Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: koraad - 1 jaar geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Hoofdstuk 1: Idee en oorsprong van de rechtsstaat
1.1 Wat is een rechtsstaat?
1.2 Hoe is de rechtsstaat ontstaan?
1.3 De eerste rechtsstaten.

Hoofdstuk 1 Idee en oorsprong van de rechtsstaat

1.1 Wat is een rechtsstaat?
Een rechtsstaat is een staat waarin burgers met grondrechten beschermd worden tegen machtsmisbruik en willekeur van de overheid.
Het tegenovergestelde is een totalitaire staat , waarin de staat doordringt tot in het persoonlijke leven van burgers en bepaalt wat ze mogen doen . Een totalitaire staat is ook vaak een politiestaat , waar door een geheime politie de sociale, economische en politieke macht van leiders gehandhaafd wordt.
Nederland wordt gezien als een sociale rechtsstaat: er zijn wetten en voorzieningen geregeld door de overheid om de welvaart en het welzijn van burgers te beschermen en te bevorderen.
Doordat er veelsociale cohesieen vrede is in een rechtsstaat, bestaat er ook een grote mate van vertrouwen en wederkerigheid (= voor wat hoort wat). Deze relatie is niet alleen tussen burgers zelf, maar ook tussen burgers en de staat. Hierdoor ontstaat rechtszekerheid: burgers volgen de wet en er ontstaat zekerheid.


1.2 Hoe is de rechtsstaat ontstaan?
Tot de 18e eeuw lag veel macht in Europese staten bij alleenheersende koningen. Vanaf de tweede helft van de 18e eeuw kwam de bevolking hier langzaam maar zeker tegen in verzet. Dit kwam mede door deVerlichting: mensen gingen kritisch nadenken en nieuwe wereldbeelden konden makkelijk verspreid worden dankzij de uitvinding van de drukpers. Hierdoor zag men langzaam maar zeker in dat koningen verantwoordelijk waren voor oorlogen, armoede e.d.. Burgers en wetenschappers geloofden vanaf de verlichting in rationalisme (rede): de kracht van nadenken en je verstand gebruiken. Vrijheid was hiervoor essentieel.
Sommige filosofen pleitten voor een sociaal contract om de ongelijkheid tussen mensen te beperken, een contract waarin mensen tot afspraken komen om in natuurlijke vrijheid en gelijkheid te kunnen leven.
In dit contract lag ook een rol weggelegd voor de staat. Hun eerste taak was om burgers en hun eigendommen te beschermen. Hiervoor kreeg de staat een geweldsmonopolie.
In de ogen van de filosofen uit de Verlichting waren er vier grondbeginselen van de rechtsstaat:
1. Grondrecht
alle mensen zijn gelijk en moeten in vrijheid kunnen leven.
2. Soevereiniteits- en democratiebeginsel
burgers sluiten een gezamenlijk vredesakkoord, het sociaal contract.
3. Legaliteitsbeginsel . De staat moet zich aan de wetten blijven houden.
4. Trias politica . De macht van de staat is in drien gescheiden en zo beschermd.
1.3 De eerste rechtsstaten
Amerika was een van de eerste rechtsstaten ter wereld. In 1776 werd de Amerikaanse constitutie (grondwet) gevormd, bestaande uit de Onafhankelijkheidsverklaring, de grondwet en de Bill of Rights .
Frankrijk volgde in 1789 met de Franse Revolutie . Die resulteerde uiteindelijk in de Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger (1791), waarin de bevolking nieuwe rechten kreeg. Uiteindelijk had dit nauwelijks effect. Eerst was er Napoleon als dictator (1799-1815) en daarna werd alles weer het oude: er was veel macht voor de koning, de adel en de Kerk.

Hoofdstuk 2: Grondwet en grondrechten
2.1 Ontstaan van de grondwet
2.2 Wat staat er in de grondwet?
2.3 Wat zijn de grenzen van onze vrijheid?
Hoofdstuk 2 Grondwet en grondrechten

Wat doet een grondwet? Het
begrenst de macht van de staat en zorgt dat de burgers vrij zijn;
legt rechten van burgers vast;
organiseert een staat (koning, parlement, rechters etc.)
helpt bij het vormen van een eenheidsstaat (alle burgers een eenheid zijn)

2.1 Ontstaan van de grondwet
In 1848 kreeg de liberaal Thorbecke de opdracht van de koning Willem II om de grondwet te herzien (te vernieuwen). Dat deed hij. In de nieuwe grondwet werd de koning onschendbaar en kwam het principe van ministerile verantwoordelijkheid . Ook kwamen er officile verkiezingen voor een parlement (de Tweede Kamer), waarbij mannen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden mee mochten stemmen (= censuskiesrecht ).
Thorbecke was een echte liberaal en vond de staat de burgers zo veel mogelijk vrijheid moest geven. Burgers konden dan zelf bepalen hoe ze die vrijheden wilden gebruiken. Dit principe (een hele passieve overheid) noemen we een nachtwakersstaat , een staat die zich vooral inzet voor de veiligheid en vrijheid van burgers en zich voor de rest zo min mogelijk bemoeit met het leven van de burgers.
Uiteindelijk had dit ook enkele negatieve effecten. Er ontstond een grote financile kloof tussen arm en rijk (arbeiders vs elite). Ook kwam er een roep voor nog meer democratie, wat uiteindelijk resulteerde in het algemeen mannenkiesrecht (1917) en het vrouwenkiesrecht (1919).
De Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting betekenden een ruw einde aan de grondrechten. Massamoorden, beperkte veiligheid en vrijheid: het was een zwarte bladzijde in de Nederlandse geschiedenis.
Na de oorlog werd de oude grondwet hersteld en in 1983 werd hij nog eens herzien.
2.2 Wat staat er in de grondwet?
We maken in de grondwet onderscheid tussen twee soorten grondrechten.
De grondwet begint met de klassieke grondrechten . Dit zijn rechten die de vrijheid en gelijkheid van burgers beschermt. Er zijn verschillende soorten:
1.
o Het recht op gelijke behandeling (geen discriminatie e.d.)
o Persoonlijke vrijheid (recht op privacy e.d.)
o Politieke vrijheid (kiesrecht e.d.)
De tweede soort grondrechten zijn de sociale grondrechten . Deze verplichten de overheid tot inzet op bepaalde vlakken, zoals het zorgen voor werkgelegenheid, goede gezondheidszorg en meer. Deze rechten maken Nederland een sociale rechtsstaat.

2.3 Wat zijn de grenzen van onze vrijheid?
Het doel van de grondwet is een vredige samenleving. Hiervoor is wel belangrijk dat iedere burger de wetten erkent en consequent volgt: als jij vrijheid van meningsuiting, moet je ook anderen hun mening laten uiten.
Soms botsen wetten met elkaar. Denk bijvoorbeeld aan het boerkaverbod dat sindskort geldt in Nederland: is dat niet in strijd met de vrijheid van godsdienst? Uiteindelijk is het in deze situaties aan de rechter om te beslissen welke wet voorrang krijgt.
De verticale werking van grondrechten betekent dat burgers ze kunnen uitoefenen tegenover de staat (zoals bij de discussie rond het boerkaverbod). Horizontale werking vindt plaats als burgers zich tegenover elkaar op grondrechten gaan beroepen.
Hoofdstuk 3: Legaliteitsbeginsel
3.1 Legaliteitsbeginsel en de rechtsstaat
3.2 Uitbouw van de sociale rechtsstaat
3.3 Horizontale en verticale machtsverhoudingen

Hoofdstuk 3: Legaliteitsbeginsel

Het legaliteitsbeginsel betekent dat iemands vrijheid alleen ingeperkt kan worden als de rechtmatigheid van die beperking is vastgelegd in wetten en regels die door het parlement zijn aangenomen.

3.1 Legaliteitsbeginsel en de rechtsstaat
In Nederland spreken we van de heerschappij van de wet: iedereen, ook de overheid, moet zich aan de wet houden. Dit zorgt voor meer rechtszekerheid: burgers kunnen vertrouwen op de wet en dus ook op de staat die deze volgt. In Nederland zijn er een hoop regels, normen en waarden (bijv. voor oude mensen opstaan in het openbaar vervoer). Wanneer deze in de wet zijn vastgelegd, dan spreken we van rechten. Het geheel van rechtsregels, -beginselen en de manier waarop het recht is georganiseerd noemen we de rechtsorde.
Er zijn enkele voorwaarden voor een goed werkende wet:
Algemeenheid: de wet moet voor iedereen gelden.
Openbaar en begrijpelijk: iedereen moet de wet kennen en snappen.
Mogelijkheid: er mogen geen eisen gesteld worden waaraan niemand kan voldoen.
Eerlijke start: wetten mogen niet met terugwerkende kracht ingaan.
Stabiliteit: wetten mogen niet al te vaak veranderen.
Toepassing: wetten moeten redelijk en zorgvuldig zijn.
Op deze voorwaarden rust ook het legaliteitsbeginsel: de wetgeving voldoet aan kwaliteitseisen & de overheid volgt deze wetgeving.


3.2 Uitbouw van de sociale rechtsstaat
Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de overheid het erg druk. Het land moest opnieuw opgebouwd worden en bovendien waren er extra sociale grondrechten gekomen in het begin van de eeuw. Om alles uit te kunnen voeren, ging de overheid meer taken geven aan de gemeenten en aan bedrijven (privatisering). Hierom ontstond ook de Algemene Wet Bestuursrecht , om zo het legaliteitsbeginsel te kunnen handhaven.

3.3 Horizontale en verticale machtsverhoudingen
Horizontale relaties zijn afspraken tussen burgers (huwelijk, contract op werk etc.). Deze dingen staan beschreven in het Burgerlijk Wetboek, wat de basis van het privaatrecht .
Verticale relaties zijn afspraken tussen burgers en de overheid (belasting, verkeersregels etc.). Dit is het publiekrecht .










Hoofdstuk 4: Trias Politica
4.1 Ontstaan en doel van de Trias Politica
4.2 De drie machten in Nederland
4.3 Samenspel van de drie machten

Hoofdstuk 4: Trias politica



4.1 Ontstaan en doel van de Trias Politica
De Trias Politica heeft als doel het voorkomen dat de macht in de handen van n persoon of groep komt. Het verdeelt de macht in drien en heeft eveneens een controlerend systeem erachter: checks and balances . De drie machten kunnen samenwerken en elkaar controleren.


4.2 De drie machten in Nederland
De wetgevende macht stelt de wetten op. In Nederland wordt deze gevormd door de regering en het parlement. Op lokaal niveau zijn ook provincies, gemeenten en waterschappen de wetgevende macht, op internationaal niveau ook de Europese Unie en in mindere mate de Verenigde Naties.
De uitvoerende macht voert de wetten uit. In Nederland zijn dit de ministers en ambtenaren. Ambtenaren hebben discretionaire bevoegdheid , bevoegdheid om in sommige gevallen zelfstandig beslissingen te nemen over hoe een wet wordt toegepast . Controle vindt veelal plaats door de rechterlijke macht.
De rechterlijke macht bestaat natuurlijk uit de rechters. Deze moeten objectief kunnen zijn om klassenjustitie te voorkomen en kunnen ook niet zomaar ontslagen worden. De rechterlijke macht beschermt burgers die in conflict komen met de overheid. De controle op de rechterlijke macht vindt plaats als mensen in hoger beroep gaan of naar de Hoge Raad gaan.

4.3 Samenspel van de drie machten
De Trias Politica is niet altijd helemaal in evenwicht. Zo hebben ministers voor een deel zowel de wetgevende als de uitvoerende macht.
Rechters kunnen tegenwoordig ook jurisprudentie (eerdere uitspraken) gebruiken bij rechtspraak, doordat er al heel veel rechtszaken geweest zijn.










Hoofdstuk 5: Rechtsgebieden
5.1 Burger tegenover burger
5.2 Burger tegenover overheid
5.3 Bestuursrecht

Hoofdstuk 5: Rechtsgebieden

5.1 Burger tegenover burger
Rechtszaken tussen burgers vallen binnen het privaatrecht . In deze vorm staat altijd een eiser tegenover een gedaagde. De regels, die je ook wel civiel recht of burgerlijk recht noemt, zijn opgeschreven in het Burgerlijk Wetboek.
Er zijn enkele soorten privaatrecht:
Personen- en familierecht gaat over zaken als huwelijken (of scheidingen), adoptie e.d.
Ondernemingsrecht regelt het oprichten van een bedrijf, vereniging e.d.
Vermogensrecht regelt zaken over erfenissen, vermogen e.d.
Verloop van een burgerlijke zaak:
1. Een dagvaarding gaat uit naar de gedaagde, waarin staat waarom en wanneer hij naar de rechter moet komen. Deze bevat de naam van de eiser, de eis, een motivatie (waarom?) en tijdstip en plaats van de rechtszaak.
2. De rechtszaak zelf vindt plaats.
3. De uitspraak van de rechter volgt enkele dagen/weken later. Hij heeft verschillende opties: geldboete, dwangsom e.d.
Een aparte vorm is een kort geding. Hierbij vindt alles versneld plaats en vaak wordt op de dag van de rechtszaak (of vlak daarna) al uitspraak gedaan.


5.2. Burger tegenover overheid
Wanneer een burger tegenover de overheid staat (of overheden onderling), spreken we van publiekrecht . Ook hier zijn weer verschillende vormen te onderscheiden:
Staatsrecht bepaalt de inrichting van de Nederlandse staat (rechten van de uitvoerende macht, de grondwet e.d.)
Strafrecht gaat over de veroordeling van criminelen.
Bestuursrecht (zie volgende paragraaf) gaat over de overheid zelf.

5.3 Bestuursrecht
Bestuursrecht bepaalt dat de overheid zich ook aan wetten en regels dient te houden. Dit gebeurt met name op vier gebieden:
Vergunningen. Aan welke eisen moet je als aanvrager voldoen?
Uitkeringen en subsidies. Wanneer krijg je ze en wanneer niet (meer)?
Asielaanvragen en verblijfsvergunningen. Wanneer krijg je ze en wanneer niet?
Belastingen . Wanneer moet je bepaalde belastingen betalen?
Je kan als burger altijd bezwaar maken tegen bepaalde beslissingen van de overheid en dan kom je bij de bestuursrechter uit. Die kijkt dan naar de zaak.
Hoofdstuk 6 Strafrecht: Opsporing en vervolging
6.1 De rechtsstaat en het strafrecht
6.2 Het strafproces
6.3 Veiligheid, vrijheid

Hoofdstuk 6 Strafrecht: Opsporing en vervolging

6.1. De rechtsstaat en het strafrecht
De wet heeft bepaalde regels ingesteld om te voorkomen dat de grondrechten van burgers geschonden worden in het strafrecht:
Eerlijk proces met onafhankelijke rechter.
Onschuldpresumptie
je bent onschuldig totdat het tegendeel bewezen is.
Strafprocesrecht
er zijn regels voor het behandelen van verdachten en rechtszaken.
Recht op advocaat.
De wet vertelt de overheid wat ze wel en niet (legaliteitsbeginsel) mogen doen. Dit is ook terug te zien in het Wetboek van Strafrecht, wat het strafrecht regelt:
Het strafbaarheid beginsel in Artikel 1 zegt dat geen feit strafbaar is dan op grond van een daaraan voorafgegane strafbepaling.
Er moet een duidelijke omschrijving zijn van de strafbepaling.
Er geldt een ne bis in idem-regel: niemand kan twee keer vervolgd worden voor dezelfde actie.
Er gelden maximumstraffen .
Je kan niet gestraft worden als je onschuldig bent.
Zaken kunnen verjaren: 12 jaar na de betreffende actie kan je niet meer vervolgd worden.
Het wetboek maakt ook onderscheid tussen misdrijven (ernstige dingen zoals moord, doodslag, mishandeling) en overtredingen (minder ernstige dingen zoals wildplassen, openbaar dronkenschap)


6.2. Het strafproces
Een strafproces bestaat uit zes fasen:
1. Aanhouding . De politie kan je staande houden of echt arresteren. Een verdachte moet weten waarom hij aangehouden wordt en kan dan in voorarrest geplaatst worden.
2. Opsporing . De politie verzamelt info en maakt een proces-verbaal. Soms mogen ze dwangmiddelen gebruiken (huiszoeking, undercoveroperatie e.d.), maar alleen met toestemming van de rechter en/of Officier van Justitie.
3. Vervolging door het Openbaar Ministerie. Deze heeft vier opties:
1. Transactie (zaak afdoen met geldboete; verdachte moet vaak wel zelf akkoord gaan)
2. Strafbeschikking (straf opleggen; verdachte moet vaak wel zelf akkoord gaan)
3. Seponeren (stoppen met vervolgen)
4. Vervolgen voor de rechter
4. Berechting door rechters en strafoplegging.
5. Hoger beroep , als de verdachte of het OM het niet eens is met de straf.
6. Uitvoering straf

6.3. Veiligheid, vrijheid
Vanwege recente ontwikkelingen, zoals terroristische dreiging en de opkomst van georganiseerde misdaad, heeft de politie en het OM meer opsporingsbevoegdheden gekregen. Dit zorgt voor een spanning tussen veiligheid en vrijheid: hoe meer van het een, hoe minder van het ander. Een voorbeeld hiervan is de sleepwet.
Enkele voorbeelden van nieuwe wetten die zorgen voor meer veiligheid/opsporing, maar voor minder privacy zijn:
De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden . Deze laat geheime doorzoekingen van panden toe.
Door het wetsvoorstel Computercriminaliteit III mogen agenten onder voorwaarden verdachten te hacken.
De Wet opsporing terroristische misdrijven geeft politie het recht verdachten sneller aan te houden.
Ook zijn er enkele wetten die zorgen dat het proces van verdachten misschien minder eerlijk wordt.
De Wet afgeschermde getuigen geeft de AIVD de mogelijkheid anonieme getuigen te gebruiken in een rechtszaak.
Het OM heeft soms het recht tot strafbeschikking (zelf een straf opleggen).
Als iemand op de nationale terrorismelijst komt, mag diegene niet meer pinnen en geld lenen. Je bent dan nog niet schuldig bewezen, maar krijgt dus toch straf.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document