Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: tijns2010 - 6 maanden geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: GESCHIEDENIS PEP 2


Hoofdstuk 3. De tijd van monniken en ridders 2
Paragraaf 3.1: De opkomst van de islam. 2
Het ontstaan van de islam. 2
Uitbreiding van het Arabische rijk. 2
De Arabische samenleving en cultuur. 3
Verdere verspreiding van de islam. 3
Paragraaf 3.2: Hofstelsel en horigheid 4
Weer een landbouwsamenleving. 4
De horigheid 4
Het hofstelsel 5
Paragraaf 3.3: Het feodale stelsel 6
Frankische koninkrijken 6
Karel de grote en zijn opvolgers 7
Het leenstelsel 7
Hofstelsel<->Leenstelsel 8
Paragraaf 3.4: Christendom in Europa 9
De kerken van Rome en Constantinopel 9
Europa wordt christelijk 10
Samensmelting 10
Hoofdstuk 4. De tijd van steden en staten 11
Paragraaf 4.4: Kerk en staat 11
Pausen en de duitse keizer 11
Pausen en de Franse koningen 12
De macht van de kerk 12










Hoofdstuk 3. De tijd van monniken en ridders

Paragraaf 3.1: De opkomst van de islam.
Het ontstaan van de islam.
Voorkennis
Alle monothestische geloven zijn ontstaan in het midden oosten.
En alle monothestische geloven gaan uit van n god en hebben een heilig boek.
Bijbel <-> Koran, de Bijbel is veel makkelijker te lezen dan de Koran
God <-> Allah

Ontstaan van de islam.

Een Arabische handelaar genaamd Mohammed kreeg boodschappen van god, hij werd door Allah uitgekozen als profeet

In 622 werd hij uit Mekka naar Medina verdreven, dit was ook het begin van de islamitische jaartelling.
In Medina stichtte hij een Islamitische staat.
Mohammed was veel drukker bezig met het verspreiden van het geloof dan Jezus.
Uitbreiding van het Arabische rijk.
Na de dood van Mohammed in 632 kiezen de Arabische leiders een neiuwe kalief=politiek en geestelijk leider. De eerste kaliefen breidden Mohammeds islamitische staat in korte tijd uit tot een groot Arabisch rijk= kalifaat. Dit deden ze door veroveringen


Na de moord op kalief Ali in 661 kwamen de Omajjaden aan de macht. Ze stichtten een erfelijke dynastie, de titel en positie werd erfelijk. Dit zorgde voor opstanden van de sjiieten(volgelingen van Ali) die bloedig werden onderdrukt. De sjiieten bleven een grote minderheid. De meeste moslims zijn soennieten.

Met behulp van het Islamitische leger werd het rijk weer groter. Deze verspreiding kon zo snel gaan omdat het Perzische en Byzantijnse rijk heel erg verzwakt waren(omdat ze samen een verwoestende oorlog hadden tegen elkaar). In 711 werden Spanje en Portugal veroverd.

De Arabische samenleving en cultuur.
Rond 750 wordt de omajjaden familie uitgemoord door de abbasiden familie. Die een nieuwe kalifen dynastie vestigde en van Bagdad stichtte en daarvan de hoofdstad maakte.

Een omajjaden vluchtte naar Crdoba, waar hij emir(vorst) werd van een onafhankelijk rijk dat Portugal en delen van Spanje en Marokko omvatte. Een nakomeling van hem, riep zich in 929 uit tot kalief.

Later valt de rest van het rijk ook uiteen in verschillende sultanen

De wetenschap van de Islamitische wereld was veel hoger en beter dan die van de christelijke wereld in diezelfde periode.

Moslims tolereren andere geloven van het boek als ze maar belasting betalen.

Verdere verspreiding van de islam.
Onder de Abbasiden stopte de politieke expansie, wel verdere verspreiding islam:
tot in Senegal en Mali door Berbers
tot Oost-Afrika en Zuid- en Oost-Azi door handelaren
in Noord-India door islamitische krijgsheren

In de 13e eeuw vielen Mongolen het Abbasiden-rijk binnen:
ze veroverden een groot deel van het Midden-Oosten
na hun bekering tot islam verovering van India, Maleisi en Indonesi
einde Byzantijnse rijk (1453) door Ottomaanse veroveringen
















Paragraaf 3.2: Hofstelsel en horigheid
Weer een landbouwsamenleving.
Wie in de 6e eeuw door West-Europa reisde, kon dagenlang lopen zonder iemand tegen te komen, want de landbouwstedelijke samenleving was verdwenen.
Redenen:

West-Europa wordt onveiliger.
Instabiliteit Romeinse bestuur.
Volksverhuizingen en invallen van Germaanse stammen.
Handel en (voedsel)productie namen af.
Hierdoor kon de overheid minder belasting heffen. Dit zorgde voor veel onveiligheid omdat ze bijvoorbeeld militairen niet meer konden betalen.
Ook werd geld een stuk schaarser. Europa had geen goudmijnen.

Mensen verlaten steden en zoeken veiligheid op het platteland.
De meeste mensen in West-Europa waren zelfvoorzienend. Ze maakten zelf wat ze nodig hadden en hadden bijna geen handel met de buitenwereld.
Ze waren autarkisch
De horigheid
In de nadagen van het Romeinse rijk was er een groep horigen(halfvrijen) ontstaan. Dit zijn een soort halfslaven
De horigen hadden wel rechten, maar ze waren niet vrij om het land waar ze op werkten zonder toestemming te verlaten

Tegelijkertijd ontstaat er een groep met erfelijke voorrechten= de adel

Wel bleven slaven bestaan










Het hofstelsel
Vanaf de 7e eeuw ontstond in West-Europa het hofstelsel, waarbij boeren aan een domein van hun heer gebonden waren.

Een domein bestond uit 2 delen:

Een deel dat werd gebruikt door de heer:
Akkers
Weiden
Woeste gronden
Moestuin
Visvijver
Wijngaard
Herenhuis
Opslagschuur
Molen
Een deel van de boeren:
Boerderij met een stuk grond(hoeve)
Omliggende bossen en woeste gronden voor vee,hout,enz.

De horigen moesten ook een deel van hun opbrengst afstaan aan de heer. Ze moessten ook herendiensten verrichten.

Er waren veel verschillen tussen domeinen. Hierdoor hadden koningen,hoge edelen en kloosters tientallen grote domeinen. Deze lieten ze beheren door rentmeesters(hofmeiers)

Niet alle boeren leefden op een domein. In Noord-Nederland leefden ze vaak in dorpjes van zon 10-15 hoeven.














Paragraaf 3.3: Het feodale stelsel
Frankische koninkrijken
In 500 waren in heel West-Europa Germaanse koninkrijken ontstaan. Koningen waren vaak niet meer dan stamhoofden die met hun medestrijders heersten over een klein gebied.

De koning der Franken, Clovis, erfde in 481 op 15jarige leeftijd het koninkrijk van de Salische Franken in Zuid-Belgi en Noord-Frankrijk. Hij breidde dat rijk uit door Germaanse volken te vermoorden of te verslaan op het slagveld.
Toen hij in 511 stierf, behoorde het grootste deel van Belgi en Frankrijk tot het merovingische rijk.
De franken heersden over een niet-Germaanse bevolking, waarvan ze de taal en gewoonten overnamen. Ze namen ook het Romeinse bestuurssysteem over(wat er nog van over was)
Vanaf ongeveer 300 hadden Romeinse keizers aangesteld:
In belangrijke delen een: hertog(dux)
In minder belangrijke delen een:graaf(comes)
Zij moesten in hun gebied namens de keizer belastingen innen, rechtspreken en legers vormen.

Germaanse koningen volgden het Romeinse voorbeeld en benoemen ook hertogen en graven.

Clovis liet ook het gewoonterecht van zijn volk opschrijven, zoals strafrecht.








Karel de grote en zijn opvolgers
In de 8e eeuw kwam de macht in het Frankenrijk in handen van een nieuwe dynastie, de Karolingen. De tweede Karolingische koning, Karel de Grote, regeerde bijna een halve eeuw alleen.
Hij breidde zijn rijk heel erg uit.
NL
Duitsland
Alpengebied
Pyreneen
In 800 liet Karel zich in Rome door de paus tot keizer kronen. De eerste keizer in het westen in meer dan 300 jaar. Hij nam de titel Imperator augustus aan.

Hij zag zich als Romeinse keizer. Zijn rijk was in het noorden veel groter en in het zuiden veel kleiner dan het vroegere Romeinse rijk.
Hij had als eerste een groot deel van Europa in n rijk verenigd
In 814 erfde zijn enige overgebleven zoon Lodewijk het rijk. Na zijn dood in 843 werd de salische wet door zijn due zoons verdeeld in een:
Oost-Frankisch rijk.
West-Frankisch rijk.
Middenrijk.
Karels rijk bleef dus niet lang bestaan, maar het idee van een verenigd europa zou nooit meer verdwijnen.
Het leenstelsel
Koningen waren afhankelijk van lagere heren, die meevochten en ruiterlegers leverde.

Door technische verbeteringen kregen ridders betere zwaarden, etc..

Koningen beloonden hun medestrijders, de edelen, met grond en buit

Karel bond de adel ook aan zich door een eed van wederzijdse trouw. De persoonlijke banden waren de basis voor een nieuw bestuursstelsel: feodalisme(leenstelsel).
Daarbij gaf de koning een gebied of ambt in leen aan een vazal(leenman) en beloofde hem te beschermen
In ruil zwoer de vazal dat hij zijn leenheer zijn leven lang trouw zou dienen. In zijn leven moest hij namens zijn leenheer
Vrijspreken
Militairen oproepen
Na karels dood gingen vazallen hun leen zien als erfelijk bezit, gevolg: Zelf land en abten in leen uitgeven
Hofstelsel<->Leenstelsel
Verplichting: Hofstelsel = werken/opbrengst geven; Leenstelsel = trouw en militaire dienst.
Wie: Hofstelsel = horigen/boeren; Leenstelsel = edelen/vazallen.
Doel: Hofstelsel = voedsel en inkomen; Leenstelsel = macht en bescherming.
Vrijheid: Hofstelsel = horigen gebonden aan land; Leenstelsel = vazal loyaal aan heer, maar met politieke macht.
Focus: Hofstelsel = lokaal, landbouw; Leenstelsel = hirarchie, leger en bestuur.














Paragraaf 3.4: Christendom in Europa
De kerken van Rome en Constantinopel
De rooms-katholieke kerk wordt vanuit Rome geleid en dat is geen toeval.
Het christendom ontstond in het Romeinse rijk en de kerk was net als de Romeinse staat strak genoeg georganiseerd
Al voordat het christendom de staatsgodsdienst werd, hadden bisschoppen de leiding over de kerk in grote Romeinse steden. De hoogste was de bisschop van rome: de paus

!Onderstaand gedeelte is heel belangrijk!
De Byzantijnse keizers vonden dat zij niet alleen de leiding moesten hebben over de staat, maar ook over de kerk.
De pausen verzetten zich daartegen
Volgens de paus Gelasius zijn er twee machten over de wereld
Geestelijke macht
Paus
Bisschoppen
Wereldlijke macht
Keizer
Koningen
De keizer leidde de staat en de paus leidde de kerk
Latere pausen hielden vast aan deze tweezwaardenleer, maar in het Byzantijnse rijk streefden keizers naar een cesaropapie: Een staat waarin de wereldlijk leider ook de geestelijk leider is.

Het meningsverschil over macht van de paus en de keizer leidde tot een scheuring tussen het westerse en het oosterse christendom. Door dit schisma ontstonden twee aparte kerken:
De katholieke kerk
Onder leiding van de paus
De orthodoxe kerk
Onder leiding van de Byzantijnse keizer


In beide kerken was een speciaal soort geestelijken die niet waren benoemd door een bisschop: Monniken en nonnen
Zij zonderden zich af van de buitenwereld om zich helemaal aan God te wijden. Sommige leefden in woestijnen, bossen of grotten. Maar de meesten woonden in een klooster.



Europa wordt christelijk
Het christendom is sterker in het oosten
Belangrijk in het westen is de bekering van clovis
In 690 stak de monnik Willibrord met een groep helpers de Noordzee over om de Friezen te kerstenen. De missionarissen trokken predikend(dat ze een preek houden) rond. Ze wilden het geloof zonder dwang en geweld verspreiden.
Samensmelting
Om de overgang naar het christendom te vergemakkelijken nam het christendom allerlei heidense elementen aan=syncretisme
Bijv.
Christense feestdagen vielen samen met Germaanse natuurfeesten.
Het woord god is ook van heidense afkomst

Heidense= mensen die volgens christenen in de verkeerde god geloofden bijv= in natuurgoden




















Hoofdstuk 4. De tijd van steden en staten
Paragraaf 4.4: Kerk en staat
Pausen en de duitse keizer
Hoofdvraag van de paragraaf= Wie heeft het primaat(hoogste gezag)?

Leken hebben steeds meer invloed in de kerk. Koningen en keizers bemoeien zich met de investituur van bisschoppen.

Leken=Dat zijn gewone gelovigen die geen geestelijke taak hebben. Dus iedereen die niet priester, bisschop, monnik of paus is. Koningen en keizers zijn dus leken.

Investituur=Dat is het aanstellen van een bisschop of abt. In de middeleeuwen gebeurde dat officieel door de kerk, maar koningen en keizers wilden daar invloed op hebben. Dat leidde tot de investituurstrijd.
In 1059 komt een hervorming in beweging: Alleen kardinalen mogen de paus benoemen.
Kardinaal=Hoge geestelijke
In 1075 stelde paus Gregorius VII in zijn Dictatus papae(dictaat van de paus) dat hij de grootste macht op aarde moest hebben, en dat hij als enige keizers en bisschoppen mocht afzetten. Geen mens mocht over hem oordelen en alle vorsten moesten zijn voeten kussen, dit zorgde voor de Investituurstrijd.
Hendrik IV benoemde een bisschop van Milaan, terwijl de paus dit al had gedaan. Gregorius eiste dat Hendrik zijn ongelijk erkende en om vergeving vroeg. Dit weigerde hij en de paus deed hem in de ban(uit de kerk).

Omdat de Duitse adel in opstand kwam gaf Hendrik toe.

In 1122 doet de Duitse keizer afstand van de investituurStaatsvorming in Duitsland komt niet goed op gang.









Pausen en de Franse koningen
De relatie tussen de Franse koning en de paus was lange tijd beter. De koning kon de steun van de paus goed gebruiken in de strijd tegen zijn leenheren.

Koning Lodewijk IX was een vrome dienaar van de kerk, die na zijn dood door paus Bonifatius VIII heilig werd verklaard.


Maar diezelfde paus voerde een keiharde machtsstrijd met Lodewijks opvolger: Filips de Schone. Koningen moesten hem gehoorzamen, ook in de politiek. Filips stelde dat de kerk zich daar niet mee moest bemoeien
Ze hadden ook ruzie over geld

Filips stuurde in 1303 militairen om de paus gevangen te nemen, hij stierf van de schrik. Na zijn dood probeerde geen paus nog de Franse koning aan zich te onderwerpen(koning was te machtig)

De macht van de kerk
Vanaf de 1e eeuw riepen pausen (weer) bisschoppen bijeen. Tijdens deze concilies(vergadering) overlegde ze over verschillende stammen/gemeenschappen of nieuwe kloosterorden.
De paus besloot sommige gemeenschappen te erkennen en sommige te vervolgen wegens het afwijken van het juiste christelijke geloof. Hij richtte daarvoor een speciale rechtbank op, de inquisitie
Monniken die aanklager en rechter tegelijk waren, spoorden ketters(afwijking van geloof) op en brachten ze op de brandstapel als ze niet inkeer kwamen(gedachten veranderen)
De macht was wel beperkt omdat de wereldlijke overheid de straffen moest uitvoeren.

Later vervolgde de inquisitie ook herksen
Helpers van de duivel
Waren licht genoeg om op bezems te vliegen(meetstaaf voor of je heks bent of niet)
Richten kwaad aan





. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document