Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Blok 2 - 01 Mensen met een migratieachtergrond
Migrantengroepen
Groepen mensen die naar een ander land gaan om verschillende redenen, zoals werk,
veiligheid of studie.
Alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv)
Een vluchteling die bij aankomst in Nederland jonger is dan 18 jaar.
Verblijfsvergunning
Een officile toestemming om in een ander land te wonen of te verblijven.
Asielprocedure
De procedure die elke vluchteling, minderjarig of meerderjarig, die asiel wil krijgen moet
doorlopen om legaal in Nederland te mogen verblijven.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM)
Registreert de persoonlijke gegevens, zoals naam, geboortedatum, nationaliteit en
vingerafdrukken van vluchtelingen.
Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)
Regelt onderdak voor de vluchtelingen.
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)
De overheidsdienst die tijdens deze procedure beoordeelt of iemand in Nederland mag
blijven wonen en Nederlander mag worden.
Kinderpardon
Een regeling voor kinderen die al heel lang in Nederland wonen zonder verblijfsvergunning
en willen blijven. Om in aanmerking te komen voor het kinderpardon moet de amv jonger zijn
dan 19, asiel hebben aangevraagd voor zijn 13e verjaardag en vijf jaar of langer
onafgebroken in Nederland hebben gewoond.
Inburgeren
De nieuwe Nederlander gaat actief aan de slag om de Nederlandse taal te leren beheersen
en daarnaast verdiept hij zich in de Nederlandse cultuur.
Naturalisatie
Asielzoeker wordt Nederlander en heeft dezelfde rechten en plichten als iedereen.
Gezinshereniging
De nieuwe Nederlander kan proberen zijn gezin of een deel van zijn familie naar Nederland
te halen voor hervestiging. Het gezin of de familieleden mogen dan ook verhuizen naar
Nederland. Hierbij is het belangrijk dat deze gezins- of familieleden kunnen aantonen dat ze
cht familie zijn, met een bewijs zoals geboorte- en trouwaktes. Daarnaast komt het voor dat
er een DNA-test wordt afgenomen.
Integratie
Betekent dat mensen nog een binding hebben met de cultuur waar ze vandaan komen,
maar dat ze ook verbonden zijn met de nieuwe cultuur.
Inclusie
Gaat een stapje verder dan integratie: bij integratie mogen mensen meedoen als ze zich
kunnen aanpassen, maar bij inclusie hoort iedereen er automatisch bij en zijn de drempels
daarvoor weggehaald door de maatschappij.
Sociale segregatie
Het sociale netwerk van migranten bestaat vooral uit mensen uit hun eigen cultuur.
Culturele assimilatie
Migranten laten hun oude cultuur helemaal los en nemen ze de nieuwe cultuur over.
Marginalisatie
Migranten hebben geen binding met de oude cultuur en ook niet met de nieuwe cultuur. Ze
vallen dan buiten beide culturen.
Cultuursensitiviteit
Het waarnemen van culturele verschillen zonder waardeoordeel. Met jouw houding en
gedrag maak je duidelijk dat je begrijpt en waardeert dat mensen in verschillende culturen
leven.
02 Mensen met een verstandelijke beperking, ASS of
neurocognitieve stoornis
Verstandelijke beperking
Iemand is minder goed in staat om logisch te redeneren en kan hij in mindere mate voor
zichzelf zorgen en zelfstandig beslissingen nemen.
Adaptieve vermogens
De vermogens die een persoon nodig heeft om zelfstandig zijn leven in te kunnen richten.
Conceptuele vaardigheden
Gaan over het denken, zoals het bedenken van oplossingen voor een probleem, het
geheugen, onthouden, een plan maken en uitvoeren, maar ook vaardigheden als rekenen,
lezen en schrijven vallen hieronder.
Sociale vaardigheden
Heb je nodig in de omgang met anderen. Hiertoe behoort bijvoorbeeld dat je kunt
communiceren, inlevingsvermogen hebt, sociale signalen kunt interpreteren en
vriendschappen kunt aangaan en onderhouden.
Praktische vaardigheden
Gaat het om het uitvoeren van allerlei taken om praktisch te kunnen functioneren in het
dagelijks leven. Denk aan boodschappen doen, persoonlijke verzorging, het huishouden
organiseren, bankzaken regelen of kinderen opvoeden.
Comorbiditeit
De persoon heeft twee of meer aan elkaar gerelateerde aandoeningen.
Autismespectrumstoornis (ASS)
Een persoon heeft problemen op het gebied van sociale interactie, communicatie, flexibiliteit
in denken en handelen en het filteren en samenvoegen van informatie.
Pervasieve ontwikkelingsstoornis
Een stoornis die diep doordringt in de ontwikkeling en veel invloed heeft op het algehele
functioneren van de betrokkene.
Novo-mutatie
Genetische mutatie (verandering van een gen), die een rol zou kunnen spelen bij het
ontstaan van een autismespectrumstoornis.
Joint attention
Gebruik maken van sociale gebaren, zoals het vermogen tot gezamenlijke aandacht.
Neurocognitieve stoornis (NCS)
Wordt gekenmerkt door tekortkomingen in de cognitieve functies, zoals geheugen, taal,
orintatie, aandacht, probleemoplossend vermogen, plannen maken, redeneren.
Ziekte van Alzheimer
De ziekte kenmerkt zich in de eerste plaats door een duidelijke achteruitgang in het
geheugen en het leervermogen. Vervolgens worden ook steeds meer problemen ervaren
met betrekking tot de andere cognitieve domeinen.
Vasculaire dementie
Een achteruitgang te zien in de complexe aandacht, zoals de verwerkingssnelheid, en de
executieve functies.Veroorzaakt door een verminderde doorbloeding en beschadiging van
de hersenen. Vaak na een beroerte of TIA (tijdelijke afsluiting van het hersenvat)
Aboulie
Betrokkene verliest zijn of haar wilskracht.
Frontotemporale dementie
Het voorste gedeelte van de hersenen is aangetast, doordat hersencellen in de frontaalkwab
(het gedragsgebied) en de temporaalkwab (het taalgebied) afsterven.
Lewy body dementie
Er zijn schommelingen in de cognitieve achteruitgang; vooral variaties in het bewustzijn en
de aandacht vallen daarbij op.
03 Mensen met een lichamelijke of zintuiglijke beperking
Lichamelijke beperking
Wanneer iemand zijn bewegingsmogelijkheden, door een probleem aan de lichaamsdelen,
zijn verstoord.
Fysieke afwijkingen
Als een persoon lichaamsdelen heeft die niet volgroeid of beschadigd zijn.
Functionele afwijkingen
Bepaalde lichamelijke functies zijn verstoord.
Dwarslaesie
De zenuwbanen in het ruggenmerg onderbroken.
Spieratrofie
De spieren worden steeds dunner en verliezen kracht.
Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS)
Er is iets mis met de zenuwbanen die de verbinding vormen tussen hersenen en spieren. De
cellen van deze zenuwbanen vallen geleidelijk uit en ze geven geen signalen meer door aan
de spieren.
Multiple sclerose (MS)
Een ziekte aan het centraal zenuwstelsel. Zenuwen komen door MS bloot te liggen en geven
minder goed of geen signalen door van en naar de hersenen.
Osteoporose
Door veroudering, meer bot afgebroken dan aangemaakt. Hierdoor worden de botten broos.
Artrose
Het kraakbeen wordt dunner en onregelmatig.
Reumatode artritis
Een chronische ontsteking van gewrichten (vooral in handen en polsen)
ICD-11 International Classification of Diseases and Related Health Problems
Een lijst met ziekten en lichamelijke aandoeningen voor het classificeren van de
beperkingen.
ICF (International Classification of Functioning, Disability and Health)
Dit is een soort woordenboek dat helpt om het functioneren van mensen en hun problemen
tijdens dat functioneren te beschrijven.
Doofblind
Wanneer iemand slecht of niet hoort n niet of slecht ziet.
Auditieve beperking
Slechthorendheid en doofheid
Visuele beperking
Slechtziendheid en blindheid
Ernstig meervoudige beperking (EMB)
Een combinatie van een lichamelijke beperking, een zintuiglijke beperking en een ernstig
verstandelijke beperking (ontwikkelingsniveau van onder de twee jaar)
Prikkelverwerkingsstoornis
De zintuigen werken niet goed samen en prikkels uit de omgeving worden onvoldoende
geregistreerd of juist overgeregistreerd.
04 Mensen met een stemmingsstoornis, angststoornis of trauma
Psychopathologie
Het vakgebied dat zich bezighoudt met psychische stoornissen.
DSM-5 (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, 5e editie)
Een diagnostisch en statistisch handboek van psychische stoornissen. Het cijfer 5 betekent
dat het de vijfde versie is.
Psychische stoornis
Wanneer afwijkende gedachten, gevoelens en gedragingen zorgen voor psychisch lijden (bij
zichzelf of de omgeving) n voor beperkingen in het sociale en beroepsmatige functioneren.
ICD-11 (International Classification of Diseases and Related Health Problems)
Een lijst met ziekten en lichamelijke en psychische aandoeningen, wordt ook gebruikt voor
het classificeren van psychische aandoeningen.
ICF (International Classification of Functioning, Disability and Health)
Een soort woordenboek dat helpt om het functioneren van mensen en hun problemen tijdens
dat functioneren te beschrijven.
Psycholoog
Een hulpverlener bij wie mensen terechtkunnen met psychische klachten en milde vormen
van psychopathologie.
Psychiater
In de basis een arts, die zich vervolgens gespecialiseerd heeft in ernstige psychische
klachten en psychopathologie.
Stemmingsstoornis
Een stoornis waarbij de stemming is verstoord.
Depressieve stemmingsstoornis
Een persoon heeft last van hevige neerslachtigheid.
Depressieve stoornis
Als de klachten van een depressieve stemmingsstoornis minimaal twee weken aanhouden.
Chronisch depressieve stoornis
Als de klachten van een depressieve stemmingsstoornis langer dan twee jaar aanwezig zijn.
Bipolaire stemmingsstoornis
Perioden van neerslachtigheid, deze worden afgewisseld met manische perioden.
Manie
Wanneer er sprake is van een verhoogde activiteit en energie.
Angststoornis
De betrokkene ervaart overmatige, overdreven angst.
Specifieke fobie
Een persoon is overdreven bang voor een specifiek object of een specifieke situatie.
Paniekstoornis
Een persoon heeft last van paniekaanvallen.
Paniekaanval
Een plotselinge golf van intense angst of intens onbehagen.
Agorafobie
samenkomen.
Houdt in dat iemand angstig is op openbare plekken en/of plekken waar veel mensen
Gegeneraliseerde angststoornis
Een persoon met een overmatige angst en bezorgdheid ten aanzien van allerlei
gebeurtenissen en activiteiten.
Obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen
Hebben met elkaar gemeen dat er sprake is van een obsessie: iemand is in zijn gedachten
onophoudelijk bezig met een bepaald onderwerp.
Een obsessieve-compulsieve stoornis
Iemand heeft last van obsessies (dwanggedachten) en compulsies (dwanghandelingen)
Verzamelstoornis
Als een persoon het lastig vindt om bezittingen weg te doen en hierdoor onnodig veel
spullen om zich heen verzamelt.
Psychotrauma of stressorgerelateerde stoornis
Als een gebeurtenis psychische symptomen bij een persoon uitlokt.
Aanpassingsstoornis
Als het een persoon niet lukt om zich aan te passen aan negatieve veranderingen,
gebeurtenissen of stressoren in het leven.
Trauma
Een persoon is met een feitelijke dood of dreigende dood, ernstige verwondingen of
(seksueel) geweld is geconfronteerd.
Normale stressreactie
Van slag zijn na het meemaken van een trauma.
Acute stressstoornis
Als de psychische symptomen als gevolg van een trauma langer dan 3 dagen aanhouden.
Posttraumatische stressstoornis (PTSS)
Als de psychische symptomen als gevolg van een trauma langer dan 1 maand aanwezig
zijn.
05 Huiselijk en seksueel geweld
Huiselijk geweld
Fysiek of psychisch geweld gepleegd door iemand uit de huiselijke kring
Lichamelijke mishandeling
Betreft alle vormen van lichamelijk geweld en varieert van zeer licht tot zwaar geweld.
Lichamelijke verwaarlozing
Betekent dat ouders voor langere tijd onvoldoende aandacht besteden aan de lichamelijke
basisbehoeften van het kind.
Psychische mishandeling
Dan wordt er schade aangebracht in de emotionele en/of persoonlijkheidsontwikkeling
Psychische verwaarlozing
Ze weten vaak niet beter en besteden zowel op emotioneel als op pedagogisch vlak te
weinig aandacht aan hun kind
Opvoedonmacht
Ouders weten niet goed hoe zij met een situatie of het kind zelf om moeten gaan en
daardoor het kind mishandelen
Ouderenmishandeling
Het handelen of juist het nalaten van handelen, dat ervoor zorgt dat er sprake is van
lichamelijke en/of psychische en emotionele en/of materile schade bij ouderen
Eergerelateerd geweld
Alle vormen van dwang, psychisch en lichamelijk geweld waarmee wordt voorkomen dat een
persoon iets doet waarmee de familienaam wordt bezoedeld
Mishandeling
Het toebrengen van lichamelijk en/of psychisch letsel.
Verstoting
De eerschender wordt verstoten uit de familie en mag geen contact of steun meer zoeken.
Achterlating
herkomst.
De vermeende eerschender wordt achtergelaten of teruggestuurd naar het land van
Huwelijksdwang
Een gedwongen huwelijk met een, volgens de familie, geschikte huwelijkskandidaat.
Eerwraak
Ook wel eremoord genoemd. Dit is de meest extreme vorm van eergerelateerd geweld. Het
wordt meestal door meerdere familieleden besloten dat het slachtoffer wordt vermoord om
de familie-eer te herstellen.
(Ex-)partnergeweld
Alle vormen van geweld tussen (ex-)partners of een (constante) geweldsdreiging.
Common couple violence
veelvoorkomend partnergeweld
Intimate terrorism
intiem terrorisme, een ernstige vorm van partnergeweld
Violent resistance
Gewelddadig verzet. een (ex-)partner verzet zich tegen het geweld van de andere
(ex-)partner.
Divorce violence
Wanneer de (ex-)partners niet over voldoende sociale intelligentie, sociale vaardigheden of
veerkracht beschikken kan de strijd ontaarden in geweld.
Seksueel geweld
Alle vormen van seksuele mishandeling, seks tegen je wil of seks onder dwang.
Seksueel grensoverschrijdend gedrag
Wanneer een persoon iets seksueel doet bij een ander, wat de ander niet wil.
Aanranding
Iemand seksueel aanraken zonder dat die persoon het wil, of het slachtoffer wordt
gedwongen de geslachtsdelen van een ander aan te raken.
Verkrachting
Het seksueel binnendringen van het lichaam onder dwang of zonder toestemming
Seksueel misbruik
Seksuele aanrakingen of handelingen waarbij er sprake is van een ongelijkwaardige relatie
Incest
Wanneer er seks tussen directe familieleden plaatsvindt
(Online)Grooming
Een proces waarbij een pleger het vertrouwen wint van het slachtoffer met als doel het
slachtoffer seksueel te misbruiken. Dit kan zowel online als offline (in het echt)
Pedofiel
Iemand die een seksuele voorkeur heeft voor kinderen.
Online seksueel geweld
Wanneer er online over de grenzen van een ander wordt gegaan in seksueel contact
Ongewenst sexting
Seksueel getinte fotos, berichtjes of videos ongevraagd doorsturen, en het ontvangen van
ongewenst seksueel materiaal.
Exposen
te plaatsen.
Iemand publiekelijk te schande maken door teksten en/of beeldmateriaal van iemand online
Deepfake
Er wordt een filmpje gemonteerd waarin het hoofd van het slachtoffer op het naakte lichaam
van een ander wordt geplaatst.
Shame sexting
Naaktbeelden worden ongevraagd verspreid.
Sextortion
Naaktbeelden van het slachtoffer worden gebruikt om het slachtoffer te bedreigen, te
chanteren of af te persen.
Catfishing
Iemand doet zich voor als een ander, vergelijkbaar met grooming. In dit geval is het doel van
de pleger een relatie met iemand op te bouwen voor aandacht, geld, of het verkrijgen van
naaktfotos of videos.
Freeze of fawn reactie
Staat voor de reactie die iemand geeft wanneer hij slachtoffer wordt van seksueel geweld;
bevriezen of meewerken.
Victim blaming
het slachtoffer de schuld geven van het seksuele geweld dat hem is overkomen.
Genitale respons
de reactie van de genitalin tijdens seksueel geweld, is een natuurlijke reactie van het
lichaam en zegt niets over consent.
Meldcode
Helpt professionals bij het signaleren en handelen bij (vermoedens van) kindermishandeling,
eergerelateerd geweld en seksueel misbruik aan de hand van een vijf-stappenplan.
Veilig Thuis
een advies- en meldpunt waar vragen gesteld kunnen worden en uiteindelijk melding
gedaan kan worden van een situatie.
Kindcheck
Er moet worden nagegaan of er goed voor de kinderen wordt gezorgd en of de kinderen
daar veilig opgroeien.
Uithuisplaatsing
betekent dat een kind niet in het eigen gezin woont maar ergens anders, bijvoorbeeld in een
pleeggezin, gezinshuis of instelling.
Onveilige thuissituatie
een situatie zijn waarin het kind wordt mishandeld of waarin de ouders ernstige problemen
hebben
Vrijwillige uithuisplaatsing
Met toestemming van de ouders, de duur wordt ook door de ouders bepaald.
Gedwongen uithuisplaatsing
dan beslist de kinderrechter dat het kind tijdelijk ergens anders gaat wonen. Het kind wordt
dan onder toezicht gesteld. De rechter geeft een machtiging uithuisplaatsing. Deze
machtiging is maximaal een jaar geldig, maar kan verlengd worden.
06 Gedragsproblematiek en criminaliteit
Oppositioneel-opstandige stoornis (ODD)
Heeft de betrokkene vaak een boze of prikkelbare stemming, is brutaal, hatelijk,
wraakzuchtig, uitdagend en is vaak boos en ontevreden.
Normoverschrijdend-gedragsstoornis (CD)
Worden de grondrechten van anderen geschonden of houdt de betrokkene zich niet aan
maatschappelijke normen of regels.
Positief herformuleren
Je legt de nadruk op wat goed gaat en niet op wat verkeerd loopt.
Inseinen
Aangeven wanneer het gepast is om het desbetreffende gedrag in te zetten.
Sociale bekrachtiging
Houdt in dat je het kind met woorden en/of aandacht prijst om het gedrag dat het laat zien.
Materile bekrachtiging
geef je het kind, naast een sociale bekrachtiger, ook een zichtbare bekrachtiger, bijvoorbeeld
een sticker binnen een beloningssysteem.
Time-out
Als je een kind tijdelijk apart zet vanwege zijn ongewenste gedrag,
Corrigerende instructie
Je vertelt het kind wat er niet goed gaat, geeft aan wat er dan wel van hem verwacht wordt
n waarom het handig is om dat gedrag te laten zien.
Modeling
Zon leerproces waarbij anderen gedrag voordoen, dat vervolgens gemiteerd wordt,
Selffulfilling prophecy
Dit houdt in dat de voorspelling of in dit geval het etiket 'crimineel'
, ook leidt tot het uitkomen
ervan.
Gedetineerden
Mensen die een straf uitzitten.
Ex-gedetineerden
Wanneer mensen na een gevangenisstraf terugkeren in de maatschappij.
07 Laaggeletterdheid
Ongeletterdheid
Een persoon kan niet lezen en schrijven en heeft dit nooit geleerd.
Laaggeletterdheid
Je kunt wel lezen en schrijven, maar heb je moeite met het begrijpen van teksten.
Dyslexie
woorden.
Een leerstoornis waarbij de kern van het probleem ligt bij het vlot lezen en spellen van
08 Slachtoffers van mensenhandel
Mensenhandel
buiten.
Het ronselen, vervoeren en huisvesten van een persoon, met het doel om die persoon uit te
Mensensmokkel
Het illegaal vervoeren van mensen met als doel ze naar een ander land te brengen.
Arbeidsuitbuiting
Omvat een combinatie van ernstige en vaak onmenselijke omstandigheden op de werkvloer,
waarbij dwang, geweld, chantage, fraude of misleiding vaak voorkomen.
Seksuele uitbuiting
Een persoon wordt gedwongen tot het verrichten van seksuele handelingen in ruil voor
compensatie.
Criminele uitbuiting
Slachtoffers worden gedwongen tot het plegen van crimineel gedrag of tot bedelarij.
09 Samenwerken in een team
Team
Een groep professionals met een gezamenlijk doel.
Discipline
Een ander woord voor beroep of vak.
Multidisciplinaire teams
Teams die bestaan uit verschillende beroepsgroepen.
Interdisciplinaire samenwerking
Hierbij hebben alle disciplines (dus alle vakgebieden) elkaar nodig om een bepaald
probleem op te lossen.
Sociaal wijkteam
Een door een gemeente samengesteld team, met professionals van verschillende disciplines
die met elkaar samenwerken.
Integraal samenwerken
Betekent in samenhang en afstemming domeinoverstijgend samenwerken aan effectieve en
efficinte hulp en ondersteuning bij ondersteuningsvragen van inwoners in de wijk, dichtbij
en ter preventie van (escalatie van) problematiek.
10 Ketensamenwerking
Ketensamenwerking
Een samenwerkingsverband tussen diverse gespecialiseerde partijen die zowel zelfstandig
als afhankelijk van elkaar functioneren omdat ze opeenvolgende handelingen uitvoeren,
gericht op het behalen van een gezamenlijk resultaat.
Ketenzorg
Het samenhangend geheel van zorginspanningen dat door verschillende zorgaanbieders
onder een herkenbare regiefunctie wordt geleverd, waarbij het hulpverleningsproces
centraal staat (wat blijkt uit geformaliseerde afspraken tussen betrokken zorgaanbieders
over samenhang en continuteit van de zorg). In de zorgketen bestaan gradaties van
eenvoudig en strikt volgtijdelijk tot complexe zorg.
Transmurale initiatieven
Professionals van de ene organisatie gingen een aantal uren werken bij een of meer andere
organisaties.
Permanente ketens
Structurele samenwerkingsverbanden zonder einddatum.
Projectketen
Een tijdelijk samenwerkingsverband tussen verschillende professionals en instanties.
11 Sociale zekerheid
Sociale zekerheid
Een systeem dat ervoor zorgt dat mensen die tijdelijk of permanent geen loon ontvangen,
toch een minimuminkomen krijgen.
Sociale verzekeringen
Regelingen waarvoor mensen premie betalen, zoals werkloosheidsuitkeringen,
ziektekostenverzekeringen, arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en pensioenen.
Sociale voorzieningen
Regelingen voor mensen die niet genoeg hebben aan de sociale verzekeringen.
Voorzieningen zoals bijstandsuitkeringen, zorgtoeslagen en tegemoetkomingen voor
studenten worden betaald uit belastinggeld en zijn bedoeld voor mensen die anders te
weinig inkomen zouden hebben.
Volksverzekeringen
Bedoeld voor alle inwoners van Nederland en gelden voor iedereen die legaal in Nederland
woont. Ze worden meestal uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Iedereen
die een inkomen heeft, betaalt premie voor deze verzekeringen.
De Algemene Ouderdomswet (AOW)
Biedt een basispensioen aan iedereen die de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
De Algemene nabestaandenwet (Anw)
Geeft een uitkering aan nabestaanden in het geval van het overlijden van de partner. Deze
wet is ontworpen om financile steun te bieden aan partners die jonger zijn dan de
AOW-leeftijd en aan kinderen onder de 18 jaar die achterblijven na het verlies van een
ouder.
De Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
Geeft financile ondersteuning aan ouders bij de kosten van de opvoeding en verzorging
van hun kinderen tot 18 jaar oud.
De Zorgverzekeringswet (Zvw)
Heeft als doel om ervoor te zorgen dat iedereen die in Nederland woont of werkt toegang
heeft tot betaalbare zorg van goede kwaliteit.Deze wet verplicht elke inwoner om een
basisverzekering af te sluiten voor ziektekosten.
De Wet langdurige zorg (Wlz)
Regelt langdurige zorg voor mensen die permanent intensieve zorg nodig hebben.
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Geeft een uitkering aan werknemers die door ziekte of handicap niet meer kunnen werken
en voor 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden. De WAO is vervangen door de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Biedt een uitkering aan werknemers die gedeeltelijk of volledig arbeidsongeschikt zijn
geworden na 1 januari 2004. Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) of
Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)
De Ziektewet (ZW)
Biedt een uitkering aan werknemers die door ziekte niet kunnen werken en geen recht
hebben op loon vanuit hun werkgever.
De Participatiewet (PW)
Een regeling die bedoeld is om mensen te ondersteunen die (tijdelijk) niet in staat zijn om
zelf in hun levensonderhoud te voorzien.
De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
Geeft financile ondersteuning aan jongeren die door een ziekte of handicap niet of moeilijk
kunnen werken.
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (IOAW)
Biedt een uitkering aan oudere werknemers die werkloos zijn en geen recht hebben op een
WW-uitkering of andere sociale voorzieningen.
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (IOAZ)
Biedt een uitkering aan oudere zelfstandigen die hun bedrijf hebben moeten beindigen
vanwege bijvoorbeeld ziekte, ouderdom of andere omstandigheden.
De Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)
Geeft een uitkering aan mensen zonder werk die de AOW-leeftijd naderen en geen recht
hebben op andere uitkeringen of voorzieningen. Deze regeling is bedoeld om
inkomensondersteuning te bieden tot aan de AOW-leeftijd voor oudere mensen zonder werk
die niet in staat zijn om ander werk te vinden.
De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
Regelt verschillende vormen van ondersteuning, zoals huishoudelijke hulp, begeleiding,
dagbesteding en aanpassingen in huis voor mensen met een beperking, chronische ziekte
of ouderen die hulp nodig hebben om zelfstandig te kunnen blijven wonen.
Toeslagenwet (TW)
Voorziet in aanvullende financile ondersteuning voor mensen met een laag inkomen. Dit
omvat verschillende toeslagen, zoals huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag en
kindgebonden budget.
Huurtoeslag
lager inkomen.
Een vorm van financile ondersteuning voor huurders, met name voor mensen met een
Zorgtoeslag
worden.
Helpt mensen om betaalbare gezondheidszorg te krijgen zonder dat de kosten te hoog
Kindgebonden budget
een extra financile steun naast de kinderbijslag, bedoeld om ouders te helpen bij de kosten
van het opvoeden van kinderen.
Kinderopvangtoeslag
Een maandelijkse bijdrage van de overheid voor kinderopvang, berekend op basis van het
inkomen, de levenssituatie van de ouders, en het aantal kinderen dat naar de opvang gaat.
12 Wet- en regelgeving binnen sociaal werk
Participatiewet
Naast het verstrekken van uitkeringen gericht op het helpen van mensen om weer deel te
nemen aan het arbeidsproces. Deze wet stelt de gemeente verantwoordelijk om iedereen
die kan werken te ondersteunen bij het vinden van werk.
De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
Is in 2007 in werking getreden. Het doel van de Wmo is dat mensen zo lang mogelijk
zelfstandig kunnen blijven wonen en kunnen meedoen in de samenleving.
De Wet langdurige zorg (Wlz)
Regelt zorg en ondersteuning voor mensen die dat 24 uur per dag nodig hebben. Er moet
altijd iemand in de buurt zijn en de hulp en ondersteuning zijn nodig voor de rest van hun
leven.
De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz)
Is een Nederlandse wet die discriminatie verbiedt van mensen met een handicap of
chronische ziekte.
Wet verplichte ggz (Wvggz)
Regelt de rechten van mensen die te maken hebben met verplichte zorg vanwege een
psychische stoornis. De wet is erop gericht om verplichte zorg zo veel mogelijk te
voorkomen.
Wet zorg en dwang (Wzd)
Regelt de rechten bij onvrijwillige zorg of onvrijwillige opname van mensen met een
verstandelijke beperking en mensen met een psychogeriatrische aandoening zoals
dementie.
Wet forensische zorg
Zorgt ervoor dat er meer mogelijkheden zijn om mensen sneller de juiste zorg te bieden. Er
zijn twee procedures mogelijk: psychische stoornis via officier justitie Wet verplichte
geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) of verstandelijke beperking of een psychogeriatrische
aandoening rechterlijke macht via Wet zorg en dwang (Wzd)
Machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)
Inreisvisum om voor een langere tijd in Nederland te mogen verblijven.
Verblijfsvergunning regulier
Kan een persoon bij aankomst ophalen als MVV wordt goedgekeurd.
Een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
Bij deze vergunning heeft iemand geen doel meer nodig om in Nederland te mogen blijven.
Wet inburgering
De nieuwe wet die geldt voor iedereen die vanaf 1 januari 2022 inburgeringsplichtig is.
Dubbele nationaliteit
Iemand heeft meer dan n nationaliteit.
Vluchtelingenverdrag van Geneve
Hierin staat dat mensen die vervolging vrezen vanwege ras, godsdienst, nationaliteit,
seksuele voorkeur of politieke overtuiging, recht hebben op bescherming.
Europees verdrag voor de Rechten van de Mens
Dit verdrag verbiedt marteling, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
Rechten van de Europese Unie
Hierin staan de rechten en plichten van asielzoekers. Bijvoorbeeld op het gebied van
opvang, toelating en terugkeer (Ministerie van Justitie, 2022).
Jeugdwet
Is bedoeld voor kinderen, jongeren en hun ouders die hulp nodig hebben bij het omgaan
met: psychische problemen, psychosociale en gedragsproblemen, een licht verstandelijke of
lichamelijke beperking of opvoedingsproblemen.
Machtiging uithuisplaatsing
Kinderrechter geeft dan een goedgekeurde instelling toestemming om ervoor te zorgen dat
een kind of jongere tijdelijk bij een ander gezin of in een instelling kan gaan wonen.
Voorlopige ondertoezichtstelling
Een speciale vorm van de OTS. De RvdK vindt de situatie waarin een kind of jongere zich
bevindt dan zo bedreigend dat er direct moet worden ingegrepen zonder onderzoek.
Gezagsbeindigende maatregel
De zwaarste maatregel die een kinderrechter tegenover ouder(s) kan uitspreken. Het gezag
van ouders kan gestopt worden wanneer de ontwikkeling van het kind of de jongere ernstig
wordt bedreigd en ouders op korte termijn niet de verantwoordelijkheid van opvoeding en
verzorging op zich kunnen nemen.
Wet passend onderwijs
wil dat zo veel mogelijk leerlingen regulier onderwijs kunnen volgen. Alle leerlingen moeten
op een school zitten die past bij hun mogelijkheden.
Arbowet
De Arbeidsomstandighedenwet, staan regels om te voorkomen dat mensen ziek worden op
hun werk door het werk zelf of door een ongeval.
Individuele arbeidsovereenkomst
Bevat afspraken over salaris, werkuren, vakantie-uitkering en eventueel een dertiende
maand.
Collectieve arbeidsovereenkomst (cao)
Dit zijn algemene afspraken die gelden voor iedereen die werkt binnen dezelfde sector.
Gemeenschap van goederen
De bezittingen en schulden worden die je tijdens het huwelijk opbouwt in principe
gezamenlijk bezit.
Huwelijkse voorwaarden
Kunnen worden opgesteld waardoor er een andere verdeling geregeld is bij de verdeling van
bezittingen en schulden die je tijdens het huwelijk opbouwt.
Geregistreerd partnerschap
Een formele juridische relatie tussen twee personen die een alternatief biedt voor het
huwelijk.
Huisvestingswet
Regels rondom huisvesting. Het uitgangspunt van deze wet is dat iedereen mag wonen
waar hij wil. Sinds 1 januari 2024 kunnen gemeenten bepaalde groepen, zoals eigen
inwoners en mensen met bepaalde beroepen, helpen bij het vinden van een betaalbare
huur- of koopwoning.
Sociale huurwoningen
Zijn bedoeld voor mensen met een laag of gemiddeld inkomen die niet in staat zijn zelf een
huis te kopen.
Vrije sector
Woningen die niet verhuurd worden via een sociale woningbouwcorporatie, maar via een
ander bedrijf of een particulier (eigenaar van het pand).
13 Juridische kennis
Bezwaarschrift
Een formeel document dat je indient bij een overheidsinstantie of organisatie om te
protesteren tegen een besluit dat je niet eerlijk vindt.
Indieningstermijn
Termijn waarbinnen een bezwaarschrift of klacht moet worden ingediend.
Verzoekschrift
Een formeel document waarmee je een specifieke actie of beslissing van een instantie
aanvraagt, zoals financile hulp of een wijziging in een regeling.
Bezwaarformulier
Wordt gebruikt om officieel te reageren op een besluit van een overheidsinstantie of
organisatie waarmee een clint het niet eens is.
Juridische brief
Wordt gebruikt voor officile communicatie tussen partijen in juridische zaken.
Verklaringen
Zijn schriftelijke beschrijvingen van feiten of gebeurtenissen die relevant kunnen zijn in een
juridische procedure.
Getuigenissen
Zijn verklaringen van mensen die direct kennis hebben van de situatie of gebeurtenis waar
de juridische zaak over gaat.
14 Communicatie
Coderen
Het omzetten van gedachten in een specifieke boodschap.
Decoderen
precies bedoelt.
De ontvanger geeft betekenis aan de boodschap en probeert helder te maken wat de zender
Referentiekader
Ieders persoonlijke waarden en normen, ideen en gewoonten zijn van invloed op het
coderen en decoderen van boodschappen.
Mondelinge communicatie
Wanneer je je stem gebruikt om te communiceren.
Schriftelijke communicatie
Alles wat je communiceert met geschreven woorden.
Non-verbale communicatie
Het verzenden van een boodschap van zender naar ontvanger, zonder gebruik te maken
van woorden: gebaren, gezichtsuitdrukking, aanrakingen (als je dichtbij staat) en je
lichaamshouding.
Peri-verbaal
De tijd en ruimte waarin het gesprek plaatsvindt
Para-verbaal
De toon waarop iets gezegd wordt, de intonatie
Infra-verbaal
De (onbewuste) invloed van bijvoorbeeld kleuren en geuren
Supra-verbaal
Bewuste signalen die je wilt uitzenden door bijvoorbeeld je kleding
Pre-verbaal
De lichaamstaal.
Externe ruis
Een verstoring van de communicatie van buitenaf. Bijvoorbeeld door omgevingsgeluid of als
er veel andere personen aanwezig zijn.
Interne ruis
Een verstoring in de communicatie door factoren binnen het directe communicatieproces.
Semantische ruis
Een verstoring in de communicatie door het niet begrijpen van de taal van de ander.
Psychologische ruis
Een verstoring in de communicatie door jouw verwachtingen en ideen over de ander.
Taalbarrire
Wanneer gesprekspartners in hun communicatie worden belemmerd doordat een van de
twee de taal onvoldoende begrijpt.
Inhoudsniveau van communicatie
Gaat over de inhoudelijke boodschap, oftewel het onderwerp van het gesprek.
Betrekkingsniveau van communicatie
Gaat over de onderlinge relatie tussen de zender en de ontvanger.
Metacommunicatie
Communiceren over de communicatie zelf.
15 Een gesprek voeren
Actief luisteren
ander.
Dat je met volle aandacht zoekt naar de behoefte en emotie achter de boodschap van de
Gespreksdoel
Zegt iets over dat wat je wilt bereiken tijdens een gesprek.
Kennisdoel
Welke informatie wil ik de ander geven? Welke informatie wil ik van de ander ontvangen? Je
vraagt je af wat je van iemand wilt weten, of wat de ander van jou wil weten.
Houdingsdoel
Je wilt de mening en de gevoelens van de ander benvloeden.
Gedragsdoel
Je wilt het gedrag van de ander benvloeden.
Aanname
Iets dat je denkt of vindt, zonder het eigenlijk echt te weten.
Open vraag
Een vraag waarop meerdere antwoorden mogelijk zijn.
Gesloten vraag
Een vraag waarop maar n antwoord mogelijk is.
Keuzevraag
Je laat de ander uit twee of meer alternatieven kiezen.
Reflecterende vraag
Je laat de ander over zijn eigen situatie, gevoel of rol nadenken.
Confronterende vraag
Een vraag waarin de verteller attent wordt gemaakt op een tegenstrijdigheid in zijn verhaal of
houding.
Dubbele vraag
Een combinatie van twee (of meer) vragen.
Suggestieve vraag
Een vraag die aanstuurt op een gewenst antwoord.
Wondervraag
Stimuleert het zelfoplossend vermogen van de ander.
Waarom-vraag
Een vraag die vraagt naar een reden.
Halo-effect
Je baseert je algemene indruk van een persoon op slechts n positief kenmerk bij de
persoon.
Horn-effect
Je hebt de neiging om door n negatief punt dat je opvalt bij iemand, meer negatieve
eigenschappen aan diegene te koppelen.
Foutief interpreteren
Je geeft een andere betekenis aan de woorden van de ander.
Papegaaien
Het letterlijk herhalen van wat iemand vertelt, of alleen het laatste deel herhalen.
Attributie
Je rekent eigenschappen of oorzaken toe aan jezelf of aan de ander.
Fundamentele attributiefout
De neiging om gedragingen van anderen toe te schrijven aan hun persoonlijkheid of
karakter.
Situationele factoren
De (externe) factoren die buiten een persoon liggen
Dispositionele factoren
De(interne) factoren die binnen een persoon liggen.
Bagatelliseren
Als gesprekspartners de gevoelens van de ander negeren of ze maken ze minder belangrijk
dan dat ze zijn.
Moraliseren
Tijdens een gesprek de ander vertellen wat hij volgens jou moet doen.
Diagnosticeren
Conclusies trekken over een situatie zonder dat je eigenlijk precies weet wat er aan de hand
is.
Parafraseren
Herformuleren. Een kort stukje van iemands verhaal herhalen in je eigen woorden.
Smeer NIVEA
Een ezelsbruggetje dat staat voor Niet Invullen Voor Een Ander. Je kunt de gedachten van
de ander niet lezen.
Laat OMA thuis
Een ezelsbruggetje dat staat voor Oordelen, Meningen en Adviezen. Laat deze achterwege.
Neem ANNA mee
Een ezelsbruggetje waarbij de letters staan voor: Altijd Navragen, Nooit Aannemen. Het is
belangrijk dat je tijdens een gesprek niet zomaar aanneemt dat je begrijpt wat de ander zegt
of bedoelt.
Maak je niet DIK
Een ezelsbruggetje dat staat voor: Denk In Kwaliteiten. Leg tijdens een gesprek niet alle
aandacht bij wat er fout is gegaan.
Wees een OEN
Een ezelsbruggetje dat staat voor Open, Eerlijk en Nieuwsgierig. Zorg ervoor dat je
openstaat voor de ander, dat je eerlijk bent en wees nieuwsgierig naar wat de ander te
zeggen heeft.
Wees een HELD
Een ezelsbruggetje dat staat voor Herkennen, Erkennen, Loslaten en Doorgaan. Soms wil je
de ander z graag helpen dat je het probleem van de ander niet los kunt laten.
Doe als een KOE
Een ezelsbruggetje dat staat voor Kaken Op Elkaar. Soms is het goed om even helemaal
niets te zeggen en goed te kijken en te luisteren wat er nu eigenlijk gebeurt tijdens een
gesprek.
16 Specifieke gesprekken
Aanloopfase
Het begin van het gesprek en staat in het teken van de ontmoeting. Je komt binnen, zegt
elkaar gedag en schenkt eventueel wat te drinken in.
Planningfase
Fase waarin je het gesprek verder voorbereid. Je maakt afspraken met je gesprekspartner
over het verloop van het gesprek.
Themafase
nu aan bod.
Fase waarin je tot de kern van het gesprek komt. Het onderwerp dat je wilt bespreken, komt
Slotfase
Fase waarin je het gesprek afrondt. Het gespreksonderwerp is voldoende aan de orde
geweest en je besluit om het gesprek te beindigen.
Intakegesprek
Een gesprek wanneer je voor het eerst met een clint gaat werken.
Kennismakingsgesprek
Een gesprek om elkaar beter te leren kennen.
Keukentafelgesprek
Een gesprek met een clint die ondersteuning aanvraagt.
Kritiekgesprek
Een gesprek waarin je afkeuring of ongenoegen uit over het gedrag van een ander.
Klachtengesprek
Een persoon maakt zijn klacht kenbaar.
Objectieve klacht
Een terechte klacht.
Subjectieve klacht
Een niet-terechte of onredelijke klacht.
Slechtnieuwsgesprek
Een gesprek waarin de ontvanger slecht nieuws ontvangt en dat kan heftige emoties
oproepen.
Gevoelsreflectie
Daarbij omschrijf je het gevoel dat je denkt waar te nemen bij de ander, in je eigen woorden.
Evaluatiegesprek
Je gaat na in hoeverre bepaalde afspraken, handelingen of acties succesvol zijn geweest.
Functioneringsgesprek
Een gesprek tussen jou en jouw leidinggevende. Het doel van een functioneringsgesprek is
het bespreken van jouw functioneren.
Beoordelingsgesprek
Deze beoordeling wordt verteld en toegelicht. Het meetresultaat van jouw leidinggevende is
het uitgangspunt van het beoordelingsgesprek.
17 Methodisch werken
Methodisch werken
Je houdt een vaste werkwijze bij je begeleiding en ondersteuning.
Methode
Een vaste, doordachte manier van handelen om een bepaald doel te bereiken.
Methodiek
Een samenhangende set methoden.
Methodologie
methodiek.
De leer van de te volgen methoden: de theorie en de principes achter de methode of de
Doelgericht handelen
De begeleiding afstemmen op het doel dat je wilt bereiken.
Systematisch handelen
Een volgorde aanbrengen in de stappen die gezet moeten worden om het doel te behalen.
Procesmatig handelen
Hierbij sluit iedere stap aan op de volgende stap.
Bewust handelen
Weten wat je doet en waarom je het doet.
Cyclisch proces
Een proces waarbij je na de laatste stap vanzelf weer bij de eerste stap uitkomt.
18 Beginsituatie vaststellen
Persoonsgegevens
alle informatie over een gedentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon
. Dit is
informatie die ofwel direct over iemand gaat, ofwel naar deze persoon te herleiden is.
Integrale vraaganalyse
Je zoekt samen naar de ondersteuningsvraag door eerst alle benodigde gegevens boven
water te krijgen.
Draagkracht
De belastbaarheid van een clint, hierbij horen lichamelijke fitheid, een gezonde levensstijl,
voldoende sociale steun en plezier in het leven.
Draaglast
De belasting die een clint ervaart, hierbij horen ingrijpende gebeurtenissen, problemen en
hoge eisen die anderen aan je stellen. Dit noem je ook wel het balansmodel.
Balansmodel
Genventariseerde draagkracht en draaglast van een clint.
Objectieve gegevens
Meetbaar en feitelijk.
Subjectieve gegevens
Iemands mening, een beschrijving van de indruk die hij achterlaat, een beschrijving van een
gemoedstoestand, een karakterbeschrijving van iemand door begeleiders of een typering
zoals aardige jongen of rustige meid
.
Primaire gegevens
Alle informatie die je van de persoon zelf verneemt, door gesprekken te voeren of door te
observeren.
Secundaire gegevens
Krijg je uit andere bronnen, zoals de dossiers of rapportages van eerdere ondersteuners of
belangrijke naasten.
Signaleren
Als je iets opmerkt dat anders is dan normaal
Observeren
Doelgericht kijken door vooraf te bedenken waar je naar gaat kijken.
Participerend observeren
Intern observeren. Je bent dan actief bezig in de groep terwijl je meteen ook observeert.
Niet-participerend observeren
Extern observeren. Bij deze manier van observeren ben je wel aanwezig in de groep, maar
je neemt niet deel aan de activiteiten.
Vrije observatie
Je werkt met een doel, maar je observatievragen zijn nog niet concreet. Deze vorm van
observatie gebruik je vaak als vooronderzoek.
Gestructureerde observatie
Je werkt met een exact doel; je hebt een duidelijke observatievraag.
Intervalobservatie
Je observeert op wisselende tijden.
Contextuele observatie
Observatie waarbij niet de clint het middelpunt is maar zijn of haar omgeving.
Protocollaire observatie
Je maakt gebruik van een observatieprotocol en/of observatieschema.
Halo-effect
Je baseert je algemene indruk van een persoon op slechts n positief kenmerk bij de
persoon.
Horn-effect
Je hebt de neiging om door n negatief punt dat je opvalt bij iemand, meer negatieve
eigenschappen aan diegene te koppelen.
Selffulfilling prophecy
Je hebt een vooroordeel. En omdat je daar in gelooft, komt het nog uit ook.
19 Plannen maken en uitvoeren
Ondersteuningsplan
Een plan waarin je de doelen en begeleidingsafspraken beschrijft die jij en de organisatie
waarvoor je werkt samen met de clint maken.
Activiteitenplan
te komen.
Een document waarin alle activiteiten die nodig zijn staan om tot het afgesproken resultaat
Programma
Een verzameling activiteiten die volgens een vooropgezet plan of ontwerp zullen worden
uitgevoerd om zo een vooraf opgesteld omvangrijk doel te bereiken.
Activeringsplan
Een plan voor clinten die structureel passief zijn, met als doel om meer activiteit te
bewerkstelligen.
Trajectplan
Een plan dat bestaat uit een reeks samenhangende delen of activiteiten, gericht op een
groter doel.
Woonplan
zijn vastgelegd.
Een plan waarin de doelen en bijbehorende acties op het gebied van wonen van een clint
Plan van aanpak
Een praktische voorbereiding, waarbij je in detail beschrijft wat jullie gaan doen om het doel
te bereiken en hoe je gaat evalueren.
W-vragen
wie, wat, waar, wanneer en waarmee?
Werkplan
uit het plan.
Een overzichtelijke checklist bedoeld voor de uitvoering van een terugkerende deelactiviteit
Draaiboek
Een uitgebreid plan van aanpak voor meerdere samenhangende activiteiten, georganiseerd
door en voor meerdere personen.
20 Evalueren
Evalueren
Het verzamelen van informatie over een resultaat en/of proces, met als doel het te
waarderen en er conclusies uit te trekken om toe te passen in de praktijk.
Eindevaluatie
Een moment waarop je terugblikt en onderzoekt of de doelen zijn behaald en het proces
naar wens is verlopen.
Tussentijdse evaluatie
Een moment waarop je onderzoekt of je op de goede weg bent.
Productevaluatie
Het beoordelen van het resultaat.
Procesevaluatie
Het evalueren van het proces, oftewel de manier waarop het resultaat tot stand is gekomen.
Evaluatiecriteria
Aspecten waarop je je beoordeling baseert.
21 Reflecteren
Reflecteren
Het terugkijken op en nadenken over jouw eigen handelen en de achtergronden daarvan,
met als doel om jezelf te ontwikkelen en effectiever te werken.
Zelfreflectie
Alleen en op eigen initiatief reflecteren over je eigen functioneren.
Intervisie
Een groep professionals met vergelijkbare functies (vakgenoten of collegas) komt
regelmatig bij elkaar en bespreekt praktijksituaties.
Supervisie
Als professional reflecteer je samen met een deskundige (supervisor) op jouw functioneren
in het werkveld.
Spiraalmodel van Korthagen
Beschrijft reflecteren als een cyclisch proces met vijf stappen, waarbij de eerste en laatste
stap samenvallen.
ABCD(EF)-methode
Lijkt sterk op het spiraalmodel van Korthagen. Deze methode is heel geschikt om toe te
passen als je een opvallende situatie tegenkomt. Aanleiding, Belangrijk, Conclusie en
Doen.(Effect, Feedback)
STARRT-methode
Een veelgebruikt praktisch reflectiemodel. STARRT staat voor: Situatie - Taak Actie
Resultaat Reflectie - Transfer.
22 Stoornis in lichaamsbeleving of regulatie
Voedings- of eetstoornis
Als een persoon afwijkend gedrag laat zien ten aanzien van zijn voedselinname.
Vermijdende of restrictieve voedselinnamestoornis
Specifieke voedingsmiddelen vermeden of er is helemaal geen interesse in eten en voedsel.
Anorexia nervosa
Een persoon eet structureel minder dan het lichaam nodig heeft, uit angst om aan te komen
of dik te worden.
Compensatiegedrag
Wanneer de betrokkene eet al dan niet gedwongen door de omgeving zal hij (maar
meestal zij) dat wat binnenkomt zo snel mogelijk uit het lichaam willen krijgen.
Purgeren
Zelfopgewekt braken.
Boulimia nervosa
Bang om aan te komen of dik te worden. Maar zij kampen aan de andere kant wel met een
oncontroleerbare drang om te eten.
Eetbui
De betrokkene eet binnen zeer korte tijd extreem veel en heeft het gevoel geen controle te
hebben over de voedselinname.
Eetbuistoornis
Een persoon heeft regelmatig terugkerende eetbuien.
Overgewicht
Wanneer de BMI (bodymassindex) tussen de 25 en 30 ligt.
Obesitas
Bij een BMI van 30 of hoger.
Morbide obesitas
Een BMI van 40 of hoger heeft.
Slaap-waakstoornis
Wanneer een persoon problemen ervaart rondom het slapen en waken.
Insomniastoornis
Een persoon structureel moeite met inslapen en doorslapen.
Hypersomnolentiestoornis
Een persoon voelt zich vaak slaperig, ondanks een slaapperiode van minstens zeven uur.
Narcolepsie
Een stoornis waarbij mensen last hebben van een onbedwingbare slaapdruk, ze vallen
ineens in slaap en hebben hier geen controle over.
Circadianeritme-slaap-waakstoornis
Een verstoring van het 24 uursslaap-waakritme. Het slaap-waakritme sluit niet aan bij wat
sociaal acceptabel is.
Stoornissen in de relatie tussen lichaam en geest
De beleving ten aanzien van het eigen lichaam verstoord.
Somatisch-symptoomstoornis (SOLK)
Somatisch Onverklaarde Lichamelijke Klachten) heeft onverklaarbare lichamelijke klachten,
of zijn klachten staan niet in verhouding tot een onderliggende aandoening of ziekte.
Ziekteangststoornis
Hypochondrie. Een persoon maakt zich voortdurend zorgen over zijn gezondheid, ook al zijn
er geen lichamelijke klachten aanwezig (of deze zijn er wel, maar heel vaag of onschuldig).
Functioneel-neurologisch-symptoomstoornis
Onverklaarbare lichamelijke uitvalsverschijnselen. Deze verschijnselen beperken het
zintuiglijk en/of motorisch functioneren.
Dissociatieve stoornis
Wanneer een persoon geregeld zichzelf of de wereld om hem heen als anders beleeft.
Depersonalisatie
De betrokkene heeft het gevoel van onwerkelijkheid, vervreemding of onbekendheid ten
opzichte van zichzelf.
Derealisatie
De betrokkene ervaart een gevoel van onwerkelijkheid, vervreemding of onbekendheid ten
opzichte van zijn omgeving.
Dissociatief geheugenverlies
Een persoon heeft tijdelijk last van gaten in zijn herinneringen.
Dissociatieve fugue
Een vorm van dissociatief geheugenverlies. De betrokkene herinnert zich dan voor langere
tijd niet wie hij is.
Dissociatieve identiteitsstoornis (DIS)
Er is sprake van een splitsing in de persoonlijkheid. De betrokkene heeft een bewuste
identiteit, net als iedereen, maar ook een aantal extra persoonlijkheden, waarvan hij zich
meestal niet bewust is.
Parafilie
Seksuele fantasien en/of seksuele gedragingen laten zien die maatschappelijk gezien niet
helemaal geaccepteerd zijn.
Parafiele stoornis
Als een parafilie problemen in de maatschappij tot gevolg heeft, of als de betrokkene
eronder lijdt.
Hyperseksualiteit
De betrokkene heeft een sterk ontwikkelde seksdrift.
Seksueel sadist
Een persoon die seksueel opgewonden raakt als hij handelingen uitvoert waarbij een ander
lijdt.
Seksueel masochist
Iemand die seksueel opgewonden raakt van het ondergaan van handelingen waarbij hij lijdt.
Voyeur
Een persoon die seksueel opgewonden raakt van het stiekem begluren van naakte of
vrijende mensen.
Fetisjist
Een persoon die seksueel opgewonden raakt van voorwerpen, specifieke stoffen of
materialen die eigenlijk niet bedoeld zijn voor seksueel gebruik.
Transvestie
geslacht.
De persoon raakt seksueel opgewonden van het zich kleden als iemand van het andere
Exhibitionist
Als iemand zijn geslachtsdelen aan nietsvermoedende vreemden laat zien (meestal vrouwen
of kinderen).
Frotteurist
Iemand die seksueel opgewonden raakt van het aanraken of strelen van niet-instemmende
personen, zoals stiekem de billen van de vrouw voor hem in de wachtrij aanraken.
Pedofiel
Iemand die seksueel opgewonden raakt van jonge kinderen.
Pedoseksueel
kinderen lastig.
Een persoon handelt naar zijn seksuele fantasien en verlangens en valt daadwerkelijk
Blok 1 - 18 Overleggen
Vooroverleg
overleg.
Een informeel overleg dat - in kleine kring - plaatsvindt voorafgaand aan een formeel
Vergaderen
Bijeenkomen om iets te bespreken of om besluiten te nemen.
Vergadering
bespreken.
Een officile bespreking waarbij de deelnemers de punten die op de agenda staan
Notuleren
Het maken van een verslag van de vergadering.
Besluitenlijst
Een schematisch overzicht van de gemaakte afspraken.
Vergaderagenda
Een overzicht van onderwerpen die in een vergadering aan bod komen.
Raamagenda
Een agenda die op bijna alle soortgelijke vergaderingen van toepassing is.
Besluitvorming
Het proces van beslissen over een voorstel en het komen tot een besluit.
Besluitvormingsregel
Een manier om over een punt in de vergadering gezamenlijk te beslissen.
Meerderheidsbesluit betekent dat het voorstel is aangenomen als de helft + 1 vr stemt.
Consensus
Er is een overeenstemming over het te nemen besluit. Niet iedereen is het volledig eens met
het voorstel, maar niemand zegt echt nee
.
Unanimiteit
Iedereen is het helemaal eens met het voorstel.
Delegatie
n persoon, bijvoorbeeld een leidinggevende, krijgt van de deelnemers de bevoegdheid
om zelf een beslissing te nemen na verdere bestudering van het probleem.
Vetorecht
Het recht om een besluit van de vergadering te blokkeren. Veto betekent letterlijk: ik verbied.
Het bestuur of de ondernemingsraad van een organisatie heeft ook vetorecht voor sommige
besluiten.
Blok 1 - 19 Feedback
Feedback
Een boodschap over het handelen of het gedrag van een ander. Feedback kan zowel
positief als negatief zijn.
Positieve feedback
Feedback die je geeft over iets dat je effectief, nuttig of prettig vindt. Het doel van de
feedback is dat de ander het positieve gedrag in stand houdt of zelfs vaker laat zien.
Negatieve feedback
Feedback die je geeft over iets dat je ineffectief, ongewenst of onprettig vindt. Hierbij is het
doel dat de ander het benoemde gedrag aanpast of vermindert.
Inhoudsniveau
gaat over de inhoud van de boodschap, over wat letterlijk gezegd wordt.
Betrekkingsniveau
gaat over de relatie tussen de feedbackgever en feedbackontvanger.
Johari-matrix
Een hulpmiddel bij het geven en ontvangen van feedback, om de communicatie tussen
elkaar beter te begrijpen.
360 graden feedback
Een manier van feedback krijgen (over je sterke en minder sterke kanten), waarbij je
meerdere mensen vraagt naar jouw functioneren.
Locus of control
De mate van controle die je over situaties ervaart.
Interne locus of control
Iemand gelooft dat hij invloed heeft op de uitkomst van een bepaalde situatie. Prestaties,
beloningen of straffen zijn de uitkomst van het eigen gedrag.
Externe locus of control
Iemand gelooft dat hij geen invloed heeft, de uitkomsten zijn volgens hem afhankelijk van
bijvoorbeeld toeval, of iemand gelooft dat alles in handen is van God.
Blok 3 - 01 Ondersteuningsvraag en doelen formuleren
Ondersteuningsvraag
De vraag naar ondersteuning die de clint of een groep aan de professionals stelt.
Algemeen doel
Een breed en vaak pas na lange tijd haalbaar doel. Een algemeen doel verdeel je onder in
kleinere doelen, subdoelen.
Subdoelen
doel te halen.
De onderdelen of bouwstenen van het algemene doel, die nodig zijn om het algemene, grote
Kortetermijndoel
Een doel dat binnen een overzichtelijke periode bereikbaar is.
Langetermijndoel
Een doel dat pas na een veel langere periode bereikt wordt.
RUMBA-methode
Een methode om doelen te formuleren die afgekort is van: Relevant, Understandable,
Measurable, Behavorial en Attainable.
Blok 3 14 Interculturele communicatie
Interculturele communicatie
Als er communicatie plaatsvindt tussen mensen uit verschillende culturen.
Lage-context cultuur
In deze culturen zijn expliciete woorden, gesproken of geschreven, belangrijk.
Hoge-context cultuur
In deze culturen speelt non-verbale communicatie een grotere rol.
Monochrome cultuur
Je doet vooral een ding tegelijk, zodat je zo optimaal mogelijk het plan kunt volgen.
Compartimentaliseren
Tijdsbeleving is lineair en wordt in duidelijke blokken afgebakend, waardoor het mogelijk is
om je op een ding tegelijk te concentreren.
Polychrome cultuur
Hierin doe je meerdere dingen tegelijk en is de relatie tussen mensen belangrijker dan het
maken en uitvoeren van plannen.
Vooroordeel
Een mening die niet op feiten is gebaseerd.
Aanname
Een gedachte die je over iets of iemand hebt, zonder dat je zeker weet of die gedachte klopt.
Etnocentrisme
Het beoordelen van andere culturen op basis van de maatstaven van je eigen cultuur.
Superioriteitsgevoel
Je beter voelen dan de ander. Je eigen normen, waarden en gewoonten vind je beter dan
die van andere culturen.
Cultuurrelativisme
Gaat ervan uit dat alle culturen gelijkwaardig zijn en gaat dus in tegen het beeld dat
sommige culturen beter zijn dan anderen.
Tolk
te vertalen.
Iemand die meerdere talen goed spreekt en daarom ingezet kan worden om gesproken taal. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag