
Oplossing:
Vervanging van de hartklep. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document