Maak een oefenexamen van de volgende tekst:
Psychodiagnostiek aantekeningen
Diagnostisch instrumenten
MINI: (semi)gestructureerd interview
- Interview of iemand voldoet aan de criteria van DSM. Korte vragen en als iemand nee antwoord door naar een andere stoornis, test legt dit uit.
- MINI-S voor jongeren in het Engels, niet in Nederlands verkrijgbaar
- Voorkomen tunnelvisie, differentiaaldiagnose
SCID-5-PD
- Meet DSM-5 criteria van persoonlijkheidsstoornissen
- Leidt tot formele diagnose, X aantal criteria. Als enige test!!
- Je kan of 2 uur gesprek doen of eerst laten screenen en dan dat gedeelte uitvragen
- Gestandaardiseerde vragen
- Junior versie voor kinderen en jongeren
Cognitieve en Intelligentietest
WISC
- Full scale IQ = totaal IQ, subsets nodig om total IQ te meten
- Primary index scales, indexen die een eerste aanzet geven voor sterkte/zwakte analyse
- Sub schaal scores van gemiddeld liggen meestal tussen 8 en 12
Uitleg die aan ouders en leraren wordt gegeven
1. working memory index = Manager. Digit span. Er gebeurt superveel in de hersenen en manager prioriteert en plant wat wel of niet gedaan moet worden
2. Verwerkingssnelheid index = Assistent. Coderen en symbool zoeken, eerst 3 items voor doen en dan kijken of iemand zelf figuurtjes kan doen. De assistent zou snel, efficint en fouten moeten kunnen herkennen.
3. Visueel-ruimtelijk index = architect. Block design: door de bomen het bos zien, iemand kijkt met bepaalde manier en heeft veel inzichten, mentale rotatie. De architect kan kleine delen zien in geheel plaatje en kan met delen iets nieuws maken.
4. Vloeiend redeneer index = Detective. Matrix redeneren: aanvullen van patroon met juiste onderdeel. Vermogen nieuwe problemen oplossen, logisch redeneren. De detective vertrouwt de bibliotheker voor feiten en architect voor constructie verbeelden. Hij informeert de manager wat prioriteit heeft en vertrouwt de assistent om de juiste info te verwerken.
5. Verbaal begrip index = Bibliotheker. Feitelijke kennis, verbaal redeneren. Vocabulaire, woordbetekenis om onderdelen te benoemen.
WAIS (Wechsler Adult Intelligence Scale)
Doelgroep: Volwassenen vanaf 16 jaar.
Wat meet het? Cognitieve vaardigheden via dezelfde indexen als de WISC, aangepast voor volwassenen.
Format: Individuele afname met blokken, vragen en puzzels.
Doel:
o Bepalen van cognitief functioneren, bijvoorbeeld bij neuropsychologische diagnostiek of forensisch onderzoek.
Scoring:
o IQ-score met een gemiddelde van 100 (SD = 15).
o Indexen en subtestscores zijn vergelijkbaar met WISC.
Bayley-III (Bayley Scales of Infant and Toddler Development)
Doelgroep: Babys en peuters (1 tot 42 maanden).
Wat meet het? Ontwikkelingsmijlpalen op 5 domeinen:
1. Cognitie.
2. Motorische vaardigheden.
3. Taalontwikkeling.
4. Socieel-emotionele ontwikkeling
5. Adaptief gedragsschaal
Format: Spelgebaseerde taken waarbij een kind taken uitvoert terwijl een beoordelaar observeert.
Doel: Identificeren van ontwikkelingsachterstanden en sterktes.
Scoring: Normscores per domein; resultaten vergeleken met leeftijdsgenoten.
Waarom is intelligentie een conglomeraat?
Intelligentie wordt als een conglomeraat beschouwd omdat het bestaat uit meerdere afzonderlijke, maar gerelateerde componenten die samen het totale cognitieve functioneren bepalen.
Redenen:
1. Multidimensionaliteit: Intelligentie omvat domeinen zoals verbaal begrip, probleemoplossend vermogen, werkgeheugen en verwerkingssnelheid. Geen enkele subtest kan intelligentie volledig meten.
2. Interactie tussen vaardigheden: Domeinen benvloeden elkaar. Bijv. een sterk verbaal begrip kan logisch redeneren ondersteunen.
3. Variatie tussen personen: Een persoon kan hoge scores halen op vloeiend redeneren maar gemiddeld scoren op werkgeheugen, waardoor een samengestelde benadering nodig is.
CHC-model; stratum 1, 2, 3
- Meet wel brede cognitieve vaardigheden, niet de smalle
- Maakt het mogelijk om systematisch te kijken wat de sterktes en zwaktes zijn
Gedragsinterventies
ABC-model
- A: antecedent, wat gaat eraan vooraf (trigger)
- B: gedrag/behavior, hoe ziet het gedrag eruit, hoe vaak komt het voor?
- C: consequenties, wat gebeurt er nadat het gedrag is gezien, hoe reageren anderen?
SORC-model
- S: stimulus/antecedent (trigger)
- O: organismische variabelen die relevant zijn voor gedrag (interne van persoon). Bijvoorbeeld heel hoog temperament in jezelf.
- R: respons, observeerbare gedrag
- C: consequenties van gedrag
Screening en gedragsvragenlijst; OQ en SQ gebruikt ook voor feedback
CBCL: child behavior checklist
- Gestandaardiseerde lijst om probleemgedrag in kaart te brengen
- Screening! brede lijst om overzicht te krijgen
- Internaliserende en externaliserende problemen indicaties
- Ouder, leerkracht en zelfrapportage
- COTAN Beoordeling
- 2 onderdelen: activiteiten/ competenties van kind (hobbys, sport, thuis en school) en informatie over probleemgedrag.
- Sub schalen; teruggetrokken, somatische klachten, angst en depressie, sociale problemen, denkproblemen, aandachtsproblemen, delinquent gedrag en agressief gedrag.
- 3 HOOFD scores: internaliserende, externaliserende en totale problemen.
STQ veel gebruikt ook, korter dan CBCL
SQ-48
- 48 items, in 9 sub schalen: vijandigheid, agrofobie, angst, cognitieve klachten, depressie, somatische klachten, sociale fobie, vitaliteit en werk/studie.
- Totaalscores optellen: behalve de sub schalen vitaliteit en werk/studie.
- Hoe vaak u zich de afgelopen week heeft gevoeld
OQ-45: Totale score en 3 sub scores, 45 items
- Een hoge score suggereert dat client veel last heft van symptomen en interpersoonlijke realties en hun algemene kwaliteit van leven.
- Kritieke items: Item 8 (suicide), item 11/32 (middelen misbruik), item 44 (geweld)
- Subschalen:
Symptoom distress meet angst/stemming en aanpassing stoornissen. Hoge score geeft aan dat client er last van heeft.
Interpersoonlijke relaties score: test eenzaamheid, ruzies met andere/ familie en huwelijksproblemen. Lage scores geven aan dat deze klachten niet aanwezig zijn en dat mensen tevreden zijn over de kwaliteit van relaties.
Sociale rol: rollen conflicten, lage scores geven aan dat je goed kan aanpassen aan rol. Wel goed kijken of iemand niet laag scoort doordat hij werkeloos is.
BASC-2; screening voor kinderen en adolescenten. Gedrags en emotionele valkuilen en sterktes ontdekken.
Psychofysiologische testen (in NL niet veel gebruikt)
1. Polygraaf (leugendetector): meet verandering hartslag, ademhaling en huidgeleiding
2. EEG: meet hersenactiviteit met hoge temporele resolutie
- Afwezigheid van geschikte standaardisatie procedure of normgegevens
- Dit maakt deze test minder geschikt voor klinische diagnostische doeleinden
- De kwalitatieve en kwantitatieve eigenschappen van eeg-protocollen zijn gaandeweg verbeterd. EEG biedt mogelijkheid bij psychologisch assessment.
Persoonlijkheidstesten
Vormen van persoonlijkheidstesten
1. Projectieve hypothese test:
- Rorschachtest test: Ongestructureerd, vaag dubbelzinnige stimuli bieden. Ideale omstandigheid voor onthullingen over innerlijke aspecten van persoonlijkheid
- Thematic apperception test: serie van plaatjes waarop je een verhaal moet vertellen.
HOE vertelt patint verhaal? Helderheid en samenhang in denken
WAT (inhoudelijk) zegt de patint; opvallende emotionele themas
- Sentence completion test: halve zinnen afmaken. Ouders, opvoeding, wensen idealen, relaties met anderen, zelfbeeld. Hoe de lege plek is ingevuld en wat zijn de themas
2. Zelfrapportage
NMPI: hele lange vragenlijst, indicatie van persoonlijkheidsaspecten, niet voor diagnose.
- LFK, leugenschalen; vorm van patroon zegt iets over de eerlijkheid
- L: uncommon vergius: intentioneel onderrapportage, mogelijk bewust onder rapporteren om wat te verdoezelen.
- F: over rapporteren van items; hoge score? Veel items aanklikken die weinig in rest van populatie voorkomt. Willekeurig antwoorden of ernstige psychopathologie
- K: unintentional onder rapporteren; items die fout zijn toch een score geven.
- Schalen: Hypochondrie (Hs), Depressie (D), Hysterie (Hy), psychopathie (Pd), masculiniteit/vrouwelijkheid (mf), paranoia (Pa), vijandigheid (Pi), schizofrenie (Sc), hypomanie (Ma) en sociaal introvert (Si).
- Koppelen aan symptoom maar bedoelen persoonlijkheid mee, score >70 dan klinisch
- Items zijn waar of onwaar
SIPP: severity index of personality psychopathology
- Meet dimensies van persoonlijkheid
- In kaart brengen van psychopathologie
- Zelf: ben ik dezelfde met anderen, persoonlijkheid integratie, zelfgerichtheid. Anderen: tolerantie van intimiteit, empathie. Vermogen eigen behoefte aan te passen, grenzen kennen.
- Gaat over de laatste 3 maanden
16 facetten op 5 klinische schalen;
- Zelf: zelfcontrole, identiteitsintegratie
- Anderen: relationele functies, sociale concordantie en verantwoordelijkheid
SIPP-118; korte versie
Top down (inventaris experts)
Gestart met 277 items
16 facetten, 5 klinische domeinen
Dimensionele score op 7 domeinen: zelfcontrole, identiteitsintegratie, relationele vaardigheden, sociale concordantie & verantwoordelijkheid
NEO-PI-R / NEO-FFI
- Gebaseerd op big five, meet de OCEAN maar kijkt ook naar persoonlijke facetten, stijlen. Niet geschikt voor diagnose!
Milton klinische multiaxiale inventaris-II
Persoonlijkheidstesten bij werving en selectie!
1. 16 persoonlijkheden test Myer Briggs Type indicator
- Geinspireerd door theorien van Carl Jung
- In 1987 werd een geavanceerd score systeem ontwikkeld
- 16 uitkomsten mogelijk van cognitieve functies
- Subschalen; extravert, introvert, intuitie, gevoelig, aanvoelen, denken
2. NEO-PIR-circumplex
- Vragenlijst voor persoonlijkheid, wel een best lange lijst
- Big 5 OCEAN (Altruisme)
- 240 vragen, gebaseerd op lexicale hypothese. Kan bias veroorzaken voor mensen waar Nederlands 2e taal is. Het is soms dan moeilijk/onduidelijk te interpreteren.
Casus Oliver, 11 jaar, man.
Gegevens;
- Woont met beide ouders, zusje 2 jaar jonger
- Ernstige dyslexie, school Ok resultaten behalve voor lezen
- Sinds kleuterschool moeite met concentratie
- Dromerig
- Eerst problemen met maken vrienden, nu wat nerdy vrienden
- Hele dag handen tegen elkaar wrijven
- Loopt heen en weer, zwaaiend met zijn armen 10 min, meerdere keren per dag
- Grote fantasie
- Ouders maken zorgen over middelbare schoolkeuze
Hypothesen
- Oliver heeft ADHD.
Screeningvragenlijst, gestructureerd interview met ouders en leraar. Tea-Ch: neuropsychologische taak die aandacht meet.
- Oliver heeft OCD. Interview met ouders van Oliver
- Oliver heeft een laag IQ. Wisc-5
- Oliver heeft ASS
Resultaten
- Scoorde hoog op OCD (dwang) in CBCL, vanwege wapperen handen hij deed dit om rustiger te worden. Let goed op hoe je interpreteert. Beperkingen in instructie van diagnostisch instrument.
Week 1
Wat is psychodiagnostiek? Diagnostiek is onderscheiden
- Beeld/info krijgen over problematiek/analyse om zo een advies en probleemoplossing te geven voor juiste hulpverlening.
Classificatiesystemen
DSM en international classification of diseases (ICD)
Minpunten:
- er is wel of geen diagnose
- niet alle stoornissen passen in homogene categorien
- belangrijke informatie gaat verloren bij geforceerde test
- diagnostische criteria laten vaak veel ruimte voor interpretatie
- gebrek aan heldere procedures om een diagnose te bepalen
De diagnostische cyclus
1. onderzoek klachten van clint
- intake interview, anamnese (is voorgeschiedenis) en de hulpvraag van clint
2. onderzoek problemen van de client
- verband leggen tussen klachten en problemen, clusteren problemen, cross-referencing van problemen met wetenschap, kennis.
3. Diagnose stellen
- Formuleren en testen hypothese, kiezen van testbatterij, evalueren en integreren van testresultaten
4. Indicatie
- Bepalen wat het doel van interventie is, soort hulp en het doen van aanbevelingen.
Needs based assessment model; de 5 stappen van behandeling en de wisselwerking
Anamnese (voorgeschiedenis) intake
1. Speciale anamnese (uitdiepen van aanmeldklachten)
2. Actueel functioneren en de ontwikkeling geschiedenis.
Strategie fase
- Beschrijven en clusteren van kenmerken
- Inventariseren van kenmerken m.b.t. context
- Keuze voor diagnostische test
- Afronden van de keuze
Ernsttaxatie: hoe ernstig is de klacht?
- Leeftijdsadequaat, duur van probleemgedrag, omstandigheden: wel/geen aanleiding voor probleemgedrag, frequentie van problemen, intensiteit, impact/lijden lijst.
Diagnostische hypothese
- Geformuleerd worden vanuit wetenschappelijke, verantwoorde theorien/ evidentie en moeten toetsbaar zijn
- Daarna omzetten tot vragen, bijvoorbeeld Heeft Oliver ASS volgens de DSM-criteria?
Test
- Gestandaardiseerde procedure om gedrag te meten en het beschrijven in categorien of scores
- Criterion referenced test: test om te bepalen wat de kwaliteiten zijn van persoon t.a.v. een bepaald criterium. Bijv. onderwijs, wel gehaald of niet gehaald.
- Norm-referenced test: testscores vergeleken met een referentiegroep, gestandaardiseerde testen bijvoorbeeld WISC/CBCL
Dit allemaal om te kijken wat er nodig is, wellicht toch nog terug naar strategie adviseren
Week 2
Norm referentie test: testscore deelnemer vergeleken met een referentie/ norm groep.
Waarom meten we intelligentie?
- Onderzoeken hoe en waarom individuen verschillen in capaciteiten
- Overzicht krijgen in sterktes en zwaktes (analyse maken)
Binet ontwierp test voor wie meer hulp nodig had
- Kinderen hetzelfde in ontwikkeling alleen op een ander tempo
- Mentale leeftijd hoe is het kind anders dan verwachting van chronische leeftijd
- Norm referentie, vanuit het dagelijkse bekeken
- Intelligentie globale vermogen om doelgericht te handelen, rationeel te denken en effectief.
Definities intelligentie
- Probleemoplossend vermogen
- Spearmans G factor: intelligentie bestaat uit 2 factoren; general (G) en specifiek (s). Hij merkte op dat de dat de factoren van elkaar afhangen.
Eerst een brede test factor en correlatie (spearman) en daarna steeds specifieker
- Cattell intelligentie: 2 onderdelen. Flude intelligentie; nieuwe problemen oplossen, cultuur, onafhankelijk, nieuwe kennis verwerven. Gekristalliseerde: afhankelijk van cultuur, feitelijke kennis (opgroeien) over de wereld.
CHC-model: integratie van eerdere intelligentie testen.
- 100 jaar later intelligentie test nog steeds hetzelfde, wel nieuwe versies, mensen worden steeds slimmer (Flyn effect)
Intelligentie bij jongere kinderen
- Cognitief functioneren, je test ook medewerking, aandacht, volhardenheid, sociale responsiviteit.
- Je dient te waken voor negatieve consequenties van diagnostisch labelen.
- Gedrag van kind tijdens testafname van belang
Beperkingen bij kinderen
- Vroege kindertijd resultaten weinig voorspellende waarde
- Slechte correlatie
- Prestatie waarde neemt vanaf 5 jaar toe
Haken en ogen van IQ test
- Hangt samen met bijv. eerdere kennis bijv. blokjes spelen.
- Taal speelt een rol
- Dynamische test waar feedback kan worden gegeven
ABC model vernon
- Genetisch wat je in gedrag ziet (B), hetgeen wat je meet met intelligentie
Definities intelligentie
- Thurstone: Het vermogen om instinctieve aanpassingen te inhiberen, op een flexibele wijze, en je te realiseren dat er instincten zijn en die zich vertalen in gedrag.
- Sternberg: Het mentale vermogen om te automatiseren welke info we verwerken en om in de context passend gedrag te geven op reactie op nieuwe dingen
- Sattler: Intelligent gedrag reflecteert de overleving skills van de soort, verder dan degene die geassocieerd worden met basic fysiologische processen
Intelligentie = conglomeraat van verstandelijke vermogens, cognitieve processen en vaardigheden
- Zo optimaal mogelijk met een veranderende wereld omgaan (aanpassing)
- Abstract, logisch en consistent redeneren
- relaties kunnen ontdekken (inductief redeneren)
- Probleemoplossen
- Regels afleiden (inductie)
- Nieuwe taken oplossen met oude kennis (transfer) - Flexibele aanpassing
- Leervermogen (zonder volledige instructie)
Week 3
Neuropsychologie: functies van het brein in relatie met gedrag
Hersen gedrag model:
Brein disfunctie neurocognitieve functies gedragsproblemen
- Allemaal kijken naar de omgeving/samenwerking. Brein disfunctie is vaak niet te helen dus een faciliterende omgeving is van belang voor zon onafhankelijk mogelijk leven.
- Omgeving, kijken naar interactie van bijv. eventueel giftige stoffen wat gedrag ook zou kunnen benvloeden
Neuro cognitieve functies
- Intelligentie, geheugen, aandacht/concentratie, inhibitie, perceptie, motoriek, executieve functies, taal
- Intelligentie van belang als baserate en dat bijvoorbeeld taaltesten dan wel betrouwbaar zijn sterkte/ zwakte analyse
Neuropsychologisch assessment
- IQ, sensorische waarneming, aandacht etc. Cognitief functioneren, vaardigheden toetsen.
Standaard psychologisch assessment
- IQ, sociaal-emotionele problemen, DSM-V. Meer interview en attributies uitvragen
Intelligentie en neuropsychologie
- Voorspelt hoe snel iemand iets verbaal verwerkt; verwerkingssnelheid
- Dynamisch testen: op basis van IQ kijken naar leercurve, kan iemand geleerde informatie meenemen. Kan hij/ zij feedback snel opnemen? Kwalitatieve benadering.
DUS: Neuropsychologie kijkt naar de relatie tussen hersenfunctie en gedrag
- Om mogelijkheden van kinderen te onderzoeken
- Om bewijs voor aandoeningen/stoornis te vinden
- Adviezen kunnen geven over aanpak en leerpunten
Kinderneuropsychologie
- Het leggen van verbanden tussen problematisch of afwijken gedrag en de disfuncties van de hersenen (in ontwikkeling)
- Jonge brein is plastisch maar niet altijd volledig herstel
- Jonge kinderen <7 veel kleinere kans op herstel dan wat oudere
- Psychosociale problemen in gezin kunnen nadelig invloed hebben op gunstig herstel, double hazard hypothese
- Growing into defecit: pas later effecten zichtbaar van traumatisch letsel; dyslexie wanneer leesonderwijs wordt gegeven.
- Executieve functie problemen openbaren wanneer er verwacht wordt dat het kind (gezien leeftijd) controlefuncties zou moeten beheersen
Mobile Conjugate Reinforcement Paradigm
Een baby van bijv. 2 maanden leert actie-response associaties: beweeg voet = beweeg mobiel = leuk
- Deze actie-response associatie wordt dan onthouden
Auditief geheugen
- Digit span voorwaarts (korte termijn)
- Digit span achterwaarts (werkgeheugen)
Visueel geheugen
- Visueel herkenningsgeheugen (gezichtherkenning - K-ABC)
- Visueel-ruimtelijk geheugen (Corsi Block Tapping Test)
- Langetermijngeheugen (15 Words Test
Factoren die van invloed zijn op het geheugen
- Intelligentie: snelheid en efficientie van het geheugen
- Verworven kennis van belang voor het gemak/succes waarmee het kind leert
Aandacht: volgehouden en gerichte aandacht
- Tijdsbesef: plaatsing van gebeurtenissen in chronologische volgorde
- Motivatie: de wil om te onthouden
- Perceptie: beperkingen in perceptie kunnen tot verminderde prestaties leiden op een geheugentaak
- Visueel-constructieve vaardigheden: sommige geheugentaken vragen om het
(direct of uitgesteld) natekenen van objecten/figuren
Rol neuropsycholoog
- Stelt hypotheses die diagnostisch getoetst worden profielanalyse: sterke en zwakke neurocognitieve functies in kaart brengen. Doel: beschrijvende diagnose van risico factoren en oorzaak in kaart brengen.
- Omscoren ruwe scores naar testscores
- Rekening houden met situationele factoren
- Rekening houden met neurocognitieve doelfuncties (wat is er nog mogelijk)
- Geen uitspraken doen op basis van 1 test
- Grote verschillen uitslagen meest betekenisvol
Verklarende theorie
- Omschrijving van sterkte, zwakte profiel dat gedragsproblemen verklaart
- Onderliggende hersen disfuncties die gedragsproblematiek verklaart
- Omgevingsinvloeden die evt. bijdragen aan tot standkoming.
- Uiteindelijk doel: vanuit denken over gedrag-hersen relaties een individuele verklarende theorie wordt opgesteld, veroorzakende, bedreigende en faciliterende factoren bespreken.
Pre morbide niveau cognitief functioneren: het niveau van iemand voordat er hersenletsel, infectie of chemo plaatsvindt.
Hold test: gebruikt worden als referentiekader om intelligentie voor hersenletsel in te schatten.
- Niet gevoelig voor traumatisch hersenletsel
- Woordenschat testen
- Leestesten
- Vaardigheden die getraumatiseerd zijn
- Meer gebruikt bij volwassenen dan bij kinderen want lezen is bij hen wellicht minder geautomatiseerd.
Executieve functies, aandachtstaken
Stroop taak: response inhibitie & interferentie
Noem zo snel mogelijk de kleur van de woorden
Niet geschikt voor jonge kinderen (kunnen nog niet lezen) Day-Night Task: meten. van inhibitie/response interferentie bij jonge kinderen (3-7 jaar)
Tower of London: Van uitgangspositie naar doelsituatie in zo min mogelijk stappen. Executief functioneren meten!
Wisconsin Card Sorting Task
Persevereren (het blijven toepassen van een regel wanneer deze niet meer correct is): een belangrijke maat van cognitieve inflexibiliteit
Test of Everyday Attention for Children (TEA-CH)
Aandachtstest voor kinderen (6-16 jaar)
Gericht op aandachtscontrole
9 subtesten
4 subtesten voor een verkorte screening
Niet geschikt voor een psychiatrische klinische diagnose
Afname binnen 1 uur
ACC agenese: geen corpus callosum, beperking in abstract redeneren
Cognitieve dyspraxia: moeite met visueel ruimtelijke issues, omgaan met ruimtelijke relaties en een toren bouwen.
Vingertap test: hersenletsel identificeren
Week 4
Bij diagnostiek van gedrag ligt nadruk op
- wat een persoon doet; gedrag in context (sociaal cultureel te zien.
- Hoe gaat deze info naar behandeling (DOEL). Verbeteren educatie en ontwikkelingsmogelijkheden bij kinderen
Sterke kanten
- Gedragsdiagnostiek minder interferentie gevoelig met betrekking tot interpretatie van gedrag. Vaak objectiever dan persoonlijkheidsonderzoek
- Lagere kosten (observeren)
- Meerdere informanten (ook ouders en leraren)
Mindere kant
- Iemand kan ander gedrag vertonen dan hoe hij zich voelt (incongruent)
- Vragenlijsten rondom gedrag onderhevig aan response sets. Sociaal wenselijkheid of te negatief antwoorden want zo snel mogelijk hulp willen.
- Externaliserend gedrag makkelijker te observeren. Internaliserend is moeilijker in kaart te brengen.
Wat is een (Bias) antwoordset?
- Door opeenvolging van vragen een bepaald effect teweegbrengen. Volgorde is van invloed op hoe iemand antwoord. Bijvoorbeeld te lange vragenlijst.
- De vragenlijst anders interpreteren
- Dunning-Kruger-effect optreden = Incompetente mensen weten niet dat ze incompetent zijn (overschatten zichzelf vaak)
HET DOEL VAN GEDRAGSDIAGNOSTIEK IS INFO VERGAREN VOOR EEN BEHANDELPLAN (INTERVENTIES)
Screeninglijst voor intake: breed, wel vaak te veel vals positief
Diagnostisch instrument: net wat specifieker, gaat ook verder door op evt. symptomen.
Intake
- Gedragsinterview: stel vragen over het doelgedrag. Gestructureerd klinisch interview
- Problematisch gedrag en factoren die in stad houden/ voortduren van problemen
- Begrip van antecedenten.
- PRIMAIR DOEL: vaststellen van de hulpvraag!
Instrumenten voor gedrag
1. Observatie: methoden geven overzicht van gedrag zonder naturalistische of gecontroleerde condities
- Overt observatie (controle): ethisch verantwoord (consent) gecontroleerd. Minpunt lage validiteit; clinten weten ervan.
- Covert (naturalistisch): hoge validiteit geobserveerd gedrag in natuurlijke setting. Minpunt ethisch dilemma, geen consent
2. Sampling methoden
Event sampling
- Bijhouden hoe vaak bepaald gedrag voorkomt
- Coderingsschema
- Gedrag kan geist worden (als vaak voorkomt)
Time sampling
- Registreer observaties gedurende bepaalde tijd
- Kwantitatieve data m.b.t. doelgedrag
- Observaties mogelijk niet representatief (wellicht komt het gedrag tijdens die periode niet voor)
3. Rating scales
- Vaak 4 dingen van schalen; agressie, hyperactiviteit, depressie en angst
- Vertelt ons ook hoe vaak iets in populatie voorkomt
- Omnibus rating scale: meet scala aan symptomen en gedragingen die gerelateerd zijn aan verschillende emotionele en gedragsstoornissen.
Needs based Assessment model:
Intake strategie testing, diagnose needs/assessment (eventueel weer naar strategie) aanbevelingen
- Intake is heel belangrijk en noodzakelijk
Doelen: 1e stap is opbouwen van relatie met client, begint al met contact in wachtkamer.
- Vaststellen aandachtgebieden (klachten
- Hulpvraag begrijpen, raamwerk voor interpretatie van de testuitkomsten
Actief luisteren
- Monitor verschillende facetten van clint tijdens intake; activiteitsniveau, aandachtspanne, impulsiviteit, toon congruent tussen inhoud en vorm.
Professionele attitude
- Culturele sensitiviteit. Cultural formulation interview: kennis over anderen en verschillen; hoe gaat het praten over problemen bij jou thuis.
Uitzonderingen vertrouwelijkheid
- Gevaar voor zichzelf of voor anderen
- Kinderen die gevaar lopen
- Gerechtelijk bepaald; dan moet er informatie gedeeld worden.
Kinderen in behandeling
- Onder de 12 jaar worden ouders de client
- Tussen 12 en 16 jaar ouder en het kind
- Ouder dan 16 jaar volwassen, volgens NIP. Dit is in burgerlijk wetboek 18 jaar.
- Wettelijk en ethisch gezien is de wettelijke vertegenwoordiger (ouders) van het kind je client.
Week 5 Persoonlijkheid en ethiek
Waarom persoonlijkheid diagnostiek belangrijk?
- Het bepaald symptomen die zich uiten
- Persoonlijkheid is een veerkracht en kwetsbaarheidsfactor voor psychiatrische stoornis
- Belangrijk voor keuze van therapeutische interventies
Psychotherapie orintaties en persoonlijkheid theorie
- Psychoanalytische/ dynamische theorien: afweermechanismes en egofunctie
- Humanistische en experentiele therapie (clint centered): fenomenologische theorien van persoonlijkheid; subjectieve ervaringen
- CGT: gedrags-en sociale leer theorien
Vormen van persoonlijkheidstesten
1. Projectieve hypothese test:
- Rorschachtest test: Ongestructureerd, vaag dubbelzinnige stimuli bieden. Ideale omstandigheid voor onthullingen over innerlijke aspecten van persoonlijkheid
- Thematic apperception test: serie van plaatjes waarop je een verhaal moet vertellen.
HOE vertelt patint verhaal? Helderheid en samenhang in denken
WAT (inhoudelijk) zegt de patint; opvallende emotionele themas
- Doel is altijd: HOE ANTWOORD CLIENT
Voor- en nadelen projectieve test:
- Voordelen: klinische noodzaak (complexe patinten bijv.), aansprekend, validiteit en betrouwbaarheid (mits goed getraind).
- Nadelen: niet transparant, moeilijk te leren, niet kosteneffectief
2. Zelfrapportage
- Makkelijk af te nemen, ook groepsgewijs, scoring eenvoudig
- Info op gestandaardiseerde manier verzameld
- Resultaten statistisch bewerkt worden
- Respons bias kan gedentificeerd worden
- NMPI-2/ NVM
- NEO-PI-R / NEO-FFI, korter. Gebaseerd op big five, meet de OCEAN maar kijkt ook naar persoonlijke facetten, stijlen. Niet geschikt voor diagnose!
- Temperament en character inventory
- Schema questionnaire (onderdeel van schematherapie)
- SIPP severity inventory of personality
Sociale wenselijkheid:
- Madeline geeft toe vijandig te zijn maar is verder alleen maar lief. Andere spreken dit compleet tegen.
Valkuilen van zelfrapportage
- Gevoelig tot sociaal wenselijkheid
- Geldigheid ligt aan zelfinzicht
- Gevoelig voor staat; bijv. Depressieve, trauma etc.
Gedragsanalyse
- Meestal gebruikt in cognitieve gedragstherapie
- Beoordeling probleemgedrag incl. beschrijving context
- Als input voor interventies in de behandeling
Ecological momentory assessment
- Interventies met technologie, info komt binnen bij onderzoeksteam het meet op het directe moment zelf bijvoorbeeld als hartslag omhooggaat een melding krijgen.
Diagnostische rapportages en ethiek
Richtlijnen van testprocedure en rapportage
- Client mag altijd rapportage blokkeren
- Opdrachtgever is de rechter, clint mag het niet blokkeren maar wel medewerking weigeren.
Rapportage
- Datum beoordeling, patintgegevens, vragen gebruikte instrumenten, waarneming, verloop test en gedrag tijdens de test
- Een rapportage is altijd een concept! Tot besproken is met de patint.
- Recht; patint heeft recht op debriefing, aanvullen corrigeren en verwijderen van data en blokkeren van vrijgave rapport.
Wetten: WGBO (Wet geneeskundige behandelovereenkomst
- Reguleert wetten van patint
- Doel: informed consent
- Regels voor opslaan van patintgegevens
Relevante wetgeving: BIG
- reguleert de kwaliteit van een psycholoog en houden aan de beroepscode!!
Week 6 ROM en feedback
Routine outcome monitoring: blijven checken hoe je behandeling loopt
Achtergrond voortgangsfeedback
- Systematisch/ herhaaldelijk meten evalueren
- Routine outcome management (ROM of feedback informed treatment (FIT), belangrijkste is gesprek samen met de client aan gaan
Waarom feedback nodig?
1. Psychologische behandeling, 30/50% geen baat bij mensen.
- Resultaten niet goed genoeg, niet genoeg baat of mensen stoppen vroegtijdig
- 45% is onverklaard alle therapien hebben common factors (iemand luistert, is vriendelijk). Specifiek technieken maar klein deel van evt. succes. Daarom in de gaten houden welke wel/ niet profiteren.
2. Dodo bird verdict: geen verschil in effect tussen psychotherapien.
3. Klinisch oordeel vaak niet correct; herkennen van eigen patinten die risico lopen lukt vaak niet. Eigen oordeel vaak minder goed, ook niet effectiever over tijd.
Effecten van voortgangsfeedback: meta-analyse Jong
- Algemeen effect, meer mensen die profiteren, minder klachten aan het einde. Vermindering van dropout
- Tussentijds in behandeling meten
Niet altijd baat bij feedback: Cluster B niet!
Wat is feedback, werkingsmechanisme
Feedback instrumenten:
Generieke maten:
- Outcome questionairre 45, Symptom checklist 90 (SCL-90) en outcome rating scale en session rating scale.
Stoornis specifieke instrumenten:
- 30 item inventory of depressive (sympathology, IDS) of beck anxiety questionnaire
- Wat gevoeliger in vergelijking met generieke instrument. Je kan het niet in brede polikliniek gebruiken.
- Je mist soms klachten doordat je op 1 specifiek focust, terwijl iemand naast depressie ook angst kan ontwikkelen.
1. IKOC: langdurige psychiatrie, gebruikt om vooral naar positieve/empowerment kijken
2. Idiosyncratische vragenlijsten; netwerk van iemand en relaties in kaar brengen
Expect treatment response: verwachting van behandeling client, als dit niet goed gaat (not on track) krijgt behandelaar een melding.
Assessment of signal cases (ASC)
- Meet wat er in behandelproces is waardoor patint not on track is
- 4 domeinen; therapeutische relaties, motivatie, sociale steun, negatieve levensgebeurtenissen.
- Dit gebruikten veel meer effect + assessment
Hoe gebruik je feedback?
- Praktijk evalueren; vinger aan de pols, blijven kijken of het goed gaat met client, client wellicht in beweging houden, wat kan ik beter doen?
Manieren van feedback
- Client als informant, met en aan de client vertellen; ROM; OQ-45
- De client als participant; meten met de client tussentijds uitkomsten bespreken. OQ-45/SW-48 goed voor meten met de client. Je geeft client daarna de cijfers en of er een afname of een toename is.
- Evaluatie door de client als leider; rollen omgedraaid; ORS
ORS: outcome rating scale / session rating scale
Monitoren behandeluitkomsten: ORS, start van iedere sessie, (vandaag gaat het slecht/depressief of angstig bijv.)
Therapeutische relatie evalueren: SRS, aan het einde sessie ik voel me gehoord/gezien door therapeut, fijne sessie
- Feedback informed treatment.
Leeds-risk index: kunnen ontdekken of risico is dat clint niet van behandeling kan profiteren
- Hoe jonger je bent, hoe ernstiger het kan zijn. Voor allemaal problemen zijn ernst scores, hoe meer des te meer kans dat patint not on track is STOPLICHT
Sudden gain: plotselinge vermindering van symptomen, grote kans positieve behandeling
Turning point: eerst verslechterd daarna verbeteren
Negatieve trend: blijft verslechteren
Sudden loss: plotseling verslechtering vaak minder goede behandeluitkomsten
Hoge variabiliteit: steeds wisselend van verbetering naar verslechtering (borderline)
Clinical trouble shooting
- Eerst klinische relevante factoren impact therapie proces? veranderbaar? kan je ze aanpassen? evalueren en eventueel behandelplan aanpassen
Week 7
6 overlappende competenties (6 factormodel); probleemoplossend, organiseren en plannen, gedrevenheid, bewust rekening houden met anderen, communiceren, benvloedden van andere.
- Te weinig voor in de praktijk
In praktijk 15 competenties;
1. Conceptueel: analyseren, creatief, visie ontwikkelen
2. Relationeel: overtuigen, coachen, sturen, samenbinden
3. Operationeel: beslissen, commercieel, initiatief nemen, plannen/organiseren
4. Persoonlijk: flexibel, professioneel, stressbestendig en zelfverzekerd
Voorspellende waarde
- Grafologie (kan je dingen uit afleiden), Integriteitstest, werk test proeven (dag mee laten draaien), leeftijd, neurocitisme, opleiding, interesse of gewoon alleen geld, gestructureerd interview, IQ test, extraversie, werk kennis tests, werkervaring en biodata (met computer selecteren)
Verschil in selectie groepen (adverse impact, discriminatie) ligt dit aan de groep of het instrument dat je inzet; 4/5 regel: 1 selectie ratio meer dan 80% (.8) dan de andere dan is er sprake van adverse impact.
Onderdelen van assessment
- Capaciteiten test, persoonlijkheidsvragen, praktijk, opdrachten/simulaties, interview (met psycholoog), nabespreking
Intelligentie model (CHC-model)
- Vloeiende intelligentie: abstract denkvermogen en problemen oplossen
- Kwantitatieve intelligentie: met cijfers omgaan
- Gekristalliseerde intelligentie: kennis opgebouwd in de jaren (woordenschat)
- Schoolvorderingen (diplomas)
- Korte termijn en lange termijn geheugen
- Verwerkingssnelheid
- Visuele en auditieve informatieverwerking
Intelligentie diagnostiek
- Speedtests: veel items van gelijke moeilijkheid, zoveel mogelijk goed in gegeven tijd
- Power test: items met oplopende moeilijkheid, tijd minder relevant. Iemand blijft gewoon op een bepaalde score zitten.
- Adaptieve test: vorm van powertest, past zich aan op niveau van persoon
Persoonlijkheidsvragenlijsten
- Relatief lage prediciteve validiteit
- Zelfbeoordeling, rapportage
- Veel onzin, gebaseerd op Jung, COTAN keurt al deze testen af
- Conscientieusheid is wel relatief betrouwbaar
Praktijksimulaties
- Coaching correcte gesprek (rollenspel)
- Analyse presentatie opdracht
- Fact finding: iemand moet juiste vragen stellen om feiten te achterhalen
- Postbak: iemand krijgt een bak vol mails, wat doet diegene er mee
Voordelen: gedrag wordt beoordeeld, nauwelijks impressie management
Nadelen: standaardisatie lastig, relatief duur, ATIC-scores vertroebelen
Interview (met psycholoog): slechte voorspeller door
- Primacy effect (eerste indruk) blijft hangen, mensen met negatief eerste indruk (zweet stinken) zullen hier nooit vanaf komen. Negatief info weegt zwaarder.
- Vraagstelling en gesprekstechnieken; motivatie, hypothetische vragen
- Selectie situatie en praktijksituatie als gelijk veronderstellen
- Toekennen hoger gewicht aan negatieve informatie
- Voorkeuren, selecteurs
- Contrasteffecten, drempel vs. vergelijkend; 4 mensen zijn heel goed 1 iemand wat minder en diegene valt gelijk af. 4 zijn minimaal 1 is goed die steekt erboven uit
- Sign in plaats van sample benadering; mensen tijdens lunch, stukken fruit. Diegene die sinaasappel pakt heeft ballen volgens anderen (spuit eruit, vieze vingers etc.)
Culturele fairtest bij sollicitanten met migratieachtergrond: MCTM/H, NOA
Afstemmen;
- taal en taalgebruik, 2e taalverwerving/idioom,
- etnolect: Nederlands op Antillen is anders dan ons Nederlands.
- Indirect taalgebruik, conditioneel taalgebruik
- Conventies normen en waarden, zelf presentatie
- Inhoud en betrekking (Watzlawick): inhoud = letterlijke inhoud, betrekkingsniveau = kan anders bedoeld worden (context)
- Wantrouwen, stereotype dreiging mensen gedragen zich naar het vooroordeel.
Suicide e-learning preventie
- Minste sucide in December en meeste in Januari
- Suicide: de daad met dodelijke afloop
- Mannen overlijden 2 maal zo vaak aan sucide dan vrouwen, vrouwen wel vaker poging.
Theorien
Interpersonal psychologisch theorie van sucidaal gedrag: 2 zaken, het verlangen naar de dood en mogelijkheid om sucide te plegen, alleen dan kan sucide plaatsvinden.
1. Bestaat uit gevoel van nergens bij horen en anderen tot last te zijn
2. Wanneer deze 2 cirkels overlappen (van bovenste gevoelens) met de mogelijkheid (capabiliteit) om sucide te plegen, zal het plaatsvinden
Oconner Integrated motivation-volitional model of suicide behavior (IMV): sucidaal gedrag te begrijpen
1. Premotivationele fase: deze fase draait om iemands achtergrond, context, triggers, levensgebeurtenissen en genetische aanleg
2. Motivationele fase: je komt daarna bij verslagen voelen, schaamte. Dit kan worden versterkt (threat to self moderators) door sociale probleemoplossing, coping, piekeren.
- Iemand voelt zich daardoor compleet gevangen, klemzitten
- Er kunnen daarna motivationele moderators zijn zoals; zicht niet erbij horen voelen, tot last voelen, doelen, normen, toekomstplannen en steun. Deze motivaties kunnen ervoor zorgen dat er sucide gedachtes en intenties ontstaan
3. Volutional fase: Uiteindelijk kan echt sucidaal gedrag ontstaan door; volutional moderators (plannen, mogelijkheid om te doen, impulsief, geen angst voor de dood) of iemand blijft alleen bij gedachtes en intenties
Proeftoets
Karakter beoordelen op basis van uiterlijk, met name gezicht: Fysionomie
Projectieve testen worden zwaar benvloed door de psychoanalytische theorie
Voorspellende vermogen trainingssucces, validiteit:
- Biodata en cognitieve capaciteiten test werken ongeveer even goed
Toepassen contextuele inteferentie: woordenschat!
Athena oefentoets
Gestandaardiseerd, alle procedures met betrekking tot toediening van test, zoals instructies, voor alle patinten hetzelfde
Galen gezondheid bepalen: 4 lichaamsvloeistoffen moeten in balans zijn voor normaal zijn, zwarte en gele gal, bloed en slijm. Als dit niet in balans is dan ben je koekoek
WO1; Alfatest = verbale test zoals rekenkundig redeneren. Betatest: non-verbale zoals motorisch en visueel perpetuele test
Thurnstone 7 primaire mentale vaardigheden: associatief geheugen, ruimte, aantal, woordvloeiendheid, verbaal begrip, perceptuele snelheid en inductief redeneren.
Savant: mentale tekortkoming maar hoog ontwikkeld ander gebied (bewijs Gardner theorie van meervoudige intelligenties) iemand met ASS die laag IQ heeft maar mega goed kan pianospelen bijvoorbeeld.
Omnibus (alomvattend) schaal: breed scala aan symptomen en gedragingen meten
Directe observatie: is open, leraar in de klas, hoeft geen akkoord voor gegeven te worden
Indirect: camera ergens ophangen en iemand observeren, dan wel
CPT: continue prestatietest: volgehouden en selectieve aandacht, uitvoerende controle, waakzaamheid.
Fundamentele lexicale hypothese: Big five model op gebaseerd
EPQ: factoranalyse theorie, psychocitisme, extraversie en neurocitisme
Bio data: alle basisdingen, leeftijd/ras, objectief, kan voorspellen
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag