Studiebot antwoord

Stel een vraag ›
 
Vraag gesteld door: annanas004 - 1 jaar geleden

Maak een oefenexamen van de volgende tekst:
2 Omschrijving en doel van het recht
Het recht -> het geheel van regels dat de samenleving ordent.
Het doel van het recht is het ordenen van de samenleving, het voorkomen van conflicten en het geven van regels als er toch conflicten ontstaan.
3 Rechtsgebieden
Het recht is ingedeeld in verschillende rechtsgebieden
Staatsrecht
Staatsrecht -> geeft grondregels over de organisatie van de staat in ruste.
Biedt een beschrijving van de verschillende organen van de Staat en van hun onderlinge verhoudingen en van relatie
tussen burger en overheid.
Bestuursrecht
Bestuursrecht -> geeft de regels over de bestuurstaak (de ordende taak) van de overheid.
De overheid komt veelvuldig met (de belangen van) burgers in aanraking. Wat ze in dit soort contacten wel en niet mag
doen en hoe ze zich ten opzichte van burgers dient te gedragen wordt beschreven in het bestuursrecht.
Strafrecht
Strafrecht -> beschrijft verboden gedragingen waarop straf staat.
De wetgever neemt een bepaalde gedraging op in het strafrecht als zij vindt dat deze gedraging de rechtsorde zozeer
schendt, dat een bestraffende reactie van de overheid moet volgen.
,.
In het strafrecht spelen politie, het Openbaar Ministerie en de rechter een belangrijke rol.
Politie -> spoort strafbare feite op en de personen die van deze feiten verdacht worden.
Openbaar Ministerie (OM) -> beslist op basis van het opsporingsonderzoek of de verdachten zullen worden vervolgd.
Rechter -> beoordeelt het bewijs dat het om voor de verdenking aanlevert.
Meentderechterdatervoldoendebewijsisgeleverddatdeverdachtehetstrafbaarfeitheeftbegaan,danishet aan haar de taak om te beslissen of en zo ja welke straf zij de veroordeelde oplegt.
Burgerlijk recht
Burgerlijk recht/Civiel recht/Privaatrecht -> regelt de verhouding tussen burgers onderling. De rechtsrelaties kunnen heel verschillend van aard zijn.
Personen- en familierecht -> regelt familierechtelijke verhoudingen in en buiten het gezin. Vermogensrecht -> regelt de rechtsbetrekkingen die op geld waardeerbaar zijn.
Erfrecht -> beschrijft wat er gebeurt met het vermogen van een overledene.
4 Publiek en privaatrecht
Een andere indeling van het recht is gebaseerd op de specifieke rol van de overheid in het rechtsgebied.
Publiekrecht -> de overheid heeft een geheel eigen taak of positie. Bevat het; staatsrecht, bestuursrecht en het strafrecht.
2) Indeling publiekrecht en privaatrecht
Rechtsgebieden
Burgerlijk recht
1) De vier rechtsbronnen
Staatsrecht Bestuursrecht
Strafrecht
Staatsrecht Publikesrecht Bestuursrechts
Strafrecht Privaatrecht Burgerlijk recht
2

De overheid is hoedster van het algemeen belang. Daarom; beschikken organen van de overheid binnen het publiekrecht over specifieke bevoegdheden waarmee ze de medewerking van burgers en organisaties zo nodig kunnen afdwingen. Dit is om de samenleving te ordenen.
Burgers en organisaties kunnen te maken krijgen met overheidsoptreden dat hun privbelangen schaadt. Want een overheidsorgaan mag op basis van publieksrechtelijke bevoegdheden zijn wil toch doorzetten, ondanks verzet van burgers.
De wetgever heeft die bevoegdheden verleend omdat alleen zo het belang van de samenleving als geheeld kan
worden gediend.
Een kan dit optreden voorleggen aan een onafhankelijke rechter aan wiens oordeel ook overheidsorgaan
gebonden is.
Privaatrecht -> regelt de rechtsverhouding tussen burgers onderling.
Bevat het; privaatrecht.
5 Materieel en formeel recht
Een derde indeling van het recht is het onderscheid tussen materieel en formeel recht.
Materieel recht -> beschrijft de rechten en plichten van mensen en instellingen. Formeel recht -> is pas van belang als materile rechten geschonden worden.
Het formeel recht beschrijft hoe het materieel recht gehandhaafd wordt.
6 Overige indelingen
Nationaal en internationaal recht
Nationaal recht -> door een land gemaakte rechtsregels. Deze regels gelden alleen op het grondgebied van dat land. Internationaal recht -> regelt de rechtsrelaties tussen verschillende staten en ligt vast in verdragen.
Deze internationale verdragen bevatten soms regels waarmee de burgers rechtstreeks te maken hebben.
Objectief en subjectief recht
Objectief recht -> rechtsregels zoals die onder andere in wetten en verdragen te vinden zijn. Subjectief recht -> de rechten en bevoegdheden die mensen aan objectieve rechten ontlenen.
Materieel recht Rechten en plichten
Handhaving van het materieel recht
Formeelrecht
3) Indeling materieel en formeel recht
3

1 Inleiding
Rechtsbron -> vindplaats van het recht.
De vier belangrijkste rechtsbronnen zijn:
1. Het internationaal recht;
2. De wet;
3. De jurisprudentie;
4. De gewoonte.
2 Het internationale verdrag
Omdat een internationaal verdrag deel uitmaakt van het Nederlandse recht, geeft de Grondwet precies aan welke overheidsorganen betrokken zijn bij de totstandkoming daarvan.
Eerst ondertekenen de betrokken landen het verdrag, vervolgens moet de Nederlandse volksvertegenwoordiging het goed keuren. Pas daarna kan de inhoud bindend worden verklaard.
Vaak moet het verdrag na goedkeuring nog worden bekrachtigd om in werking te kunnen treden.
Er wordt dan een oorkonde opgesteld die moet worden neergelegd bij een daartoe in het verdrag aangegeven instantie.
Ten slotte wordt het verdrag algemeen bekendgemaakt. Dat gebeurt door publicatie in het (digitale) Tractatenblad.
3 Wet
De wetten worden in Nederland door verschillende wetgevers gemaakt.
Dat zou vanwege het grote aantal, niet te doen zijn;
En sommige regels kunnen beter door een lokale wetgever
gemaakt worden, zodat de regeling goed aansluit op de lokale situatie.
Vandaar dat verschillende overheidsorganen wetgevende
bevoegdheden hebben.
Een overheidsregel met algemene werking wordt een wet genoemd. Maar met wet wordt ook gedoeld op een besluit afkomstig van regering en volksvertegenwoordiging samen.
Daarom, worden de termen wet in formele zin en wet in materile zin gebruikt.
Wet in formele zin
4) De begrippen wet in formele zin en wet in materile zin overlappen elkaar gedeeltelijk
Wet in bloot formele zin
formele zin, Wet in materile tevens in zin, geen wet in
Wet in
materile formele zin zin
= Wet in formele zin = Wet in materile zin
Wet in formele zin -> besluit afkomstig van regering en
volksvertegenwoordiging samen (Staten-Generaal), dat volgens een vaste procedure tot stand is gekomen.
De aandacht is gericht op de procedure en op de maker van de wet.
In dit verband worden regering en Staten-Generaal ook wel de formele wetgever genoemd.
4

Wet in materile zin
Wet in materile zin -> de verzamelnaam voor alle algemeen verbindende overheidsvoorschriften, ongeacht welk wetgevende overheidsorgaan het voorschrift heeft gemaakt.
Het gaat erom voor wie de regel is bedoeld.
Overlapping
Beide wetsbegrippen overlappen elkaar gedeeltelijk. Onder het materieel wetsbegrip vallen echter veel meer overheidsregels dan wetten in formele zin. Want iedere overheidsregel met algemene werking is een wet in materile zin.
Er zijn een paar wetten in formele zin die geen algemene werking hebben. Dit zijn wetten die geen wet in materile zin zijn Het gaat om besluiten afkomstig van de formele wetgever, tot stand gekomen volgens vastgelegde procedures, gericht
op n bepaald persoon of op n bepaalde zaak.
Het is belangrijk om het onderscheid tussen materieel recht, formeel recht, wet in materile zin en wet in formele zin goed te kennen want ze betekenen alle vier verschillende dingen.
Aan de naam van een wet is altijd te zien of het om een wet in formele zin gaat. Want de naam bevat namelijk altijd de term wet.
Over het algemeen scheppen wetten in formele zin wettelijke kader, want de regering en volksvertegenwoordiging samen maakt de hoofdregels. De uitwerking van deze wetten wordt overgelaten aan de lagere regelgevers en is dus te vinden in materile zin.
4 De jurisprudentie
Jurisprudentie -> verzameling van alle rechterlijke uitspraken (vonnissen) die Nederlandse rechters in de loop der jaren hebben gedaan. Deze uitspraken geven op de eerste plaats een oplossing voor gerezen conflicten.
In een vonnis geeft de rechter, naar aanleiding van een zaak die haar wordt voorgelegd, vaak ook uitleg over de betekenis van een bepaalde wet. Dit is ook nuttig voor andere die genteresseerd zijn in de ontwikkeling van het recht. Vooral uitspraken van de Hoge Raad vormen een soort handleiding met uitleg bij wetsteksten. Maar de uitspraken van
de Europese rechters zijn bijna net zo belangrijk want zij oefenen steeds meer invloed uit op het Nederlandse recht.
Website Nederlandse rechtspraak
Aan alle gerechtelijke uitspraken wordt een ECLI-nummer gegeven. Dit fungeert als Europese standaard voor het aanduiden van rechterlijke uitspraken.
Het nummer begint met ECLI (European Case Law Identifier). Daarna volgt de landcode, vervolgens een afkorting van de instantie die de uitspraak heeft gedaan. Dan volgt het jaartal waarin de uitspraak is gedaan en de serie wordt afgesloten met een nummer.
Bijv. ECLI:NL:RBMNE:2015:2312
5 De gewoonte
Gewoonte zijn in sommige gevallen een rechtsbron. Het moet dan gaan om gewoonte die echt zijn ingeburgerd en door veel mensen als recht worden ervaren.
Rechtsbronnen
Wet
Jurisprudentie
Verdrag Gewoonte
5

2 De Staat
Staat -> een samenleving van mensen die wonen op een bepaald stuk grond waar bepaalde rechtsregels gelden, die zo nodig door dwang kunnen worden gehandhaafd.
De typische kenmerken van een staat zijn: grondgebied, inwoners en een bepaalde vorm van overheidsgezag. Grondgebied -> het meest tastbare kenmerk van een staat.
De grenzen van dat grondgebied zijn vastgesteld in internationale verdragen met de buurlanden. Hierbij behoren ook de territoriale wateren en de lucht boven het grondgebied.
Het water buiten de territoriale zee en de lucht boven de vliegtuiggrens is internationaal gebied. Regels over het gebruik daarvan moeten bijv. in internationale verdragen worden vastgelegd door de aangrenzende staten.
Staatsgezag -> beschrijft de organisatie van het overheidsgezag in een bepaalde staat.
3 Bronnen van het staatsrecht
Een overzicht van de bronnen van het staatsrecht:
Grondwet -> hierin is de structuur van het Nederlands staatsbestel is vastgelegd.
De Grondwet begint met een opsomming van de fundamentele rechten die burgers in een staat hebben. Daarna
beschrijft het onder andere de positie van de volksvertegenwoordiging, van de ministers en van het staatshoofd.
Organieke wetten -> een wet die in opdracht van de Grondwet een bepaald onderwerp met betrekking tot de opbouw
en inrichting van het staatsbetel nader regelt.
Gewoonte -> informatie over gewoonte staat niet in de grondwet.
Jurisprudentie -> is ook voor het staatsrecht een belangrijke bron.
Internationale verdragen -> sinds de Tweede Wereldoorlog is de betekenis van internationale verdragen als rechtsbron
sterk toegenomen.
Statuut voor het Koninkrijk -> regelt de verhoudingen tussen de verschillende delen van het Koninkrijk der Nederlanden.
Vanaf 10 oktober 2010 zijn Aruba, Sint-Maarten en Curaao volgens het Statuur zelfstandige landen in het Koninkrijk.
Op basis van art. 132a van Grondwet maken Bonaire, Saba en Sint-Eustatius als openbare lichamen deel uit van het staatsbestel van Nederland.
4 De volksvertegenwoordiging
Essentieel voor de Nederlandse democratie is een volksvertegenwoordiging, want de invloed van burgers op het (lands)bestuur krijgt hiermee vorm.
Staten-Generaal (ook wel parlement of volksvertegenwoordiging) -> bestaat uit de Eerste Kamer en de Tweede Kamer. De taak van beide Kamers is het vertegenwoordigen van het gehele Nederlandse volk.
De Kamer hebben een wetgevende taak.
Samen met de regering vormen de Kamers de hoogste wetgever, want de belangrijkste wetten worden door beide
Kamers en regering samen gemaakt.
De Kamers hebben ook een controlerende taak.
Zij controleren het beleid van de regering en zo nodig roepen Kamerleden ministers ter verantwoording.
6

Tweede Kamer
De Tweede Kamer bestaat uit 150 leden, die voor een periode van vier jaar rechtstreeks worden gekozen. Iedere Nederlander van 18 jaar of ouder heeft in het beginsel het recht om de volksvertegenwoordiging te kiezen (passief kiesrecht) en om daarin gekozen te worden (actief kiesrecht).
Eerste Kamer
De Eerste Kamer bestaat uit 75 leden, die ook voor vier jaar gekozen worden. Zij worden niet rechtstreeks door burgers gekozen maar door de Provinciale Staten en door een kiescollege (verkozen door de bewoners van de Caribische eilanden die deel uitmaken van Nederland).
De Provinciale Staten en dit kiescollege worden wel rechtstreeks door de kiesgerechtigde burgers gekozen. Daarom spreekt men wel van getrapte verkiezingen.
5 De werkwijze van de Kamers
Fractie
Fractie -> alle Kamerleden van dezelfde politieke partij.
De fractie is de politieke uitvalbasis van waaruit een Kamerlid haar werk doet. In wekelijkse fractievergaderingen bepalen
Kamerleden hun politieke keuzes en voeren ze overleg met hun collega-fractiegenoten. Formeel is een Kamerlid niet gebonden aan de fractie (art. 67 lid 3 Grondwet).
Iedere fractie kiest in de eerste vergadering na de verkiezingen een fractievoorzitter..
Commissie
Meestal gaat het om vaste commissies, die officieel telkens voor een parlementair jaar, maar feitelijk voor de gehele Kamerperiode worden ingesteld, en zich met een bepaald deelterrein van het bestuur bezighouden.
In deze commissies zitten Kamerleden uit de verschillende fracties.
In zon commissie zitten maar 15 tot 20 Kamerleden, toch kan daar veel politiek handwerk worden verricht want alle
fracties zijn vertegenwoordigd en bovendien zijn alle deskundige bij elkaar, want de commissie bestaat uit fractiespecialisten.
Fractiespecialisten -> Kamerleden die namens hun fractie het onderwerp van de commissie bijhouden. Zij vormen
samen de vaste commissies in de relevante beleidsterreinen.
De fractiespecialisten bereiden de plenaire vergaderingen van de Kamer voor.
Bijzondere commissies worden ingesteld naar aanleiding van een bepaalde gebeurtenis en wordt weer opgegeven als ze hun opdracht hebben afgerond en er, naar aanleiding van een einderslag van de commissie, een debat in de Kamer heeft plaatsgevonden
6 Het tweekamerstelsel Nederland kent een tweekamerstelsel.
Er is in de loop van de jaren een accent in de taakverdeling tussen beide Kamers ontstaan, een taakverdeling die tot het ongeschreven staatsrecht behoort.
Tweede Kamer: politiek debat
In de Tweede Kamer ligt de nadruk op het politieke debat. Daar gaat het vooral om keuzes die bij het voeren van beleid moeten worden gemaakt, en om de gevolgen die de die keuzes voor de verschillende bevolkingsgroepen hebben. Dit leidt vaak tot spanningen.
7

Eerste Kamer: terughoudend
De senaat (ander woord voor Eerste Kamer) stelt zich doorgaans terughoudend op als het gaat om politiek-inhoudelijke vragen. In de senaat ligt het accent op de juridisch-technische kanten van beleid en wetgeving.
Daarmee is het dilemma van de Eerste Kamer meteen aangegeven: de senaat is nagenoeg onomstreden als hij zich aan de ongeschreven taakverdeling tussen Eerste en Tweede Kamer houdt. Zo gauw de senaat zich in politiek gevoelige discussies mengt, raakt dit college enigszins omstreden.
Als het er naar hun oordeel echt op aan komt, wagen de senatoren zich op politiek terrein.
7 De regering
De regering heeft, globaal gezegd, de taak om Nederland te besturen (bestuurstaak) en een wetgevende taak.
Zo vormt de regering samen met de Eerste en Tweede Kamer de hoogste wetgever van Nederland.
De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers. De regering wordt niet, zoals de Kamers, gekozen want het
koningschap is erfelijk en de ministers worden bij koninklijk besluit benoemd.
Minister
Minister -> aan het hoofd van iedere ministerie.
De minister is politiek verantwoordelijk voor de wijze waarop die bestuurstaak wordt uitgevoerd.
Politiek verantwoordelijk -> de Kamer kan de minister ter verantwoording roepen als de Kamer meent dat er iets mis is met het beleid.
Er zijn ook ministers zonder portefeuille. Zij hebben een eigen beleidsterrein maar geen eigen ministerie.
De verschillende ministeries verzorgen ieder een deel van de bestuurstaak.
Staatssecretaris
De staatssecretaris is politiek verantwoordelijk voor dat deel van het beleid waarvoor hij is benoemd. De ministers blijft altijd politiek verantwoordelijk voor het totale beleid.
In de praktijk spreekt de Kamer de staatssecretaris op haar eigen deelterrein aan en wordt de minister daar normaal gesproken buiten gehouden.
Soms heeft een staatssecretaris een even zware en soms zelfs gevoeligere portefeuille dan haar minister.
Ministerraad
De ministers vormen samen de ministerraad. In deze raad worden de hoofdlijnen van het regeringsbeleid vastgesteld. De ministerraad is het belangrijkste bestuurscollege van Nederland.
Minister-president
De minister-president is de voorzitter van de ministerraad en stelt de agenda hiervoor vast. Ze is de voorzitter van de onderraden, heeft een in het algemeen een meer cordinerende en bemiddelende rol, ze is het gezicht naar buiten en ze heeft wekelijks contact met het staatshoofd..
Onderraden -> vergaderingen van een beperkt aantal ministers over een bepaald aspect van het regeringsbeleid.
De belangrijkste rol die de minister-president binnen de Europese Unie heeft is dat zij deel uitmaakt van de Europese Raad, waarin regeringsleiders van de lidstaten de hoofdlijnen van het beleid van de Unie vaststellen.
Dit gebeurt in de zogeheten Eurotop, die minstens tweemaal per jaar gehouden wordt. 8 Het staatshoofd
Het staatshoofd maakt ook deel uit van de regering. De regering wordt daarom ook wel de kroon genoemd. Het koningschap wordt volgens art. 24 Grondwet, erfelijk vervuld door de wettige opvolger van Willem I.
8

Onschendbaarheid
Het staatshoofd is geen politieke ambtsdrager. Hij of zij kan dus niet in de Kamer ter verantwoording worden geroepen voor het regeringsbeleid.
De ministers zijn politiek verantwoordelijk voor de daden en uitspraken van het staatshoofd.
Geheim van Huis ten Bosch
Binnenkamers heeft het staatshoofd wel degelijk enige invloed op het beleid, vooral in het wekelijks overleg met de minister- president en het regelmatig overleg met de overige ministers.
Over deze invloed is weinig bekend, omdat het de gewoonte is dat de ministers over deze gesprekken niets naar buiten brengen.
Kabinet en regering
De regering bestaat uit het staatshoofd en ministers
Het kabinet wordt gevormd door alle politieke ambtsdragers, dus uit de ministers en de staatssecretarissen.
9 De kabinetsformatie
De ministers en staatssecretarissen worden formeel door het staatshoofd benoemd. Dit sluit de kabinetsformatie af.
Kabinetsformatie -> de (deels ongeschreven) procedure die leidt tot de vorming van een nieuw kabinet.
Deze procedure is in 2012 gewijzigd. Hierdoor ligt de regie over de formatie voortaan bij de Tweede Kamer. .
Ontslag oude kabinet
Op de voor avond van de verkiezingen voor de Tweede Kamer biedt het oude kabinet haar ontslag aan, aan het staatshoofd. Het staatshoofd ontslaat de bewindspersoon (nog) niet, maar neemt het ontslag in overweging. Hierdoor wordt het kabinet demissionair.
Lopende zaken blijven lopen maar er wordt geen nieuw beleid meer ingezet.
Adviesronde
5) De kabinetsformatie
1. Consultatie door de fractievoorzitters
2. Benoeming informateur
3. Benoeming formateur
4. Constituerend beraad
5. Benoeming en bediging van de bewindspersonen
6. Regeringsverklaring in de Tweede Kamer
De dag na de verkiezingen komen de voorzitters van de gekozen fracties van de Tweede Kamer bij elkaar om te bezien welke coalitie wenselijk is.
Omdat geen enkele partij een absolute meerderheid in de kamer heeft, zullen altijd twee of meer partijen in de Kamer bereid moeten zijn het kabinet te steunen.
Coalitie -> combinatie van partijen (en van fracties in de Tweede Kamer) die het kabinet steunt.
Benoeming informateur
Op basis van het overleg van de fractievoorzitters benoemt de Tweede Kamer een informateur en geeft haar een (doorgaans tamelijk) gerichte opdracht om bepaalde mogelijkheden te onderzoeken voor de vorming van een coalitie.
Als de informateur aan haar opdracht heeft voldaan, brengt zij verslag uit aan de Tweede Kamer. Als alles goed gaat, leidt dit verslag tot benoeming van een formateur.
Als dat de opdracht van de informateur mislukt. Geeft ze dan haar opdracht terug, waarop de benoeming van een nieuwe informateur volgt, die soms dezelfde maar vaak een wat andere opdracht krijgt.
De informatiefase is afgesloten als twee of meer coalitiepartners er onder leiding van de informateur in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over het beleid van een nieuw kabinet. De onderhandelingen hierover worden gevoerd door de fractievoorzitter van de partijen die de coalitie gaan vormen.
9

Benoeming formateur
Hierna benoemt de Tweede Kamer een formateur, die wordt belast met de vorming van een nieuw kabinet. Zij stelt op basis van het verslag van de informateur en in overleg met de fractievoorzitters een regeerakkoord op waarin de hoofdlijnen van het te voeren beleid in worden vastgelegd.
Vervolgens zoekt zij bewindspersonen voor de verschillende ministeries. Deze bewindspersonen worden geleverd door de politieke partijen die aan de coalitie deelnemen.
De politieke partijen zoeken hun kandidaats-bewindspersonen doorgaans niet alleen in de fracties, zij benaderen ook leden van buiten Den Haag.
Als een Kamerlid bewindspersoon wordt, moet zij uit de Kamer vertrekken.
De combinatie van Kamerlidsmaatschap en bewindspersoon is in Nederland uitgesloten. De zetel van het vertrekkende
Kamerlid wordt opgevuld door de kandidaat die na de verkiezingen net niet verkozen werd.
Constituerend beraad
Als sluitstuk van de formatie vindt een constituerend beraad plaats met de beoogde ministers. De kandidaat-ministers hebben dan de gelegenheid te reageren op het regeerakkoord. Als zij bereid zijn zich aan dit akkoord te binden, gaat de formateur terug naar het staatshoofd voor haar eindverslag.
Benoeming bewindspersonen
Vervolgens volgt de bediging en de benoeming van de bewindspersonen en wordt aan de bewindspersonen van het oude kabinet ontslag verleend.
Het is gebruikelijk dat de formateur minister-president wordt.
De benoemingsbesluiten worden ondertekend door het staatshoofd en, in verband met de politieke verantwoordelijkheid, door de minister-president.
Regeringsverklaring
Enkele dagen na de benoeming legt de minister-president namens het kabinet in de Tweede Kamer de regeringsverklaring af, waarin hij de hoofdlijnen van het beleid van het nieuwe kabinet schetst.
Het is gebruikelijk dat de coalitiefracties in reactie hierop hun steun aan het nieuwe kabinetsbeleid toezeggen.
10

1 Inleiding
Een democratie betekent (globaal gezegd) dat de burgers invloed hebben op de manier waarop er geregeerd wordt. Hoe die invloed feitelijk vorm krijgt is te zien aan drie belangrijke kenmerken van de democratie: Vrije verkiezingen, parlementair stelsel en respect voor de grondrechten.
Behalve een democratie is Nederland ook een rechtstaat.
2 Vrije verkiezingen
Fundamenteel voor een democratie is dat er regelmatig vrije verkiezingen worden gehouden waaraan nagenoeg alle (meerderjarige) burgers mee kunnen doen (art. 4 Grondwet).
Politieke partij
Politieke partij -> vereniging van mensen die ongeveer dezelfde ideen hebben over de positie van de overheid in de staat. Dergelijke fundamentele opvattingen leiden tot standpunten over allerlei politieke kwesties en die zijn vervolgens weer
terug te vinden in het verkiezingsprogramma.
Verkiezingen zijn pas echt vrij als iedere politieke partij een eerlijke kans krijgt om mee te doen aan de verkiezingen (art. 8 Grondwet).
Kiesstelsel: evenredige vertegenwoordiging
Hoe de uitslag van de verkiezingen wordt vertaald in Kamerzetels, is afhankelijk van het kiesstel dat wordt gebruikt.
In Nederland geldt het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging (art. 53 lid 1 Grondwet)..
Het hele land bestaat dan in feite uit n groot kiesgebied. Dus alle stemmen die op een bepaalde partij worden
uitgebracht, worden bij elkaar opgeteld en vervolgens gedeeld door de kiesdeler.
Om technische reden is Nederland opgedeeld in verschillende kieskringen, maar deze kringen hebben slechts een
administratieve betekenis.
Omdat partijen bijna nooit precies een veelvoud van de kiesdeler aan stemmen halen, blijven er een paar zetels over. De Kieswet geeft aan hoe deze restzetels verdeeld moeten worden.
6) Berekeningvoor het aantal behaalde zetels
Men spreekt bij deze verdeling wel over het stelsel van de grootste middelen.
Voor de verdeling van de restzetels deelt men het totaal aantal stemmen dat een bepaalde partij heeft gehaald door het aantal zetels dat die partij heeft behaald plus n. De partij die bij deze berekening het grootste gemiddelde behaalt, krijgt de restzetel.
Totaal aantal geldig uitgebrachte stemmen op een partij = Kiesdeler
aantal zetels in de Kamer
De vertaling van de verkiezingsuitslag via dit stelsel geeft een redelijk goede afspiegeling van de politieke verhoudingen in een land.
Voorkeursstemmen
7) De kiesdeler
Normaal gesproken wordt via de volgorde van de verkiezingslijst besloten wie er naar de Kamer gaan.
De kiezer kan doormiddel van voorkeursstemmen uit te brengen op een kandidaat deze volgorde veranderen. Als een kandidaat minstens een kwart van de kiesdeler (circa 15.000) aan voorkeursstemmen wordt uitgebracht, komt deze
kandidaat ongeacht haar plaats in de lijst, in de Kamer.
Alles wat het kiesrecht en de verkiezingen betreft, wordt bij wet geregeld (art. 59 Grondwet).
Totaalaantalgeldigeuitgebrachtestemmen =kiesdeler 150 Kamerzetels
11

Districtenstelsel
Bij dit kiesstelsel wordt het land in een aantal kiesdistricten verdeeld. De kandidaat of partij die in een bepaald district de meeste stemmen behaalt, is gekozen.
Soms geldt als eis dat een kandidaat alleen gekozen is als zij een absolute meerderheid van stemmen heeft verworven.
Het nadeel van dis stelsel is dat kleinere groeperingen met een aanhang verspreid over het land (die in geen enkel district een meerderheid behaalt) hierdoor niet in de volksvertegenwoordiging komen.
Bovendien kan de uitslag een tamelijk vertekend beeld van de werkelijk politieke verhoudingen geven.
De band tussen kiezer en gekozene is doorgaans wat sterker, want een district heeft eigen afgevaardigden in de
volksvertegenwoordiging.
3 Het parlementair stelsel
Regeringsstelsel -> beschrijft de verhouding tussen de regering en de volksvertegenwoordiging.
Het parlementair stelsel is een regeringsstelsel. Kenmerkend hiervoor is dat de benoemde ministers verantwoording af moeten leggen aan de gekozen volksvertegenwoordiging (art. 42 lid 2 Grondwet).
De ministers zijn voor alles wat er in hun naam gebeurt, op hun
terrein, namens de overheid gebeurt verantwoording schuldig aan beide kamers, de ministerile verantwoordelijkheid.
Deze regel geldt voor het gehele kabinet.
Constitutionele monarchie met parlementair stelsel
Met een monarchie wordt bedoeld dat het staatshoofd door erfopvolging aan de macht komt.
In de 19de eeuw is de macht van het staatshoofd drastisch beperkt, vooral door zijn parlementaire onschendbaarheid.
Omdat de positie van het staatshoofd is vastgelegd en beperkt in de Grondwet (monarchie) wordt de Nederlandse monarchie een constitutionele monarchie genoemd, waaraan dan nog wordt toegevoegd met parlementair stelsel, om aan te geven hoe de verhouding ligt tussen regering en volksvertegenwoordiging.
4 Grondrechten
Grondrechten worden ook wel mensenrechten genoemd. Vaak worden deze begrippen door elkaar gebruikt.
Historische ontwikkeling
In de 16de, 17de en 18de eeuw won in West-Europa de gedachte terrein dat de individuele burger bepaalde rechten dient te hebben die hen een zekere mate van vrijheid geeft en die ook de overheid respecteert.
Toen men ging inzien dat de staat in dienst kan staan van de burgers ontstonden ook de gedachte over wat we nu grondrechten noemen.
In 1798 werd dit type recht voor het eerst in een wet opgenomen in de Staatsregeling voor het Bataafse Volk. Ook de Grondwet van 1814, en latere wijzigingen daarvan, bevatte verspreid door de gehele tekst een aantal grondrechten.
Het duurde tot 1983 voordat de grondrechten (bijna) allemaal bij elkaar werden gezet in het eerste hoofdstuk van de Grondwet.
Bij deze grondwetswijziging werd voor het eerst ook een aantal sociale grondrechten opgenomen.
De Tweede Wereldoorlog leidden tot een aantal internationale verdragen op het gebied van de mensenrechten. Deze zijn veelal gebaseerd op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 1948 is aangenomen.
Formeel heeft de regering bij een conflict met de Kamer de bevoegdheid de Kamer te ontbinden om het conflict op die manier aan de kiezers voor te leggen.
Komt hetzelfde conflict in de nieuwe Kamer terug, dan mag de regering de Kamer niet opnieuw ontbinden maar moet het kabinet opstappen.
12

Deze verklaring is zelf geen verdrag, de lidstaten van de VN zijn niet juridisch maar moreel aan deze verklaring gebonden.
De Universele Verklaring is voor een aantal West-Europese landen uitgewerkt in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat in 1950 in Rome werd afgesloten en waarbij Nederland zich in 1954 aansloot.
Burgers van de aangesloten landen zich bij een eventuele schending van een recht, rechtstreeks tot een internationale rechter van het Europese Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg kunnen wenden.
Als iemand in eigen land is uitgeprocedeerd, kunnen ze een oordeel van het Europese Hof vragen.
De inhoud van het EVRM is in de loop der jaren telkens aangevuld met protocollen.
Op het moment dat Nederland zich aansloot was de algemene verwachting dat het nationale recht nauwelijks zou
worden benvloed door de in dit verdrag opgenomen mensenrechten, omdat alles op dit terrein in Nederland wel in orde was. Maar de jaren 80 leert de praktijk echter anders want door een aantal uitspraken van het Europese Hof is de Nederlandse wetgever gedwongen geweest tot het aanbrengen van fundamentele veranderingen.
In het kader van de EU bestaat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat krachtens art. 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie dezelfde juridische waarde heeft als de EU-verdragen.
Grondrechten bieden vrijheid
De grondrechten geven de individuele burger enige vrijheid ten opzichte van de overheid. Om hun belang aan te geven, zijn ze sinds 1983 opgenomen in het eerste hoofdstuk van de Grondwet.
Ook een aantal internationale verdragen waarbij Nederland is aangesloten, bevatten grondrechten.
Klassieke en sociale grondrechten
Klassieke grondrechten -> de burger wordt bewegingsruimte geboden en er wordt aan de overheid een passieve opstelling gevraagd.
Art. 1 t/m 18 lid 1 Grondwet bevatten klassieke grondrechten.
De klassieke grondrechten kunnen worden verdeeld in vrijheidsrechten, politieke rechten en gelijkheidsrechten. Vrijheidsrechten -> gericht op de vrijheid van de burger ten opzichte van de overheid.
De vrijheidsrechten zijn: art. 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 15 en 23 lid 2.
Politieke rechten -> garanderen de burger dat zij ongeacht politieke opvattingen mee kan doen binnen het
Nederlandse democratisch bestel.
De politieke rechten zijn: art. 4, 5, 8 en 9.
Gelijkheidsrechten -> verbieden de overheid in gelijke gevallen onderscheid te maken tussen burgers.
Sociale grondrechten -> formuleren zorgtaken van de overheid en vragen daarom een actieve rol van de overheid. Art. 18 lid 2 t/m 22 Grondwet bevatten sociale grondrechten.
Art. 23 is een mengeling van een klassieke en een sociaal grondrecht.
Een belangrijk verschil tussen de klassieke en de sociale grondrechten is de rechtsbescherming voor de burgers.
Als een overheidsorgaan een klassiek grondrecht van een burger schendt, kan die burger naleving van het grondrecht via
de rechter afdwingen.
De naleving van een sociaal grondrecht kan niet worden afgedwongen.
Beperking van grondrechten
Het uitoefenen van een grondrecht geeft niet de bevoegdheid zomaar andermans rechten te schenden (art. 7 Grondwet).
13

Nagenoeg alle klassieke grondrechten worden beperkt. Dat is noodzakelijk om te voorkomen dat andermans rechten geschonden worden of dat de volksgezondheid, de verkeersveiligheid of de openbare orde in gevaar komt.
Een beperking van een grondrecht kan worden gezien als een door de wetgever noodzakelijk geachte inbreuk op de uitoefening van het grondrecht.
Vorm van beperking
Grondrechten kunnen op verschillende manieren worden beperkt. Soms door een algemene formulering in andere gevallen staat duidelijk aangegeven ter bescherming van welke belangen het grondrecht mag worden beperkt.
Doelcriteria zijn belangen met het oog waarop inbreuk gemaakt mag worden op het grondrecht. Grondrecht geeft zelf de beperking aan
Er geldt als regel dat het grondwetsartikel zelf aangeeft hoe en door welk orgaan het recht mag worden beperkt.
De gekozen terminologie de wet kan regels stellen wijst erop dat de hoogste wetgever (regering en Staten-Generaal) het opleggen van beperkingen kan delegeren aan lagere wetgevers. Echter, niet alle beperkingen zijn toegestaan, want, gelet op de doelcriteria mag de wetgever alleen beperkingen aanbrengen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheid.
Horizontale werking
Het beroep op een grondrecht in een conflict tussen twee burgers roept de vraag op of grondrechten ook werken tussen burgers onderling. Zij zijn immers bedoeld om de verhouding tussen overheid en burgers te regelen.
Grondrechten werken op de eerste plaats verticaal, tussen de machtige overheid en van die overheid afhankelijke burger. Over een eventuele horizontale werking is er niets in de Grondwet te vinden.
Bij de parlementaire behandeling van de Grondwet van 1983 heeft de regering duidelijk gemaakt dat het te ver gaat om aan alle klassieke grondrechten horizontale werkingen toe te kennen.
Horizontale werking van sommige grondrechten achtte de regering echter wel mogelijk. Inmiddels maakt de jurisprudentie duidelijk dat rechters inderdaad bereid zijn om aan een aantal grondrechten enige horizontale werking toe te kennen.
Deze grondrechten werken dus in sommige gevallen door in de verhouding tussen burgers onderling.
5 De rechtsstaat
Het beginsel van de rechtstaat houdt in dat het optreden van de overheid gebonden is aan de regels van het recht, en dat dit optreden kan worden getoetst door een onafhankelijke rechter.
Het uitgangspunt dat de overheid is gebonden aan de wet geldt voor alle overheidsfunctionarissen.
Vaak worden de begrippen democratie en rechtstaat met elkaar verbonden. Vaak wordt er dan gesproken over een democratische rechtsstaat. Hiermee wordt een dimensie aan de rechtstaat toegevoegd: de rechtsregels waaraan ook de overheid gebonden is, zijn in een democratische rechtstaat op een democratische manier tot stand gekomen.
Als de Grondwet in dit verband de term wet gebruikt, wordt een wet in de formele zin bedoeld.
14

1 Inleiding
De drie belangrijkste overheidsfuncties zijn: wetgeving, bestuur en rechtspraak.
2 De leer van de machtenscheiding
Vanuit een sterke onvrede met de situatie ontwierp de filosoof Montesquieu (1689 1755) een staatsleer die bekend is geworden als de trias politica of de leer van de machtenscheiding.
X
Regering
Volksvertegenwoordiging
Rechterlijke macht
Wetgeving
Bestuur
X
X
X
Rechtsspraak
8) Overheidsfuncties en overheidsorganen
Trias politica -> er zijn drie overheidsfuncties (wetgeving, bestuur en rechtsspraak) die duidelijk van elkaar moeten worden gescheiden en ze moeten worden uitgevoerd door onafhankelijke staatsorganen.
Samenwerking tussen de verschillende organen is niet gewenst. Op die manier wordt volgens Montesquieu een zeker machtsevenwicht bereikt waardoor de machtsconcentratie en machtsmisbruik worden voorkomen.
Voor de burgers betekent dit meer rechtszekerheid en meer vrijheid.
De leer van de machtenscheiding is van grote invloed geweest op de staatsregeling van een aantal westerse landen.
Geen machtenscheiding, wel macht evenwicht
In het Nederlandse staatsbestel is de zuivere leer van Montesquieu niet terug te vinden. Het stelsel is ingewikkelder, want de functies zijn niet totaal van elkaar gescheiden en in sommige gevallen moeten de staatsorganen met elkaar samenwerken. Toch is Montesquieus invloed merkbaar want er is sprake van machtevenwicht.
Machtevenwicht -> de drie belangrijkste overheidsorganen hebben een gelijkwaardige positie.
3 Decentralisatie
Een andere manier om de overheidsmacht te spreiden is doormiddel van decentralisatie.
Decentralisatie -> de wetgevende en bestuurlijke bevoegdheden zijn verspreid
over verschillende overheidsniveaus.
Slechts een deel van de macht is dan in de handen van de centrale overheid, de rest ligt bij de lagere overheden.
Territoriale decentralisatie
Wetgevende en bestuurlijke bevoegdheden zijn dan in handen van een overheidsorgaan dat verantwoordelijk is voor een afgebakend gebied.
Bijv. de bevoegdheden van de besturen van gemeente en provincie.
Functionele decentralisatie
De publieke bevoegdheden liggen bij een overheidsorgaan dat zich, door het hele land, bezighoudt met een bepaald onderdeel van de overheidstaak.
Bijv. het Commissariaat voor de Media of de Nederlandse Orde van Advocaten.
Mengvorm: het waterschap
Een mengvorm van territoriale en functionele decentralisatie is het waterschap.
Het waterschap -> overheidsinstelling die de zorg heeft over de waterhuishouding in een bepaald deel van Nederland.
Bij de staatsvorm statenbond, gaat het om nagenoeg zelfstandige staten (of federaties) die hun krachten slecht op bepaalden terreinen bundelen.
15

Gedecentraliseerde eenheidsstaat
Nederland is een gedecentraliseerde staat omdat de overheidstaken en bevoegdheden over verschillende overheidsniveaus zijn verdeeld.
Decentralisatie voorkomt machtsconcentratie en het stelt de overheid in staat om dicht bij de burger haar bevoegdheden uit te oefen. Maar het heeft ook nadelen want een sterk gedecentraliseerd land loopt het risico te weinig een eenheid te vormen.
In Nederland is zoveel mogelijk geprobeerd een evenwicht te vinden tussen decentralisatie en eenheid (een gedecentraliseerde eenheidsstaat).
Eenheidsstaat -> de centrale overheid heeft de zwaarste
bevoegdheden als het gaat om het bewaken van de eenheid.
De centrale overheid toezicht op de lagere organen en kan ze
zo nodig bevoegdheden van lagere overheidsorganen naar zich toe halen.
4 De gang van een wetsonderwerp
De wetten in formele zin, worden gemaakt door samenwerking tussen de regering en de volksvertegenwoordiging.
Zij oefenen gezamenlijk de wetgevende macht uit.
Voorbereiding door ambtenaren
Een wetsonderwerp wordt in veel gevallen uitvoerig voorbereidt. Dit gebeurt bij een door de regering in te dienen ontwerp, in opdracht van een minister, door ambtenaren op haar ministerie.
Als het om een uitgebreid wetsvoorstel gaat, benoemt de minister ook nogal eens een commissie van (en met) externe deskundige.
Goedkeuring ministerraad
Als het wetsontwerp voldoende is voorbereid, dient de minister het wetsvoorstel ter goedkeuring in bij de ministerraad.
Advies van de Raad van State
Stemt de ministerraad in met het wetsvoorstel, dan gaat het naar de Raad van State.
Dit belangrijkste adviesorgaan van de regering brengt een openbaar advies over het voorstel uit.
Goedkeuring Tweede Kamer
Vervolgens gaat het wetsonderwerp, via het staatshoofd, ter goedkeuring naar de Tweede Kamer. Hierbij zit de memorie van toelichting.
Hierin legt de minister onder andere uit waarom zij het wetsvoorstel indient, welke keuzes zij heeft gemaakt en wat zij heeft gedaan met het advies van de Raad van State.
Dit advies zit ook bij de stukken die naar de Kamer gaan.
Goedkeuring Eerste Kamer
Als de Tweede Kamer met het wetsvoorstel instemt, gaat het ter goedkeuring naar de Eerste Kamer.
Als het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer binnenkomt, wordt het eerst door een vaste commissie behandeld.
Zij brengen dan een voorlopig verslag uit waarin zij hun oordeel geven en aangeven welke vragen zij erover hebben.
Het ministerie reageert daarop met een nota naar aanleiding van het verslag en kan ook met een nota van wijziging komen, waarin zij veranderingen in het wetsvoorstel aanbrengt.
Eventueel worden er nog meer stukken uitgewisseld tussen deze partijen.
De commissiebehandeling wordt afgerond met het eindverslag, dat als basis dient voor de bespreking van het wetsvoorstel en de plenaire vergadering van de Kamer.
Het verloop van de besprekingen wordt soms sterk gekleurd door het recht van amendement van de Tweede Kamer. Dit recht houdt in dat de Tweede Kamer zelfstandig wijzigingen aan kan brengen in een wetsvoorstel
Als de minister onaanvaardbaar vindt, dan kan zij haar wetsvoorstel intrekken.
Aan het slot van de openbare behandeling stemt de Kamer eerst over eventuele amendementen en daarna over het wetsvoorstel als geheel.
16

Ook in deze Kamer wordt het wetsvoorstel eerst in de vaste commissie behandeld. Daarna volgt een plenaire behandeling.
De Eerste Kamer heeft geen recht van amendement.
Deze Kamer heeft maar twee mogelijkheden: het wetsvoorstel aanvaarden of verwerpen. Terugsturen naar de Tweede
Kamer is niet mogelijk.
Ondertekenen en bekendmaking
Na de goedkeuring van de Eerste Kamer onderteken het staatshoofd, de betrokken ministers en de minister van Justitie het wetsvoorstel. De minister van Justitie is verantwoordelijk voor de bekendmaking van de wet.
Dit gebeurt door publicatie in het online Staatsblad.
Meestal treedt de wet in de eerste dag van de tweede maand na de datum van bekendmaking in werking.
Als de wetgever een ander moment van inwerkingtreding wenst, kan deze datum in de wet zelf worden opgenomen, of
de datum kan later bekend worden gemaakt doormiddel van een aparte invoeringswet of door een officieel besluit van de regering).
Recht van initiatief
Recht van initiatief -> het recht om een wetsvoorstel in te dienen.
Een initiatiefwetsvoorstel moet de instemming hebben van regering, Tweede Kamer en Eerste Kamer en moet in de Raad van State worden gehoord.
Wijziging van de Grondwet
De Grondwet is de basis waarop het Nederlandse staatsbestel rust, vandaar dat er een extra zware procedure is voorgeschreven voor wijzigingen of aanvullingen daarvan.
Eerst wordt de gewone gang van een wetsvoorstel gang van een wetsvoorstel gevolgd (zoals hiervoor beschreven). Daarna wordt de Tweede Kamer ontbonden. Vervolgens wordt het wetsvoorstel in de nieuwe Tweede Kamer behandeld en ook weer in de Eerste Kamer.
Bij de tweede lezing heeft de Tweede Kamer geen recht van amendement en moeten beide Kamers het wetsvoorstel dus ongewijzigd aannemen of verwerpen.
Novelle
Als de minister merkt dat haar wetsvoorstel in de Eerste Kamer zal worden verworpen, kan zij een novelle aanbieden.
Dit is een nieuw wetsvoorstel waarin het oude voorstel meteen bij zijn invoering al gewijzigd wordt.
Het is de bedoeling dat de novelle bij alle organen met spoed wordt behandeld, zodat de wet en wetswijziging tegelijk in werking kunnen treden.
Gang van een wetsonderwerp
1 Voorbereiding op het ministerie
2 Ministerraad
3 Raad van State
4 Tweede Kamer
5 Eerste Kamer
6 Handtekening Koning en betrokken minister
Gang van initiatief-wetsonderwerp
1 Voorbereiding door Kamerlid
2 Raad van State
3 Tweede Kamer
4 Eerste Kamer
5 Regering
6 Handtekening Koning en betrokken minister
Gang van een Grondwetswijziging
7 Afkondiging Staatsblad
7 Afkondiging Staatsblad
1 Normale gang van een wetsonderwerp* 2 Ontbinden Tweede Kamer
3 Verkiezingen
4 Twee derde meerderheid in Tweede Kamer
5 Twee derde meerderheid in Eerste Kamer
6 Ondertekening door Koning en minister(s) 7 Afkondigen Staatsblad
9) De gang van een wetsontwerp, een initiatiefwetsontwerp en van een Grondwetswijziging
*De normale gang van een wetsontwerp die van een initiatiefontwerp.
Alleen de leden van de Tweede Kamer hebben het recht van initiatief.
17

5 Wetten in materile zin
Niet alle algemeen verbindende overheidsregels worden gemaakt door de wetgever in formele zin. Bij sommige regels is het van belang dat ze snel gewijzigd kunnen worden. In andere gevallen is het beter dat een regeling wordt gemaakt door een orgaan dat dichter bij de doelgroep staat.
In dit soort gevallen is een wet van de regering of van de ministers veel flexibeler.
Wet in formele zin
De meeste wetten in de formele zin zijn overheidsregels met algemene werking, dus ook wetten in materile zin.
Een wet in formele zin wordt gemaakt door regering en Staten-Generaal samen.
Algemene maatregel van bestuur (AMvB)
Algemene maatregel van bestuur (AMvB) -> regeling met algemene werking, afkomstig van de regering (art. 89 Grondwet).
Een AMvB wordt op een ministerie door ambtenaren voorbereid. Vervolgens gaat het voorstel naar de ministerraad, die de AMvB moet goedkeuren. Daarna wordt de Raad van State gehoord over het voorstel. Als dit allemaal is gebeurd, moet het regeringsbesluit nog bekend worden gemaakt in het staatsblad.
Alleen regeringsbesluiten die aan deze drie voorwaarden voldoen, zijn AMvBs en hebben dus algemeen verbindende kracht
Ministerile regeling
Ministerile regeling -> besluit met algemene werking, afkomstig van de ministers (art. 89 lid 4 Grondwet).
Bekendmaking
Naar aanleiding van de bekendmaking van algemeen verbindende overheidsvoorschriften is de verwijzing naar de zogeheten Bekendmakingswet nodig.
Hierin worden de
bekendmaking en inwerkingtreding van algemeen verbindende voorschriften van zowel de centrale overheid als van lagere overheden geregeld.
Internationaal verdrag 1
Statuut van het Koninkrijk 1
Grondwet 1
Wet in formele zin 1
AmvB 1
Ministerile regeling 1
Provinciale verordening verordening SER
1
Gemeentelijke verordening verordening waterschap verordening openbare lichamen van beroep en bedrijf
Een ministerile regeling die een algemeen verbindend voorschrift bevat wordt, voordat zij in werking treedt, in de Staatscourant gepubliceerd.
Ministerile regelingen worden volgens de Bekendmakingswet in de Staatscourant gepubliceerd.
Provinciale en gemeenschappelijke verordeningen
De Provinciale Staten en de gemeenteraad zijn bevoegd om provinciale of gemeentelijke verordeningen te maken (art. 127 Grondwet)
Dit zijn algemeen verbindende voorschriften bestemd voor de provincie of gemeente.
Waterschap verordeningen
Het algemeen bestuur van het waterschap heeft ook de bevoegdheid om algemeen verbindende voorschriften te maken.
Als zon voorschrift een strafbepaling bevat, wordt het een keur genoemd.
Verordeningen van andere openbare lichamen
Andere openbare lichamen kunnen ook algemeen verbindende voorschriften maken, zoals de Sociaaleconomische Raad (SER).
10) De rangorde van regelgeving
6 De rangorde van regelgeving
Er is een rangorde van wetgeving omdat veel organen wetgevende bevoegdheden hebben. Dit moet tegenstrijdigheden voorkomen.
De regel is dat een lagere wet niet in strijd mag zijn met een hogere wet.
Een regeringsbesluit dat niet aan de voorgaande eisen voldoet, wordt wel een kleine KB (koninklijk besluit) genoemd.
18

Lagere wet onverbindend
Een lagere wet die in strijd is met een hogere wet, zal door de rechter onverbindend worden verklaard.
De rechter zal de wet toepassen omdat de wet in strijd is met een hogere regeling.
Een rechter mag een wet die in strijd is met een hogere regel, niet vernietigen. Wel mag zij de wet onverbindend
verklaren.
De wet wordt wel in stand gehouden maar wordt deze niet toegepast.
Het intrekken van een wet is geen taak voor de rechter maar voor de wetgever.
Toelatingsverbod
Op de regel dat de rechter lagere regels aan hogere regels toetst, geldt een belangrijke uitzondering. Art. 120 Grondwet verbiedt de rechter om wetten in formele zin te toetsen aan de Grondwet.
Als een rechter met een wet in formele zin te maken heeft, moet zij die wet toepassen, ook al zou zij van mening zijn dat de wet in strijd is met de Grondwet.
Wel toetsing aan verdragen
Een verbod op art. 120 Grondwet maakt een wet in formele zin niet helemaal onaantastbaar. Want art. 94 Grondwet geeft de rechter wel de bevoegdheid om wetten in formele zin te toetsen aan internationale verdragen.
Een rechter mag een wet in formele zin toetsen aan bepalingen uit internationale verdragen waarop de burgers van de aangesloten lidstaten zich rechtstreeks kunnen beroepen.
Dit worden direct werkende verdragsbepalingen genoemd.
7 Attributie en delegatie
Een tweede eis voor de geldigheid van wetten is dat het overheidsorgaan dat de wet maakt, daartoe bevoegd is.
In dit verband wordt er verwezen naar het legaliteitsbeginsel, dat inhoudt dat iedere bevoegdheid van een overheidsorgaan haar basis moet vinden in de wet.
Deze bevoegdheid moet ontleend zijn aan de wet en kan ontstaan:
door attributie en door delegatie.
Attributie
Attributie -> als het overheidsorgaan behaalt haar bevoegdheid rechtstreeks aan de Grondwet of de gewone wet in formele zin ontleent.
Delegatie
Delegatie -> als een overheidsorgaan dat door attributie wetgevende bevoegdheid heeft, (een deel van) die bevoegdheid overdraagt aan een ander overheidsorgaan.
organen kunnen veel sneller een regel maken of veranderen dan de wetgever in de formele zin.
Daarom schetst in veel gevallen de wet in formele zin de hoofdlijnen, de uitwerking, die wellicht af en toe moet
worden aangepast, wordt overgelaten aan de regering of aan de ministers.
Sub delegatie
Een overheidsorgaan dat op de grond van delegatie of sub delegatie wetgevende bevoegdheid heeft gekregen, voert deze bevoegdheid zelfstandig uit en is er ook zelf verantwoordelijk voor.
Wetten van onbevoegde organen
Als een rechter constateert dat een wet die zij op een aan haar voorgelegde zaak toe wil passen door een onbevoegd orgaan is gemaakt, zal zij deze wet onverbindend verklaren en dus niet toepassen.. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.

Antwoord gegenereerd door AI Antwoord rapporteren

Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.

Stel een vraag
 
Inloggen via e-mail
Nieuw wachtwoord aanvragen
Registreren via e-mail
Winkelwagen
  • loader

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items! Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

Actie: ontvang 10% korting bij aankoop van 3 of meer items!

loader

Ontvang gratis €2,50 bij je eerste upload

Help andere studenten door je eigen samenvattingen te uploaden op Knoowy. Upload ten minste één document en krijg gratis € 2,50 tegoed.

Upload je eerst document