Maak een oefenexamen van de volgende tekst: In onderzoek worden de volgende dataverzamelingsmethoden gebruikt:
bestaand materiaal gebruiken: Het gebruik van bestaande gegevens en materiaal is
handig omdat het minder kosten met zich meebrengt en geen respondenten lastigvalt,
waardoor er geen kans is op respondentenbederf (de foute input of non-response van
respondenten heeft negatieve invloed op het onderzoek). Bestaand materiaal kan
worden onderzocht a.d.h.v. deskresearch (vanuit huis via internet) en kan bestaan uit
sociale mediaberichten, archieven, databestanden, artikelen, foto's en andere bronnen.
Dit wordt vooral gebruikt om onderzoeksvragen te beantwoorden en informatie te
verzamelen zonder directe bevraging of observatie. Wanneer een combinatie van
dataverzamelingsmethoden wordt gebruikt is er sprake van datatriangulatie.
vragen stellen: Vragen stellen is een belangrijke manier om informatie te krijgen.
Soms is het beter om anderen te vragen in plaats van zelf te oordelen, zoals bij het
beoordelen van iemands communicatiekwaliteiten. Informanten zijn mensen welke
vragen beantwoorden over andere mensen of onderwerpen dan zichzelf. Vragenlijsten
zijn veelgebruikte instrumenten in onderzoek, en handig om erachter te komen wat
mensen voelen, weten, denken en vinden, maar voor het in kaart brengen van gedrag is
het vaak effectiever om niet te vragen maar te observeren.
observeren: Observeren is een effectieve manier om gedrag te onderzoeken, vooral
wanneer mensen zich niet bewust zijn van bepaalde eigenschappen of gedragingen,
zoals dominantie of verkeersgedrag, maar bij zeer intiem gedrag of ongewenst gedrag is
het beter om vragen te stellen op een veilige en anonieme manier.
Jessie Buitenhuis, 2204855
Gedownload door Lisa Karger ([email protected])
lOMoARcPSD|47941159
3.3 Is de dataverzameling betrouwbaar en valide?
De kwaliteit van je verzamelde data wordt bepaald door:
de validiteit: Of je onderzoek goed is, hangt voor een groot deel af van de validiteit
van je dataverzameling. Dit speelt vooral bij het meten van complexe en/of abstracte
kenmerken, zoals bijvoorbeeld dominantie. Sociale wenselijkheid (het geven van
antwoorden of het zich gedragen volgens datgene waarvan de respondent denkt dat de
norm) en het hebben van slechte zelfkennis spelen vaak een belangrijke rol bij de
dataverzameling, en hebben negatieve invloed op de validiteit. Validiteit gaat over de
nauwkeurigheid en geldigheid van een onderzoeksmethode, waarbij instrumentele
validiteit betrekking heeft op de mate waarin je meet wat je wilt meten, en ecologische
validiteit aangeeft in hoeverre de resultaten overeenkomen met de werkelijkheid; bij
kwalitatief onderzoek speelt de rol van de onderzoeker een belangrijke rol en wordt vaak
gebruikgemaakt van triangulatie om de geldigheid van de resultaten te vergroten.
de betrouwbaarheid: Betrouwbaarheid verwijst naar de consistentie en stabiliteit van
een meting, waarbij het beoordelen of de resultaten niet te veel afhangen van toeval
centraal staat. Verschillende toevalsbronnen kunnen de betrouwbaarheid benvloeden,
zoals het gebruikte instrument, de onderzochte persoon, de omstandigheden en de rol
van de onderzoeker. Wanneer een test of vragenlijst als instrument wordt gebruikt, is
het belangrijk voor de betrouwbaarheid dat vragen homogeen zijn. De homogeniteit van
een test of een vragenlijst dus de mate waarin de vragen hetzelfde meten wordt
meestal berekend met Cronbachs alpha. Deze kan variren van .00 (niet homogeen) tot
1.00 (perfect homogeen).
de relatie tussen betrouwbaarheid en validiteit: Betrouwbaarheid en validiteit van een
meting zijn dus niet hetzelfde: een meting kan betrouwbaar zijn maar niet valide, maar
een onbetrouwbare meting kan nooit valide zijn. Het is een veelgemaakte fout om deze
twee concepten door elkaar te halen.
3.6 Wat is een goede opzet voor observatieonderzoek?
Voor een observatie moet je een methode kiezen en beslissen wat je observeert.
een methode kiezen: Observatieonderzoek is
de beste methode om gedrag te onderzoeken.
Je kunt kiezen tussen participerende observatie,
waarbij je actief deelneemt aan de situatie
(bijvoorbeeld als mystery-shopper), en niet
participerende observatie, waarbij je als
buitenstaander observeert. Participerende
observatie kan zowel open als verhuld (niet zichtbaar in de rol als observator)
plaatsvinden. Daarnaast kun je kiezen tussen open ongestructureerde observatie,
Jessie Buitenhuis, 2204855
Gedownload door Lisa Karger ([email protected])
lOMoARcPSD|47941159
waarbij je zonder specifieke focus rondkijkt en leert van de situatie, en gestructureerde
observatie, waarbij je gebruikmaakt van observatielijsten om specifieke aspecten te
beoordelen.
beslissen wat je observeert:
Bij observatie stel je eerst vast of het gedrag plaatsvindt (event- sampling). Hierna kun
je letten op verschillende gedragsaspecten: - Frequentie van het gedrag (hoe vaak komt het voor), bij een hoge frequentie kan
gebruik gemaakt worden van time-sampling. Daarbij maakt de onderzoeker
gebruik van een apparaat dat steeds een piepje geeft en de onderzoeker vaststelt
of het gedrag op dat moment plaatsvindt. - Duur van het gedrag (hoe lang houdt het gedrag aan) - Kwaliteit van het gedrag (in welke mate komt het gedrag voor), word meestal
gemeten met behulp van een beoordelingsschaal. - Richting van het gedrag (op wie is het gedrag gericht) . De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 25.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag