Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 2 De Staat
Staat -> een samenleving van mensen die wonen op een bepaald stuk grond waar bepaalde rechtsregels gelden, die zo nodig door dwang kunnen worden gehandhaafd.
De typische kenmerken van een staat zijn: grondgebied, inwoners en een bepaalde vorm van overheidsgezag. Grondgebied -> het meest tastbare kenmerk van een staat.
De grenzen van dat grondgebied zijn vastgesteld in internationale verdragen met de buurlanden. Hierbij behoren ook de territoriale wateren en de lucht boven het grondgebied.
Het water buiten de territoriale zee en de lucht boven de vliegtuiggrens is internationaal gebied. Regels over het gebruik daarvan moeten bijv. in internationale verdragen worden vastgelegd door de aangrenzende staten.
Staatsgezag -> beschrijft de organisatie van het overheidsgezag in een bepaalde staat.
3 Bronnen van het staatsrecht
Een overzicht van de bronnen van het staatsrecht:
Grondwet -> hierin is de structuur van het Nederlands staatsbestel is vastgelegd.
De Grondwet begint met een opsomming van de fundamentele rechten die burgers in een staat hebben. Daarna
beschrijft het onder andere de positie van de volksvertegenwoordiging, van de ministers en van het staatshoofd.
Organieke wetten -> een wet die in opdracht van de Grondwet een bepaald onderwerp met betrekking tot de opbouw
en inrichting van het staatsbetel nader regelt.
Gewoonte -> informatie over gewoonte staat niet in de grondwet.
Jurisprudentie -> is ook voor het staatsrecht een belangrijke bron.
Internationale verdragen -> sinds de Tweede Wereldoorlog is de betekenis van internationale verdragen als rechtsbron
sterk toegenomen.
Statuut voor het Koninkrijk -> regelt de verhoudingen tussen de verschillende delen van het Koninkrijk der Nederlanden.
Vanaf 10 oktober 2010 zijn Aruba, Sint-Maarten en Curaao volgens het Statuur zelfstandige landen in het Koninkrijk.
Op basis van art. 132a van Grondwet maken Bonaire, Saba en Sint-Eustatius als openbare lichamen deel uit van het staatsbestel van Nederland.
4 De volksvertegenwoordiging
Essentieel voor de Nederlandse democratie is een volksvertegenwoordiging, want de invloed van burgers op het (lands)bestuur krijgt hiermee vorm.
Staten-Generaal (ook wel parlement of volksvertegenwoordiging) -> bestaat uit de Eerste Kamer en de Tweede Kamer. De taak van beide Kamers is het vertegenwoordigen van het gehele Nederlandse volk.
De Kamer hebben een wetgevende taak.
Samen met de regering vormen de Kamers de hoogste wetgever, want de belangrijkste wetten worden door beide
Kamers en regering samen gemaakt.
De Kamers hebben ook een controlerende taak.
Zij controleren het beleid van de regering en zo nodig roepen Kamerleden ministers ter verantwoording.
6
Tweede Kamer
De Tweede Kamer bestaat uit 150 leden, die voor een periode van vier jaar rechtstreeks worden gekozen. Iedere Nederlander van 18 jaar of ouder heeft in het beginsel het recht om de volksvertegenwoordiging te kiezen (passief kiesrecht) en om daarin gekozen te worden (actief kiesrecht).
Eerste Kamer
De Eerste Kamer bestaat uit 75 leden, die ook voor vier jaar gekozen worden. Zij worden niet rechtstreeks door burgers gekozen maar door de Provinciale Staten en door een kiescollege (verkozen door de bewoners van de Caribische eilanden die deel uitmaken van Nederland).
De Provinciale Staten en dit kiescollege worden wel rechtstreeks door de kiesgerechtigde burgers gekozen. Daarom spreekt men wel van getrapte verkiezingen.
5 De werkwijze van de Kamers
Fractie
Fractie -> alle Kamerleden van dezelfde politieke partij.
De fractie is de politieke uitvalbasis van waaruit een Kamerlid haar werk doet. In wekelijkse fractievergaderingen bepalen
Kamerleden hun politieke keuzes en voeren ze overleg met hun collega-fractiegenoten. Formeel is een Kamerlid niet gebonden aan de fractie (art. 67 lid 3 Grondwet).
Iedere fractie kiest in de eerste vergadering na de verkiezingen een fractievoorzitter..
Commissie
Meestal gaat het om vaste commissies, die officieel telkens voor een parlementair jaar, maar feitelijk voor de gehele Kamerperiode worden ingesteld, en zich met een bepaald deelterrein van het bestuur bezighouden.
In deze commissies zitten Kamerleden uit de verschillende fracties.
In zon commissie zitten maar 15 tot 20 Kamerleden, toch kan daar veel politiek handwerk worden verricht want alle
fracties zijn vertegenwoordigd en bovendien zijn alle deskundige bij elkaar, want de commissie bestaat uit fractiespecialisten.
Fractiespecialisten -> Kamerleden die namens hun fractie het onderwerp van de commissie bijhouden. Zij vormen
samen de vaste commissies in de relevante beleidsterreinen.
De fractiespecialisten bereiden de plenaire vergaderingen van de Kamer voor.
Bijzondere commissies worden ingesteld naar aanleiding van een bepaalde gebeurtenis en wordt weer opgegeven als ze hun opdracht hebben afgerond en er, naar aanleiding van een einderslag van de commissie, een debat in de Kamer heeft plaatsgevonden
6 Het tweekamerstelsel Nederland kent een tweekamerstelsel.
Er is in de loop van de jaren een accent in de taakverdeling tussen beide Kamers ontstaan, een taakverdeling die tot het ongeschreven staatsrecht behoort.
Tweede Kamer: politiek debat
In de Tweede Kamer ligt de nadruk op het politieke debat. Daar gaat het vooral om keuzes die bij het voeren van beleid moeten worden gemaakt, en om de gevolgen die de die keuzes voor de verschillende bevolkingsgroepen hebben. Dit leidt vaak tot spanningen.
7
Eerste Kamer: terughoudend
De senaat (ander woord voor Eerste Kamer) stelt zich doorgaans terughoudend op als het gaat om politiek-inhoudelijke vragen. In de senaat ligt het accent op de juridisch-technische kanten van beleid en wetgeving.
Daarmee is het dilemma van de Eerste Kamer meteen aangegeven: de senaat is nagenoeg onomstreden als hij zich aan de ongeschreven taakverdeling tussen Eerste en Tweede Kamer houdt. Zo gauw de senaat zich in politiek gevoelige discussies mengt, raakt dit college enigszins omstreden.
Als het er naar hun oordeel echt op aan komt, wagen de senatoren zich op politiek terrein.
7 De regering
De regering heeft, globaal gezegd, de taak om Nederland te besturen (bestuurstaak) en een wetgevende taak.
Zo vormt de regering samen met de Eerste en Tweede Kamer de hoogste wetgever van Nederland.
De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers. De regering wordt niet, zoals de Kamers, gekozen want het
koningschap is erfelijk en de ministers worden bij koninklijk besluit benoemd.
Minister
Minister -> aan het hoofd van iedere ministerie.
De minister is politiek verantwoordelijk voor de wijze waarop die bestuurstaak wordt uitgevoerd.
Politiek verantwoordelijk -> de Kamer kan de minister ter verantwoording roepen als de Kamer meent dat er iets mis is met het beleid.
Er zijn ook ministers zonder portefeuille. Zij hebben een eigen beleidsterrein maar geen eigen ministerie.
De verschillende ministeries verzorgen ieder een deel van de bestuurstaak.
Staatssecretaris
De staatssecretaris is politiek verantwoordelijk voor dat deel van het beleid waarvoor hij is benoemd. De ministers blijft altijd politiek verantwoordelijk voor het totale beleid.
In de praktijk spreekt de Kamer de staatssecretaris op haar eigen deelterrein aan en wordt de minister daar normaal gesproken buiten gehouden.
Soms heeft een staatssecretaris een even zware en soms zelfs gevoeligere portefeuille dan haar minister.
Ministerraad
De ministers vormen samen de ministerraad. In deze raad worden de hoofdlijnen van het regeringsbeleid vastgesteld. De ministerraad is het belangrijkste bestuurscollege van Nederland.
Minister-president
De minister-president is de voorzitter van de ministerraad en stelt de agenda hiervoor vast. Ze is de voorzitter van de onderraden, heeft een in het algemeen een meer cordinerende en bemiddelende rol, ze is het gezicht naar buiten en ze heeft wekelijks contact met het staatshoofd..
Onderraden -> vergaderingen van een beperkt aantal ministers over een bepaald aspect van het regeringsbeleid.
De belangrijkste rol die de minister-president binnen de Europese Unie heeft is dat zij deel uitmaakt van de Europese Raad, waarin regeringsleiders van de lidstaten de hoofdlijnen van het beleid van de Unie vaststellen.
Dit gebeurt in de zogeheten Eurotop, die minstens tweemaal per jaar gehouden wordt. 8 Het staatshoofd
Het staatshoofd maakt ook deel uit van de regering. De regering wordt daarom ook wel de kroon genoemd. Het koningschap wordt volgens art. 24 Grondwet, erfelijk vervuld door de wettige opvolger van Willem I.
8
Onschendbaarheid
Het staatshoofd is geen politieke ambtsdrager. Hij of zij kan dus niet in de Kamer ter verantwoording worden geroepen voor het regeringsbeleid.
De ministers zijn politiek verantwoordelijk voor de daden en uitspraken van het staatshoofd.
Geheim van Huis ten Bosch
Binnenkamers heeft het staatshoofd wel degelijk enige invloed op het beleid, vooral in het wekelijks overleg met de minister- president en het regelmatig overleg met de overige ministers.
Over deze invloed is weinig bekend, omdat het de gewoonte is dat de ministers over deze gesprekken niets naar buiten brengen.
Kabinet en regering
De regering bestaat uit het staatshoofd en ministers
Het kabinet wordt gevormd door alle politieke ambtsdragers, dus uit de ministers en de staatssecretarissen.
9 De kabinetsformatie
De ministers en staatssecretarissen worden formeel door het staatshoofd benoemd. Dit sluit de kabinetsformatie af.
Kabinetsformatie -> de (deels ongeschreven) procedure die leidt tot de vorming van een nieuw kabinet.
Deze procedure is in 2012 gewijzigd. Hierdoor ligt de regie over de formatie voortaan bij de Tweede Kamer. .
Ontslag oude kabinet
Op de voor avond van de verkiezingen voor de Tweede Kamer biedt het oude kabinet haar ontslag aan, aan het staatshoofd. Het staatshoofd ontslaat de bewindspersoon (nog) niet, maar neemt het ontslag in overweging. Hierdoor wordt het kabinet demissionair.
Lopende zaken blijven lopen maar er wordt geen nieuw beleid meer ingezet.
Adviesronde
5) De kabinetsformatie
1. Consultatie door de fractievoorzitters
2. Benoeming informateur
3. Benoeming formateur
4. Constituerend beraad
5. Benoeming en bediging van de bewindspersonen
6. Regeringsverklaring in de Tweede Kamer
De dag na de verkiezingen komen de voorzitters van de gekozen fracties van de Tweede Kamer bij elkaar om te bezien welke coalitie wenselijk is.
Omdat geen enkele partij een absolute meerderheid in de kamer heeft, zullen altijd twee of meer partijen in de Kamer bereid moeten zijn het kabinet te steunen.
Coalitie -> combinatie van partijen (en van fracties in de Tweede Kamer) die het kabinet steunt.
Benoeming informateur
Op basis van het overleg van de fractievoorzitters benoemt de Tweede Kamer een informateur en geeft haar een (doorgaans tamelijk) gerichte opdracht om bepaalde mogelijkheden te onderzoeken voor de vorming van een coalitie.
Als de informateur aan haar opdracht heeft voldaan, brengt zij verslag uit aan de Tweede Kamer. Als alles goed gaat, leidt dit verslag tot benoeming van een formateur.
Als dat de opdracht van de informateur mislukt. Geeft ze dan haar opdracht terug, waarop de benoeming van een nieuwe informateur volgt, die soms dezelfde maar vaak een wat andere opdracht krijgt.
De informatiefase is afgesloten als twee of meer coalitiepartners er onder leiding van de informateur in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over het beleid van een nieuw kabinet. De onderhandelingen hierover worden gevoerd door de fractievoorzitter van de partijen die de coalitie gaan vormen.
9
Benoeming formateur
Hierna benoemt de Tweede Kamer een formateur, die wordt belast met de vorming van een nieuw kabinet. Zij stelt op basis van het verslag van de informateur en in overleg met de fractievoorzitters een regeerakkoord op waarin de hoofdlijnen van het te voeren beleid in worden vastgelegd.
Vervolgens zoekt zij bewindspersonen voor de verschillende ministeries. Deze bewindspersonen worden geleverd door de politieke partijen die aan de coalitie deelnemen.
De politieke partijen zoeken hun kandidaats-bewindspersonen doorgaans niet alleen in de fracties, zij benaderen ook leden van buiten Den Haag.
Als een Kamerlid bewindspersoon wordt, moet zij uit de Kamer vertrekken.
De combinatie van Kamerlidsmaatschap en bewindspersoon is in Nederland uitgesloten. De zetel van het vertrekkende
Kamerlid wordt opgevuld door de kandidaat die na de verkiezingen net niet verkozen werd.
Constituerend beraad
Als sluitstuk van de formatie vindt een constituerend beraad plaats met de beoogde ministers. De kandidaat-ministers hebben dan de gelegenheid te reageren op het regeerakkoord. Als zij bereid zijn zich aan dit akkoord te binden, gaat de formateur terug naar het staatshoofd voor haar eindverslag.
Benoeming bewindspersonen
Vervolgens volgt de bediging en de benoeming van de bewindspersonen en wordt aan de bewindspersonen van het oude kabinet ontslag verleend.
Het is gebruikelijk dat de formateur minister-president wordt.
De benoemingsbesluiten worden ondertekend door het staatshoofd en, in verband met de politieke verantwoordelijkheid, door de minister-president.
Regeringsverklaring
Enkele dagen na de benoeming legt de minister-president namens het kabinet in de Tweede Kamer de regeringsverklaring af, waarin hij de hoofdlijnen van het beleid van het nieuwe kabinet schetst.
Het is gebruikelijk dat de coalitiefracties in reactie hierop hun steun aan het nieuwe kabinetsbeleid toezeggen.
10
1 Inleiding
Een democratie betekent (globaal gezegd) dat de burgers invloed hebben op de manier waarop er geregeerd wordt. Hoe die invloed feitelijk vorm krijgt is te zien aan drie belangrijke kenmerken van de democratie: Vrije verkiezingen, parlementair stelsel en respect voor de grondrechten.
Behalve een democratie is Nederland ook een rechtstaat.
2 Vrije verkiezingen
Fundamenteel voor een democratie is dat er regelmatig vrije verkiezingen worden gehouden waaraan nagenoeg alle (meerderjarige) burgers mee kunnen doen (art. 4 Grondwet).
Politieke partij
Politieke partij -> vereniging van mensen die ongeveer dezelfde ideen hebben over de positie van de overheid in de staat. Dergelijke fundamentele opvattingen leiden tot standpunten over allerlei politieke kwesties en die zijn vervolgens weer
terug te vinden in het verkiezingsprogramma.
Verkiezingen zijn pas echt vrij als iedere politieke partij een eerlijke kans krijgt om mee te doen aan de verkiezingen (art. 8 Grondwet).
Kiesstelsel: evenredige vertegenwoordiging
Hoe de uitslag van de verkiezingen wordt vertaald in Kamerzetels, is afhankelijk van het kiesstel dat wordt gebruikt.
In Nederland geldt het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging (art. 53 lid 1 Grondwet)..
Het hele land bestaat dan in feite uit n groot kiesgebied. Dus alle stemmen die op een bepaalde partij worden
uitgebracht, worden bij elkaar opgeteld en vervolgens gedeeld door de kiesdeler.
Om technische reden is Nederland opgedeeld in verschillende kieskringen, maar deze kringen hebben slechts een
administratieve betekenis.
Omdat partijen bijna nooit precies een veelvoud van de kiesdeler aan stemmen halen, blijven er een paar zetels over. De Kieswet geeft aan hoe deze restzetels verdeeld moeten worden.
6) Berekeningvoor het aantal behaalde zetels
Men spreekt bij deze verdeling wel over het stelsel van de grootste middelen.
Voor de verdeling van de restzetels deelt men het totaal aantal stemmen dat een bepaalde partij heeft gehaald door het aantal zetels dat die partij heeft behaald plus n. De partij die bij deze berekening het grootste gemiddelde behaalt, krijgt de restzetel.
Totaal aantal geldig uitgebrachte stemmen op een partij = Kiesdeler
aantal zetels in de Kamer
De vertaling van de verkiezingsuitslag via dit stelsel geeft een redelijk goede afspiegeling van de politieke verhoudingen in een land.
Voorkeursstemmen
7) De kiesdeler
Normaal gesproken wordt via de volgorde van de verkiezingslijst besloten wie er naar de Kamer gaan.
De kiezer kan doormiddel van voorkeursstemmen uit te brengen op een kandidaat deze volgorde veranderen. Als een kandidaat minstens een kwart van de kiesdeler (circa 15.000) aan voorkeursstemmen wordt uitgebracht, komt deze
kandidaat ongeacht haar plaats in de lijst, in de Kamer.
Alles wat het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij wet geregeld (art. 59 Grondwet).
Totaalaantalgeldigeuitgebrachtestemmen =kiesdeler 150 Kamerzetels
11
Districtenstelsel
Bij dit kiesstelsel wordt het land in een aantal kiesdistricten verdeeld. De kandidaat of partij die in een bepaald district de meeste stemmen behaalt, is gekozen.
Soms geldt als eis dat een kandidaat alleen gekozen is als zij een absolute meerderheid van stemmen heeft verworven.
Het nadeel van dis stelsel is dat kleinere groeperingen met een aanhang verspreid over het land (die in geen enkel district een meerderheid behaalt) hierdoor niet in de volksvertegenwoordiging komen.
Bovendien kan de uitslag een tamelijk vertekend beeld van de werkelijk politieke verhoudingen geven.
De band tussen kiezer en gekozene is doorgaans wat sterker, want een district heeft eigen afgevaardigden in de
volksvertegenwoordiging.
3 Het parlementair stelsel
Regeringsstelsel -> beschrijft de verhouding tussen de regering en de volksvertegenwoordiging.
Het parlementair stelsel is een regeringsstelsel. Kenmerkend hiervoor is dat de benoemde ministers verantwoording af moeten leggen aan de gekozen volksvertegenwoordiging (art. 42 lid 2 Grondwet).
De ministers zijn voor alles wat er in hun naam gebeurt, op hun
terrein, namens de overheid gebeurt verantwoording schuldig aan beide kamers, de ministerile verantwoordelijkheid.
Deze regel geldt voor het gehele kabinet.
Constitutionele monarchie met parlementair stelsel
Met een monarchie wordt bedoeld dat het staatshoofd door erfopvolging aan de macht komt.
In de 19de eeuw is de macht van het staatshoofd drastisch beperkt, vooral door zijn parlementaire onschendbaarheid.
Omdat de positie van het staatshoofd is vastgelegd en beperkt in de Grondwet (monarchie) wordt de Nederlandse monarchie een constitutionele monarchie genoemd, waaraan dan nog wordt toegevoegd met parlementair stelsel, om aan te geven hoe de verhouding ligt tussen regering en volksvertegenwoordiging.
4 Grondrechten
Grondrechten worden ook wel mensenrechten genoemd. Vaak worden deze begrippen door elkaar gebruikt.
Historische ontwikkeling
In de 16de, 17de en 18de eeuw won in West-Europa de gedachte terrein dat de individuele burger bepaalde rechten dient te hebben die hen een zekere mate van vrijheid geeft en die ook de overheid respecteert.
Toen men ging inzien dat de staat in dienst kan staan van de burgers ontstonden ook de gedachte over wat we nu grondrechten noemen.
In 1798 werd dit type recht voor het eerst in een wet opgenomen in de Staatsregeling voor het Bataafse Volk. Ook de Grondwet van 1814, en latere wijzigingen daarvan, bevatte verspreid door de gehele tekst een aantal grondrechten.
Het duurde tot 1983 voordat de grondrechten (bijna) allemaal bij elkaar werden gezet in het eerste hoofdstuk van de Grondwet.
Bij deze grondwetswijziging werd voor het eerst ook een aantal sociale grondrechten opgenomen.
De Tweede Wereldoorlog leidden tot een aantal internationale verdragen op het gebied van de mensenrechten. Deze zijn veelal gebaseerd op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 1948 is aangenomen.
Formeel heeft de regering bij een conflict met de Kamer de bevoegdheid de Kamer te ontbinden om het conflict op die manier aan de kiezers voor te leggen.
Komt hetzelfde conflict in de nieuwe Kamer terug, dan mag de regering de Kamer niet opnieuw ontbinden maar moet het kabinet opstappen.
12
Deze verklaring is zelf geen verdrag, de lidstaten van de VN zijn niet juridisch maar moreel aan deze verklaring gebonden.
De Universele Verklaring is voor een aantal West-Europese landen uitgewerkt in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat in 1950 in Rome werd afgesloten en waarbij Nederland zich in 1954 aansloot.
Burgers van de aangesloten landen zich bij een eventuele schending van een recht, rechtstreeks tot een internationale rechter van het Europese Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg kunnen wenden.
Als iemand in eigen land is uitgeprocedeerd, kunnen ze een oordeel van het Europese Hof vragen.
De inhoud van het EVRM is in de loop der jaren telkens aangevuld met protocollen.
Op het moment dat Nederland zich aansloot was de algemene verwachting dat het nationale recht nauwelijks zou
worden benvloed door de in dit verdrag opgenomen mensenrechten, omdat alles op dit terrein in Nederland wel in orde was. Maar de jaren 80 leert de praktijk echter anders want door een aantal uitspraken van het Europese Hof is de Nederlandse wetgever gedwongen geweest tot het aanbrengen van fundamentele veranderingen.
In het kader van de EU bestaat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat krachtens art. 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie dezelfde juridische waarde heeft als de EU-verdragen.
Grondrechten bieden vrijheid
De grondrechten geven de individuele burger enige vrijheid ten opzichte van de overheid. Om hun belang aan te geven, zijn ze sinds 1983 opgenomen in het eerste hoofdstuk van de Grondwet.
Ook een aantal internationale verdragen waarbij Nederland is aangesloten, bevatten grondrechten.
Klassieke en sociale grondrechten
Klassieke grondrechten -> de burger wordt bewegingsruimte geboden en er wordt aan de overheid een passieve opstelling gevraagd.
Art. 1 t/m 18 lid 1 Grondwet bevatten klassieke grondrechten.
De klassieke grondrechten kunnen worden verdeeld in vrijheidsrechten, politieke rechten en gelijkheidsrechten. Vrijheidsrechten -> gericht op de vrijheid van de burger ten opzichte van de overheid.
De vrijheidsrechten zijn: art. 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 15 en 23 lid 2.
Politieke rechten -> garanderen de burger dat zij ongeacht politieke opvattingen mee kan doen binnen het
Nederlandse democratisch bestel.
De politieke rechten zijn: art. 4, 5, 8 en 9.
Gelijkheidsrechten -> verbieden de overheid in gelijke gevallen onderscheid te maken tussen burgers.
Sociale grondrechten -> formuleren zorgtaken van de overheid en vragen daarom een actieve rol van de overheid. Art. 18 lid 2 t/m 22 Grondwet bevatten sociale grondrechten.
Art. 23 is een mengeling van een klassieke en een sociaal grondrecht.
Een belangrijk verschil tussen de klassieke en de sociale grondrechten is de rechtsbescherming voor de burgers.
Als een overheidsorgaan een klassiek grondrecht van een burger schendt, kan die burger naleving van het grondrecht via
de rechter afdwingen.
De naleving van een sociaal grondrecht kan niet worden afgedwongen.
Beperking van grondrechten
Het uitoefenen van een grondrecht geeft niet de bevoegdheid zomaar andermans rechten te schenden (art. 7 Grondwet).
13
Nagenoeg alle klassieke grondrechten worden beperkt. Dat is noodzakelijk om te voorkomen dat andermans rechten geschonden worden of dat de volksgezondheid, de verkeersveiligheid of de openbare orde in gevaar komt.
Een beperking van een grondrecht kan worden gezien als een door de wetgever noodzakelijk geachte inbreuk op de uitoefening van het grondrecht.
Vorm van beperking
Grondrechten kunnen op verschillende manieren worden beperkt. Soms door een algemene formulering in andere gevallen staat duidelijk aangegeven ter bescherming van welke belangen het grondrecht mag worden beperkt.
Doelcriteria zijn belangen met het oog waarop inbreuk gemaakt mag worden op het grondrecht. Grondrecht geeft zelf de beperking aan
Er geldt als regel dat het grondwetsartikel zelf aangeeft hoe en door welk orgaan het recht mag worden beperkt.
De gekozen terminologie de wet kan regels stellen wijst erop dat de hoogste wetgever (regering en Staten-Generaal) het opleggen van beperkingen kan delegeren aan lagere wetgevers. Echter, niet alle beperkingen zijn toegestaan, want, gelet op de doelcriteria mag de wetgever alleen beperkingen aanbrengen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheid.
Horizontale werking
Het beroep op een grondrecht in een conflict tussen twee burgers roept de vraag op of grondrechten ook werken tussen burgers onderling. Zij zijn immers bedoeld om de verhouding tussen overheid en burgers te regelen.
Grondrechten werken op de eerste plaats verticaal, tussen de machtige overheid en van die overheid afhankelijke burger. Over een eventuele horizontale werking is er niets in de Grondwet te vinden.
Bij de parlementaire behandeling van de Grondwet van 1983 heeft de regering duidelijk gemaakt dat het te ver gaat om aan alle klassieke grondrechten horizontale werkingen toe te kennen.
Horizontale werking van sommige grondrechten achtte de regering echter wel mogelijk. Inmiddels maakt de jurisprudentie duidelijk dat rechters inderdaad bereid zijn om aan een aantal grondrechten enige horizontale werking toe te kennen.
Deze grondrechten werken dus in sommige gevallen door in de verhouding tussen burgers onderling.
5 De rechtsstaat
Het beginsel van de rechtstaat houdt in dat het optreden van de overheid gebonden is aan de regels van het recht, en dat dit optreden kan worden getoetst door een onafhankelijke rechter.
Het uitgangspunt dat de overheid is gebonden aan de wet geldt voor alle overheidsfunctionarissen.
Vaak worden de begrippen democratie en rechtstaat met elkaar verbonden. Vaak wordt er dan gesproken over een democratische rechtsstaat. Hiermee wordt een dimensie aan de rechtstaat toegevoegd: de rechtsregels waaraan ook de overheid gebonden is, zijn in een democratische rechtstaat op een democratische manier tot stand gekomen.. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 20.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag