Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Een goede communicatie zorgt voor:
Betere zorg, minder fouten gemaakt en minder incidenten;
Zorgvragers en familie met een hoog welbevinden, ze voelen zich gehoord;
Meer wederzijds begrip, want je spreekt en luistert met respect voor jezelf en elkaar;
Fijnere samenwerking met je collegas, want er zijn minder irritaties en misverstanden;
Meer werkplezier en jobfierheid, echt contact met elkaar.
5.1 Communiceren in de zorg- en welzijnssector
5.1.1 Structuur van een gesprek
1. Begroeting: groet ritueel gebaar dat sociaal contact op gang brengt. Hoe je iemand begroet, hangt enerzijds af van de cultuur, of van de relatie met de persoon die je groet.
2. Kennismaking: als je voor de eerste keer iemand ontmoet, stel je jezelf voor. Vervolgens stelt de ander zich voor.
3. Eigenlijk gesprek: uitwisselen van informatie. Informatie = boodschap. Wederzijdse communicatie.
4. Afscheid nemen: maakt duidelijk dat het gesprek is afgerond.
5.1.2 Actief luisteren
Enkele tips om actief te luisteren;
Aangepaste lichaamshouding.
Moedig de ander aan om te vertellen.
Vat samen wat je gehoord hebt.
Stel extra vragen om de bedoeling achter de boodschap te begrijpen.
Laat OMA (Oordel en, Meningen en Adviezen) thuis. Neem wel ANNA (Altijd Navragen, Nooit Aannamen) mee.
5.1.3 Geweldloos communiceren
Geweldloze communicatie manier van communiceren ontwikkeld door Marshall Rosenberg. Doel conflicten te voorkomen of op te lossen door mensen te verbinden. = Verbindende communicatie
Geweldloze of verbindende communicatie richt zich op 4 elementen:
Waarneming: spreek uit wat je waarneemt, wat je ziet, zonder te oordelen. Wees objectief, zonder gevoelens te laten meespelen.
Gevoel: verwoordt hoe je je voelt bij de waarneming, niet hoe je erover denkt.
Behoefte: na het uiten van je gevoelens verwoord je welke behoeften je hebt.
Verzoekt: spreekt uit wat je van de ander verlangt om je behoefte te vervullen.
5.2 communiceren met specifieke doelgroepen
Pas je communicatie altijd aan, aan de persoon of doelgroep met wie je communiceert.
5.2.1 Jongere zorgvragers
Het is belangrijk om jouw taalgebruik af te stemmen op dat vh kind.
Gebruik eenvoudige taal: alledaagse woorden en korte zinnen.
Ga niet onder het taalniveau vh kind.
Benoem tijdens een activiteit wat je doet of ziet.
Herhaal en breid de zinnen uit die het kind tegen je zegt.
Verbeter een fout niet, maar antwoord met een juiste zin.
Het is belangrijk om naast verbale communicatie ook in te zetten op andere soort communicatie.
Non-verbale communicatie = maak gebruik van je lichaamstaal, oogcontact en gebaren.
Paraverbale communicatie = gebruik van intonatie, tempo en volume.
Communiceer steeds op ooghoogte.
Gebruik je lichaamstaal, je gezichtsuitdrukking en gebaren om je boodschap over te brengen.
Leg intonatie in je stem.
5.2.2 Oudere zorgvragers
5.2.3 Zorgvragers met een beperking
Met personen met een auditieve beperking kun je luider praten en beter articuleren, maar zeker niet roepen.
Bij personen met afasie is het taalvermogen aangetast als gevolg van een herseninfarct, een hersenbloeding of dementie.
Bij dementie gaat de werking van de hersenen achteruit.
5.3 Gesprekstechnieken
5.3.1 Actief luisteren met LSD
LSD = luisteren, samenvatten en doorvragen
1. Je luister goed naar wat je gesprekspartner heeft te vertellen.
2. Na het luisteren volgt samenvatten. Je vat in je eigen woorden samen wat je gehoord hebt. Let erop dat je geen oordeel of eigen mening geeft.
3. Vervolgens ga je doorvragen. Je stelt bijvragen om meer info te krijgen.
Gesloten vragen = lokken een kort antwoord uit, zoals ja of nee.
Open vragen = beginnen met een vraagwoord en lokken een langer antwoord uit.
5.3.2 Actief luisteren met SOFTEN
SMILE Glimlach als je naar je gesprekspartner luistert.
OPEN Neem een open lichaamshouding aan.
FORWARD Buig een beetje naar voren in de richting van je gesprekspartner.
TOUCH Een kleine aanraking kan een vertrouwelijke band scheppen.
EYE Maak oogcontact met de andere.
NOD Door een hoofdkinkje te geven, laat je non-verbaal merken dat je de ander begrijpt.
5.3.3 Omgaan met emoties: de LEO-techniek
De LEO-techniek helpt je om een emotionele situatie stap voor stap onder controle te krijgen. LEO staat voor luisteren, erkennen en oplossen:
1. Luisteren: luister naar de boodschap achter de emotie. Gebruik daarvoor de technieken van actief luisteren, LSD en SOFTEN.
2. Erkennen: erken zijn problemen, ook al vind je de reactie ongepast.
Let op je paraverbale communicatie. Let erop dat je jezelf niet laat meeslepen door emoties van de ander.
3. Oplossen: door te luisteren en erkenning te geven heb je de deur opengezet om samen naar een oplossing te zoeken.
5.3.4 Slechtnieuwsgesprek
Slechtnieuwsgesprek = gesprek waarbij je een moeilijke boodschap moet overbrengen.
Om goed voorbereid aan zon slechtnieuwsgesprek te beginnen, kun je dit stappenplan gebruiken.
1. Start het gesprek met een korte inleiding.
2. Blijf na de inleiding niet rond de pot draaien. Breng de moeilijke boodschap klaar en duidelijk.
3. Geef de ontvanger even tijd zodat het slechte nieuws kan binnenkomen.
4. Als je de eerste emoties hebt toegelaten en opgevangen, is het tijd voor meer duiding. Geef extra informatie.
5. Het is soms moeilijk om na het brengen van slecht nieuws de ontvanger alleen te laten. Bespreek hoe het verder moet.
5.3.5 Ontwapeningstechnieken
Je kan verschillende ontwapeningstechnieken gebruiken om de ander emotioneel te laten bedaren.
Ontwapeningstechniek 1: U hebt gelijk. Geef de kritiekgever op een bepaald punt gelijk.
Ontwapeningstechniek 2: bedankt. Bedank de persoon voor de kritiek.
Je buigt een negatieve boodschap om tot iets positiefs.
Ontwapeningstechniek 3: Sorry. Zeg sorry als de kritiek terecht is. Je kunt ook sorry zeggen voor een bepaald deel van de kritiek. Sowieso is een sorry altijd beter als er iets specifieks achter komt.
5.4 Communiceren binnen een team
5.4.1 Vergaderen
Vergadering = een georganiseerde vorm van overleg. Tijdens een vergaring kun je verschillende rollen opnemen, bij elke rol past een taak of verantwoordelijkheid.
Voorzitter meestal verantwoordelijke of teamleider.
Deelnemers nemen actief deel aan de vergadering.
Verslaggever noteert alles wat besproken en beslist wordt in een verslag.
Een goede vergadering heeft een doel (waarom vergaderen?) en verloopt volgens bepaalde structuur (hoe vergaderen?). Dat is de agenda. Aan het einde van de vergadering kunnen de deelnemers nog extra agendapunten aanbrengen. Dat zijn variapunten.
De verslaggever zorgt ervoor dat alles wat besproken en beslist wordt in een verslag komt.
Er zijn verschillende soorten vergaderingen, afhankelijk van het doel.
Informatieve vergadering = deelnemers krijgen informatie.
Probleemoplossende vergadering = denken alle deelnemers mee na over de oplossing van een probleem.
Brainstormvergadering = dient om zoveel mogelijk ideen op tafel te krijgen.
Besluitvormende vergadering = doel een weloverwogen beslissing te nemen.
Werkoverleg = dient om informatie uit te wisselen en taken te verdelen.
Er zijn verschillende manieren om op een vergadering een beslissing of besluit te nemen.
Unanieme beslissing = iedereen gaat akkoord.
Consensus = overeenkomst. Iedereen moet zich min of meer bij de beslissing kunnen vinden.
Beslissen bij stemming = het voorstel met de meeste stemmen wint en wordt doorgevoerd.
Beslissen bij autoriteit = persoon die op voorhand de machtiging heeft om de beslissing te nemen.
5.4.2 Assertief zijn
Assertiviteit belangrijke sociale vaardigheid voor wie een team versterkt. Je moet op een beleefde en respectvolle manier kunnen opkomen voor je eigen mening of belang zonder daarbij andere te kwetsen. Mensen die assertief zijn, functioneren goed in een team.
Assertieve manier: je komt op voor jezelf op een beleefde en respectvolle manier. Je houdt rekening met de ander.
Subassertieve manier: je durft niet opkomen voor je eigen belang.
Agressieve manier: je komt op voor jezelf, maar zonder rekening te houden met de ander.
5.4.3 Feedback krijgen
Als je feedback krijgt, probeer die dan positief te ontvangen. Deze vijf stappen kunnen je daarbij helpen.
1. Neem een open houding aan.
Letterlijk: lichaamstaal is open, gericht naar de ander, je maakt oogcontact en je armen vormen geen muur voor je lichaam. Wie met gekruiste armen naar voren leunt, neemt een defensieve houding aan.
Figuurlijk: laat de boodschap binnenkomen en sta ervoor open om over de boodschap na te denken.
2. Slik de verdediging in.
3. Laat merken dat je de boodschap begrepen hebt.
4. Accepteer of negeer.
5. Maak afspraken. Doe iets met de feedback. Jij beslist wat.
6. Waardeer de ander. Spreek je waardering uit voor de ander die moeite heeft genomen om je feedback te geven.
5.4.4 Feedback geven
Als verantwoordelijke moet je soms feedback geven aan andere. Wat goed loopt vinden we vaak vanzelfsprekend, zodat we het vergeten te benoemen. Negatieve feedback geven is moeilijker.
Dit zijn enkele richtlijnen voor het geven van feedback.
Maak tijd voor een gesprek, letterlijk en figuurlijk.
Letterlijk: zorg dat je tijd hebt om naar de ander te luisteren.
Figuurlijk: ga zitten, neem een ontspannen houding aan, bied de ander iets aan om te drinken
Geef feedback op het gedrag en niet de persoon.
Geef niet alleen een oordeel over het functioneren van iemand. Dan zeg je enkel of het goed of slecht was.
Wees specifiek genoeg. Geef feedback op concrete gebeurtenissen. Gebruik wie, wat, waar, wanneer, hoe en hoeveel. Zo weet de ander precies wat je bedoelt, waardoor hij of zij beter kan reageren.
Geef de ander zo snel mogelijk feedback. Gebruik een ik-boodschap om het gevoel te beschrijven dat het gedrag van de ander bij je opriep.
5.4.5 Coachen
Een goede coach probeert vragen te stellen waardoor de ander gaat nadenken over zijn of haar functioneren. Zo komt hij of zij zelf tot mogelijke oplossingen, suggesties of verbeteringen.
Open vragen geven de ander de kans om de antwoorden bij zichzelf te zoeken.
Geen waarom-vraag. Vraagt vaak een soort rechtvaardiging of verantwoording.
Een coachingstraject waarbij je toewerkt naar een bepaald doel kan verlopen volgens een GROW-model:
Goals: doelen die je wilt bereiken.
Reality: de realiteit, hoe het nu is.
Options of opties: de mogelijkheden die je hebt om de huidige situatie te veranderen.
Will: het actieplan, datgene wat je anders gaat doen, het voornemen.
5.5 Reageren op grensoverschrijdend gedrag
Grensoverschrijdend gedrag is gedrag dat waarbij een grens overschreden wordt. Het kan gaan om de grens van wat algemeen aanvaard wordt als respectvol gedrag tegenover anderen, maar ook om de grens die je zelf eerder hebt aangegeven. Het is dus gedrag dat andere kwetst.
Er zijn verschillende soorten grensoverschrijdend gedrag:
Seksueel grensoverschrijdend gedrag = elke vorm van verbaal, non-verbaal of lichamelijk gedrag van seksuele aard waarbij een grens overschreden wordt.
Racisme = gedragingen die bepaalde personen of groepen van personen viseren op grond van hun nationaliteit, zogenaamd ras, huidskleur of afkomst, of nationale of etnische afstamming.
Discriminatie = anders behandelen, achterstellen of uitsluiten van mensen op basis van (persoonlijke) kenmerken.
Holebifobie = gaat over gevoelens van afkeer en onbegrip tegenover holebis.
Transfobie = gaat over gevoelens van afkeer en onbegrip tegenover transgenders.
5.5.1 Reageren als slachtoffer
Als slachtoffer van grensoverschrijdend gedrag reageer je soms best in twee fasen.
1. In de eerste fase geef je onmiddellijke reactie om het gedrag te doe stoppen. Je geeft aan dat het gedrag je kwetst.
2. De tweede fase vindt plaats op een later tijdstip. Je hebt intussen tijd gehad om na te denken en je emoties wat te laten zakken. In deze fase kom je terug op het gedrag. Vertel wat de ander deed en leg uit hoe dat bij jou overkwam. Gebruik daarvoor een ik-boodschap.
5.5.2 Reageren als omstander
Je bent niet rechtstreeks betrokken bij het grensoverschrijdend gedrag, maar je bent er wel getuige van.
Er zijn verschillend manieren waarop je als omstander of getuige kunt reageren. Onthoud de vijf As:
Andere betrekken;
Zorgen voor afleiding;
Een van de betrokkenen afzonderen;
De betrokkenen aanspreken;
Aanwezig blijven en achteraf hulp bieden.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag