Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Van V1 naar extrastriate cortex
Orintatie detectie en contour integratie
Complex cells ontstaan door convergentie van meerdere simple cells. Complex cells hebben geen ON/OFF regios meer maar zijn wel orintatie-selectief. Ze zijn vooral functioneel in het detecteren van een lijn/rand ongeacht de exacte plaats.
Hypercomplex cells hebben nog complexere receptieve velden. Zij reageren sterk op korte lijnen of hoeken, maar inhiberen als een lijn te lang is. Ze zijn vooral functioneel in het detecteren van hoeken, bochten of contour-einden.
Orintatiekolommen met dezelfde voorkeur zijn in de V1 horizontaal verbonden. Als meerdere lijnen in elkaar verlengde liggen, versterken de neuronen elkaars activiteit.
Diepte perceptie
Monoculaire signalen:
Occlusion: objecten die andere overlappen, staan dichterbij.
Relative size: kleinere objecten lijken verder weg.
Cast shadows: schaduwen geven informatie over positie/diepte.
Shading: licht en donker maken 3D-vorm zichtbaar.
Distance to horizon: hoe dichter bij de horizon, hoe verder weg.
Texture gradient: patronen worden dichter opeen bij afstand.
Linear perspective: lijnen convergeren in de verte (railroad tracks).
Binoculaire signalen:
Elk oog ziet een net iets ander beeld door de afstand (~6,5 cm) tussen de twee ogen. Neuronen in de V1 ontvangen de input van beide ogen en vergelijken de binoculaire dispariteit. Of dit positief of negatief is bepaald op een object dichterbij of verder weg is dan de plane of fixation.
Sommige cellen in V2 zijn tuned voor specifieke dieptes, dit houdt in dat ze het sterkst vuren bij een bepaalde dispariteit. Andere cellen hebben weer brede diepte-tuning en reageren alleen op dichterbij dan of verder dan de plane of fixation.
Grenzen en objecten
Border ownership cells bepalen aan welke kant van een rand de figuur zit en welke kant de achtergrond is. Ze reageren dus niet alleen op de aanwezigheid van een rand, maar ook op de verhouding van die rand met de rest van het beeld.
Contextuele modulatie = de activiteit van deze cellen wordt benvloed door stimuli buiten hun klassieke receptieve veld. Dit helpt bij figuur-achtergrondscheiding.
Hogere visuele gebieden hebben grotere receptieve velden. Zij zien een groter deel van de scene en sturen feedback terug naar de V1, dit verklaart waarom figuur-achtergrondscheiding (~100 ms) later optreedt dan simpele orientatiecodering (~40 ms).
Beweging
MT belangrijk voor beweging, maar beweging detectie begint al in V1. Veel cellen in de V1 zijn niet alleen selectief voor orintatie, maar ook voor beweging in een richting loodrecht op hun voorkeurs orintatie. Deze neuronen worden vaak component direction-selective genoemd.
Als een stimulus zich beweegt vallen de signalen van meerdere cellen precies in de tijd samen, hierdoor ontstaat een sommatie van EPSPs. Wanneer de drempel overschreden wordt, vuurt de targetcel (= een bewegingsselectieve V1-cel).
The apperture problem
Als je een bewegend object ziet door een klein venster is de waargenomen beweging ambigu. Je hersenen nemen de beweging waar als loodrecht op de orintatie van de lijn, omdat dit het meest logisch is. Hierdoor weet een enkele V1-neuron niet welke richting de lijn echt op beweegt.
In de MT convergeren outputs van veel componentcellen, dit levert pattern cells op. Pattern cells zijn gevoelig voor de globale richting van een volledig object.
Kleur en helderheid
P-retinale ganglioncellen en cellen in de LGN hebben een tegengestelde organisatie, waarbij het centrum en de surround van het receptieve veld gevoelig zijn voor verschillende golflengten van licht: rood vs. groen en blauw vs. geel.
M-retinale ganglioncellen zijn achromatisch en reageren op donker-licht contrast.
Hoe hoger de hirarchie, hoe complexer en rijken het kleurenspectrum wordt.
V1: eenvoudige kleurcontrastdetectie.
V2/V4: integreren van meerdere inputs -> rijker kleurenspectrum en kleurperceptie in context.
Schade aan de V4 leidt tot cerebrale achromatopsie: de wereld wordt ervaren in zwart-wit.
Color constancy
De waargenomen kleur van voorwerpen blijft stabiel onder wisselende lichtomstandigheden. Het gaat om relatieve verschillen tussen de verschillende golflengten. Absolute golflengte bestaat niet in onze perceptie, het wordt bepaald door context, kennis, etc.
Dorsale en ventrale paden & object- en gezichtsherkenning
Objectherkenning = overlap tussen sensorische input en een mentale representatie van een object. Bijv. een stoel herkennen en weten dat je er op kan zitten.
Visuele agnosie: stoornis in objectherkenning, maar intacte verwerking van visuele basisaspecten.
Apperceptieve agnosie = patint kan een object niet natekenen, maar wel benoemen.
Associatieve agnosie = patint kan een object natekenen, maar niet benoemen.
Gezichtsherkenning gebeurt bij apen van posterieur naar anterieur. Bij mensen gebeurt dit in de fusiform face area (FFA). Schade aan de FFA leidt tot prosopagnosie: het niet herkennen van gezichten.
Concept cells in de MTL (hippocampus en omgeving) reageren op specifieke personen of concepten, onafhankelijk van de manier waarop je die informatie binnenkrijgt (beeld, tekst, geluid). Ze zijn dus cruciaal voor abstracte herkenning en geheugen, en verbinden de ventrale visuele route met je lange-termijn geheugen.
Hoe kunnen we moeiteloos een object herkennen onder verschillende omstandigheden?
Perceptual constancy
We herkennen een object als hetzelfde, ook al verandert de manier waarop we het zien. Dit komt doordat het visuele systeem invarianties toepast:
Size: een object lijkt even groot, ook als het verder weg is en dus een kleiner beeld op het netvlies projecteert.
Position: een object wordt herkend, ongeacht waar het is in he visuele veld.
Form-cue invariance: een object kan herkend worden op basis van verschillende cues.
Viewpoint invariantie: een object wordt herkend vanuit verschillende kijkhoeken.
Hoe kan het dat we objecten moeiteloos kunnen onderscheiden van objecten van een andere categorie?
Categorische perceptie
Objecten worden niet alleen individueel herkend, maar ook ingedeeld in categorien. Dit gebeurt in hogere gebieden zoals de laterale PFC.
Schade aan het dorsale pad
Dorsale delen (dichtbij somatosensorische cortex)
o Functie normaal: lichaamsbewustzijn, motorische controle, visuele sturing van gedrag.
o Schade verstoring van cordinatie tussen zien en handelen.
o Voorbeeld:
Optische ataxie: moeite om een object in de periferie te bereiken misreiken, verkeerde handorintatie.
Ventrale delen (dichtbij visuele cortex)
o Functie normaal: ruimtelijke perceptie en cognitieve organisatie van objecten.
o Schade verstoring van structureren en samenstellen van objecten.
o Voorbeeld:
Constructionele apraxie: patint kan losse onderdelen tekenen maar niet goed tot een geheel samenstellen rommelige of onlogische kopien van figuren.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag