Maak een oefenexamen over het onderwerp: Onderzoek samenvatting deeltoets 1
Hoofdstuk 1 inleiding tot marktonderzoek
1.1 Wat is de relatie tussen marktonderzoek en markering?
Het is belangrijk om te weten wat marketing betekent wat kort gezegd inhoudt op rendabele wijze voorzien in behoefden. Bedrijven moeten tegenwoordig meer samenwerken met en leren van de klanten, en zich sneller aanpassen aan de veranderende behoefden van de klant. Het komt erop neer dat de marketeers iets inruilen voor geld. Marktonderzoek is een belangrijk deel van de marketing ook al slaagt een bedrijf er niet in om een goed product op de markt te zetten kunnen zij zelf en andere bedrijven hiervan leren om het niet nog een keer te laten gebeuren.
1.1.1 Het belang van de juiste visie- het marketingconcept
De term marketingconcept wordt vaak vergeleken met de termen klantgericht of markt gestuurd. Het belangrijkste punt is dat de klant voorop staat.
1.1.2 Marketingstrategie
Wat is een marketingstrategie nou precies? Een marketingstrategie bestaat uit het kiezen van het juiste marktsegment als doelmarkt van je bedrijf en het ontwerpen van de juiste mix tussen de 4 ps om aan de wensten en behoefden van de afnemers te voldoen.
1.2 Een definitie van marktonderzoek
Marktonderzoek is een hulpmiddel die managers van informatie voorzien. De betekenis van marktonderzoek is als volgt: marktonderzoek is het proces van het ontwerpen, verzamelen, analyseren, en rapporteren van informatie die kan gebruikt worden om specifiek marketingproblemen op te lossen.
1.3 Wat is het doel van marktonderzoek?
Bij marktonderzoek gaat het over het verzamelen van informatie. Deze informatie kan weer gebuikt worden om beslissingen te nemen. Het is geheel gericht op het begrijpen en voorspellen van consumentengedrag. Dat is behoorlijk moeilijk daarom is niet altijd alle informatie correct.
1.4 Wat zijn de toepassingsmogelijkheden van marktonderzoek
1.4.1 Kansen en problemen op de markt opsporen
Om kansen en problemen op de markt op te sporen kan je marktonderzoek gebruiken.
Bedrijven willen niet alleen hun eigen stand van zaken weten maar ook die van de concurrenten. Marktonderzoek kan dus ook worden gebruikt om de marktpresentatie in de gaten te houden. Bedrijven houden ook bij hoeveel ze precies ze verkopen, tegen welke prijs. Het belang van online info is enorm toegenomen.
Fundamenteel onderzoek wordt verricht om onze kennis te vergroten, niet om een specifiek probleem op te lossen. Onderzoek dat wordt gedaan om een specifiek probleem op te lossen noem je toegepast onderzoek.
1.5 Marktonderzoek indelen in categorien
4 gebruiks categorien van marktonderzoek:
1. Opsporen van marktkansen en -problemen
2. Poteniele marketingacties genereren, polijsten en evalueren
3. Het marketing resultaat nauwkeurig volgen
4. Marketing als proces verbeteren
1.6 Het marketinginformatiesysteem
Het marketinginformatiesysteem (MIS) is een structuur die bestaat uit mensen, apparatuur en procedures die als doel hebben om marketingbeleidsmakers tijdig de noodzakelijke en juiste informatie te verzamelen, te sorteren, te analyseren, te evalueren en te distribueren.
Onderdelen van de MIS. Het MIS verzamelt en analyseert informatie met behulp van:
1. Interne rapportage
Verzamelt informatie afkomstig van interne rapporten, zoals bestellingen
2. Marketinginlichtingen
Een aantal procedures bronnen die managers gebruiken om informatie te krijgen over bepaalde ontwikkelingen in de omgeving.
3. Onderbouwing van marketing besluiten
Het verzamelen van data die met behulp van bepaalde instrumenten en technieken beschikbaar gemaakt en geanalyseerd kan worden.
4. Marktonderzoek
Verzameld in de eerste plaats informatie die je andere punten niet verzamelen. Ook wel ad-hoc onderzoek genoemd en betekent met betrekking tot een specifiek doel.
1.7 Ethiek en marktonderzoek
Ethiek gaat over welk gedrag passend is in welke situatie. Zo is maatschappelijk bepaald wat ethisch en onethisch is. Zijn praktijken in het bedrijfsleven niet onwettig maar kunnen ze ook niet door de beugel, dan schrijven vakorganisaties of beroepsverenigingen vaak ethische gedragscode voor.
- Onderzoek integriteit kan zijn het achter houden van informatie, het vervalsen van gegevens, onderzoeksresultaten wijzigen of de onderzoeksresultaten zo interpreteren dat ze beter bij vooraf bepaalde standpunten passen.
Een paar punten die ethische niet kunnen:
- Verborgen kosten aan kopers berekenen, onderzoek eisen negeren.
- Overbodig onderzoek verkopen.
- De uitwisseling van vertrouwelijke en persoonlijke gegevens
- Oneerlijke verzoeken om een onderzoeksvoorstel
- Afspraken over tijd en geld niet na komen
Misleiding kan in twee basisvormen aannemen de eerste is het achter houden van informatie dit noemt men passieve misleiding. De tweede vorm is misleiding in opdracht ook wel actieve misleiding genoemd. Bij vertrouwelijkheid weet de onderzoeker wie de respondent is maar deze informatie wordt niet aan de klant bekend gemaakt. Bij anonimiteit blijft de respondent onbekend.
- Opt-outnorm betekent dat mensen de mogelijkheid hebben om verdere en of grenzen te stellen.
- Opt-innorm betekent dat mensen bewust toestemming moeten geven voor een bepaalde activiteit.
Hoofdstuk 4 het onderzoeksonderwerp
4.1 Het onderzoeksonderwerp
Het onderzoeksonderwerp is een verzameling reeds genomen beslissingen die samen het masterplan vormen, waarin de methoden en procedures voor het verzamelen en analyseren van de benodigde informatie worden gespecificeerd. Het is zo belangrijk om dit vast te stellen omdat elk onderzoeksprobleem uniek is.
4.2 Drie typen onderzoeksonderwerpen
De drie typen onderzoeksonderwerpen zijn:
1. Verkennend. Achtergrondinformatie verkrijgen.
2. Beschrijvend. Marketing verschijnselen beschrijven en meten.
3. Causaal. Verbanden bepalen als dan uitspraken formuleren.
De keuzen voor het meest geschikte onderwerp hangt grotendeels af van de doelen van het onderzoek.
Verkennend onderzoek is meestal ongestructureerd, informeel onderzoek om achtergrondinformatie te verkrijgen over de aard van het onderzoeksprobleem. Het wordt meestal gedaan als een onderzoeker niet veel van het probleem weet en meer informatie nodig heeft. En word daarom ook vaak aan het begin van een onderzoeksproject gedaan. Word meestal gedaan om 4 redenen:
1. Achtergrondinformatie verkrijgen
2. Begrippen definiren
3. Problemen en hypothesen verhelderen
4. Onderzoeksprioriteiten vaststellen
Methoden om verkennend onderzoek te doen:
- Secundaire data-analyse: het zoeken naar externe informatie die relevant is voor het onderwerp.
- Ervaringsonderzoek: is het verzamelen van informatie bij degenen die deskundig zijn op het gebied van het onderzoeksprobleem.
- Case-analyse: het bestuderen van vroegere informatie die aansluit op het onderzoeksprobleem.
- Interviews: het ondervragen van mensen.
- Focus groepen: een kleine groep mensen die afhankelijk van kenmerken en op basis van het onderzoeksonderwerp zijn samengesteld.
- Projectietechnieken: verborgen consumentmotieven voor het kopen van goederen en diensten. Door een vraag te stellen en kijken hoe deze wordt afgemaakt.
Beschrijvend onderzoek wordt gedaan om antwoord te krijgen op vragen zoals wie, wat, waar, hoe, wanneer. Meestal zijn deze antwoorden te vinden in secundaire data.
Bij cross-sectioneel (steekproefonderzoek) onderzoek meet je eenheden uit een steekproef van de populatie die slechts een moment gehouden is. Bijvoorbeeld: een onderzoek waarin je houding wordt gemeten wegens het toevoegen van een verplichte stage in je studieprogramma. Het wordt ook wel beschreven als een snapshot van de populatie. Bij logitudiaal onderzoek ondervraag je herhalend een proefeenheid binnen een populatie gedurende een bepaalde periode. Die panels (consumentenpanels) bestaan uit steekproefeenheden die hiermee akkoord zijn gegaan. Er zijn twee soorten panels:
1. Continue panels: bij elke meting worden dezelfde vragen voorgelegd.
2. Discontinue panels: de vragen variren.
Onderzoek waarin wordt onderzocht hoe vaak de consument overstap naar een ander merk wordt brand-switchinginderzoek genoemd. Bij markt-tracking wordt er een belangrijke variabele gemeten bijvoorbeeld een verkochte eenheid van een bepaalde periode.
Causaliteit kan worden uitgelegd als inzicht in een verschijnsel aan de hand van een voorwaardelijke uitspraak. Zoals: als ik langzamer rijd, verbruik ik minder brandstof.
4.3 Experimenteren
- onafhankelijke variabele: zijn variabele waar over de onderzoeker controle heeft. Bijvoorbeeld het soort advertentie.
- afhankelijke variabele: heeft die onderzoeker weinig of geen controle over. Zoals de schap plaats van het product.
- externe variabele: zijn variabele die van invloed kunnen zijn op een afhankelijke variabele, maar zelf geen onafhankelijke variabele zijn.
Experimenteel onderwerpen zijn procedures waarmee onderzoekers de effecten van een externe variabele op een afhankelijke variabele controleren. Hoe werken deze experimentele onderwerpen? Eerst de symbolen:
O = de meting van de afhankelijke variabele.
X = de manipulatie of verandering van een onafhankelijke variabele.
R = random toewijzing van onderzoekseenheden aan de experimentele groep en de controlegroep bijvoorbeeld de consument.
E = experimenteel effect. De verandering in de afhankelijke variabele die wordt veroorzaakt door de onafhankelijke variabele.
Tijdens het meten van de afhankelijke variabele voor de onafhankelijke variabele. Wordt de meting ook wel een pretest genoemd. En als de rollen omgedraaid zijn wordt het een posttest.
De eengroep nameting bestaat uit het veranderen van de onafhankelijke variabele, en na verloop van tijd een meting van een afhankelijke variabele. (Wordt aangegeven als XO1). Waarbij x de verandering in de onafhankelijke variabele weergeeft. Onderwerpen waarbij geen controles worden ingevoerd voor de effecten van externe variabelen op de afhankelijke variabele staan bekend als quasi-experimentele onderwerpen.
De eengroeps voor-en nameting bestaat uit een eerste meting van de afhankelijke variabele, vervolgens een verandering van de onafhankelijke variabele en tot slotte een tweede meting van de afhankelijke variabele (in het schema als O1XO2). Een controlegroep is een groep waarvan de onderzoekseenheden niet zijn blootgesteld aan de verandering van de onafhankelijke variabele. De experimentele groep is hier juist wel aan blootgesteld.
Voor- en nameting met controlegroep worden de onderzoekseenheden verdeeld in twee groepen de controlegroep en experimentele groep. Ziet er als volgt uit in een schema:
Experimentele groep (R): O1XO2
Controlegroep (R): O3 O4
Waarbij: E=(O2-O1) (O4-O3)
Wanneer is een experiment valide:
1. De waargenomen verandering in de afhankelijke variabele inderdaad is veroorzaakt door de onafhankelijke variabele.
2. De resultaten van het experiment van toepassing zijn op de echte wereld buiten de experimentsetting.
Je hebt twee vormen van validiteit zo heb je:
1. Interne validiteit: heeft betrekking op de vraag of de verandering in de afhankelijke variabel werkelijk werd veroorzaakt door de onafhankelijke variabele.
2. Verwijst naar de mate waarin het verband dat tijdens het experiment is waargenomen tussen de onafhankelijke variabele en de afhankelijke variabele generaliseerbaar is naar de echte wereld.
We kunnen experimenten in twee brede klassen indelen deze zijn:
1. Laboratoriumexperimenten: wordt de onafhankelijke variabele gemanipuleerd en worden metingen van de afhankelijke variabele gedaan in een bedachte, kunstmatige setting om zo greep te houden op vele mogelijke externe variabelen die de afhankelijke variabele kunnen benvloeden.
2. Veldexperiment: wordt de onafhankelijke variabele gemanipuleerd en wordt de afhankelijke variabele gemeten bij proefpersonen in hun natuurlijke setting.
4.4 Testmarketing
Er zijn drie nuttige criteria voor de selectie van testmarktgebieden en/of steden: representativiteit, de mate van gesoleerde en het vermogen om de distributie en promotie te beheersen.
Voordeel van testmarketing:
Het biedt de beslissers de best mogelijke informatie voordat de marketing van een product wekelijk op volledige schaal inzetten.
Nadelen:
- Leveren geen feilloze informatie op.
- Het zorgt er eerder voor dat concurrenten ook met het product kennis maken.
Hoofdstuk 5 secundaire data, online databases en gestandaardiseerde informatiebronnen
5.1 bronnen van secundaire data
- primaire data: zijn gegevens die de onderzoeker speciaal voor het onderzoeksproject heeft ontwikkeld of verzameld. Dit is dus data die je zelf verzameld en echt onderzoek naar hebt gedaan.
- secundaire data: zijn al eerder door iemand anders verzameld en/of voor andere doeleinden dan het huidige onderzoeksproject verzameld. Dit is data die je bijvoorbeeld van het internet af haalt en dus al is verzameld door iemand anders.
5.2 Classificaties van secundaire data
Secundaire data kan je ook weer door tween splitten zo heb je interne secundaire data deze is door het bedrijf zelf verzameld dit zijn bijvoorbeeld omzetcijfers, inkoopaanvragen en facturen. En je hebt externe secundaire data deze zijn door derde buiten het bedrijf verkregen.
Het begrip databasemarketing wordt gebruikt om te verwijzen naar het gebruik van deze interen databases om marketingprogrammas direct op de consument af te stemmen. De letterlijke betekenis is het opbouwen, onderhouden en gebruiken van interne klantendatabases en andere interne databases voor contacten, transacties en opbouwen van relaties. Een database is een verzameling van gegevens en informatie. Elke informatie-eenheid in een database wordt een record genoemd. Een record kan een client, een leverancier en een concurrent zijn. Deze records bestaan weer uit informatieonderdelen die velden worden genoemd. Als jij je gegevens aan het invullen bent op een website help je het bedrijf met het verzamelen van een interne databases dit is namelijk informatie die het bedrijf tijdens de gangbare zakelijke transacties heeft verzameld. Om als manager niet de weg kwijt te raken in deze enorme databases wordt de software data mining gebruikt. Zo kunnen ze weer opmaken welke producten goed verkopen.
Externe secundaire data zijn data die buiten het bedrijf is verkregen die verdelen we in drie bronnen:
- Gepubliceerde bronnen deze bronnen zijn bestemd voor openbare bestrijding. En zijn bijvoorbeeld te vinden in bibliotheken.
- Onderzoek informatie die voor meerde opdrachtgevers tegelijk is verzameld.
- Databases
Een catalogus bestaat uit een met boek bestanden van een bibliotheek. Dit is nuttig om
boeken te vinden op auteur, titel, trefwoorden, publicatiedatum enz... Indexen zijn records die zijn gepubliceerd uit tijdschriften. Deze informatie is weer vastgelegd in hetzelfde soort velden als bij een catalogus.
- Syndicated services data: is informatie die bureaus beschikbaar stellen voor bedrijven die een abonnement op deze dienst hebben. Dit is meestal data die niet zomaar terug te vinden is in de bibliotheek.
- Externe databases: deze worden door organisaties buiten het bedrijf geleverd. Ze kunnen gebruikt worden als bronnen voor secundaire data.
- Onlinedatabases: zijn bronnen van secundaire data die ja op het internet via een zoekmachine kan zoeken. Sommige zijn gratis maar ze zijn ook vaak tegeneen abonnement.
5.5 Secundaire data evalueren
Om secundaire data op de juiste manier te gebruiken moet je deze eerst evalueren. Dit wordt gedaan door de volgende 5 vragen:
1. Wat was het doel van het oorspronkelijke onderzoek?
2. Wie heeft de gegevens verzameld?
3. Hoe zijn de gegevens verkregen?
4. Komen de gegevens overeen met nadere informatie?
5. Welke gegevens zijn er verzameld?
5.6 Wat is gestandaardiseerde informatie?
5.7 Voor- en nadelen van gestandaardiseerde informatie
Gestandaardiseerde informatie is een soort secundaire data waarin de verzamelde gegevens, en het proces waarmee ze worden verzameld, ze zijn gestandaardiseerd voor alle gebruikers. Je hebt hier ruwweg twee soorten van:
1. Syncated data zijn data die in standaard vorm aan alle abonnees wordt vrijgegeven. Het voordeel hiervan is dat de kosten worden gedeeld en deze dus ook lager zijn. Er zit ook een nadeel al en dat is dat de kopers niet kunnen kiezen welke data wordt vergaard en weet je niet altijd of het de informatie is die je nodig hebt. En je moet je verplichten aan lang termijncontracten.
2. Gestandaardiseerde data bedoelden we een marktonderzoek waar data voor een specifieke gebruiker wordt verzameld. Een voordeel is dat je gebruikt maakt van de ervaring van het onderzoeksbureau. Op deze manier beperk je de kans op vergissingen. Het is ook een stuk minder duur dan als de opdrachtgever deze dienst zelf zou uitvoeren. Een nadeel is dat je de dienst niet geheel kan aanpassen aan je sector.
5.8 Toepassingsgebieden van gestandaardiseerde informatie
1. Het meten van consumentenopvattingen en opiniepeilingen. Het apparaat de Yankelovich monitor is gespecialiseerd in generatiemarketing en het bestuderen van ouderen, babyboomers en generatie X. de data zijn syndicated, dat wil zeggen dat de data voor iedereen verkrijgbaar is. Ze maken ook gebruik van en Global monitor waarmee informatie verzamelen voor opdrachtgevers.
2. Het definiren van marktsegmenten. Is het opdelen van klanten in groepen volgens kenmerken die ze gemeen hebben zoals leeftijd, inkomen.
3. Het uitvoeren van marketingtracking. Het trackingsonderzoek bedoelen we onderzoek waarin een variabele in der loop der tijd wordt gevolgd. Bedrijven houden bevoordeeld de omzet van hun merk in de loop van tijd in de gaten en zo ook de omzet van de merken waarmee ze concurreren.
4. Het monitoren van mediagebruik en de effecten van promoties.
Geodemografie is een term waarmee een klein geografisch gebied wordt beschreven volgens de kenmerken van de bewoners. ACnielsen is een bedrijf dat trackingdata biedt die worden vergaard door winkelaudits. Deze data wordt opgeslagen in een gemeenschappelijke database en is dan toegankelijk voor alle abonnees.
5.9 Data afkomstig uit een enkele bron
Single-source data zijn data die informatie over verschillende factoren bevatten, zoals blootstelling aan een promotieboodschap, demografie en koopgedrag. Deze informatie kan nuttig zijn voor managers om de causale samenhang te tussen verschillende soorten promotie en omzet.
Hoofdstuk 7 dataverzamelingsmethoden voor surveyonderzoek
7.1 de voordelen van surveys
Hier onder zie je 5 voordelen van surveyonderzoek
7.2 dataverzamelingsmethoden
Je kunt bij surveyonderzoek op vier manieren informatie bij respondenten verzamelen:
1. De interviewer stelt de vragen face-to-face of voice-to-voice survery. Zonder enige hulp van de computer en vult de antwoorden in op een papieren vragenlijst.
2. Een computer ondersteunt of leidt de vragen in bij een face-to-face of voice-to-voice survery.
3. Respondenten vullen zelfstandig de vragenlijst in via een website.
4. Mixed mode interview, een combinatie van twee of meer van de bovenstaande technieken.
De voordelen van het door een interviewer afgenomen survey
1. Feedback
2. Vertrouwensband
3. Kwaliteitscontrole
4. Aanpassingsvermogen
De nadelen van het door een interviewer afgenomen survey
1. Mensen maken fouten
2. Traagheid
3. Hoge kosten
4. Angst voor beoordeling door de interviewer
De voordelen van het met de computer afgenomen survey
1. Snelheid
2. Foutloze intervieuws
3. Gebruik van fotos, videobeelden plaatjes
4. Opslag van data in realtime
5. Minder last van beoordeling door de interviewer
De nadelen van het met de computer afgenomen survey
1. Technische vaardigheden
2. Hoge opzetkosten
De voordelen van het door de respondent zelf afgenomen survey
1. Lagere kosten
2. Controle door de respondenten
3. Geen angst voor beoordeling door de interviewer
De nadelen van het door de respondent zelf afgenomen survey
1. Controle ligt bij de respondent
2. Gebruik aan controle van buitenaf
3. Hoge eisen aan de vragenlijst
Bij gemengde surveys, worden verschillende soorten dataverzamelingsmethoden naast elkaar gebruikt. De voordelen hiervan zijn:
1. Meerdere pluspunten om het doel van data verzameling te bereiken.
De nadelen hiervan zijn:
1. De survery methode kan invloed hebben op het antwoord. (Geven de mensen die aan de deur de vragen beantwoorden anders antwoord dan de mensen die het online doen).
2. Een grote complexiteit. (Maakt het ingewikkelder)
7.3 een beschrijving van dataverzamelingsmethoden
In de onderstaande afbeelding zie je verschillende manieren om data te verzamelen.
7.4 keuze van een bepaalde surverymethode
Met de term percentage voorkomen wordt er het percentage van de bevolking bedoeld dat een kenmerk heeft dat een voorwaarde is om aan de survey te mogen meedoen.
Hoofdstuk 8 meten bij marktonderzoek
8.1 basale vraag-en-antwoordformats
Een onderzoeker kiest uit drie basale vraag en antwoord formats:
1. Open vragen: bij openvragen krijt de respondent geen antwoord mogelijkheden. Bij een openvraag zonder doorvragen probeert de interviewer geen extra informatie van de respondent te verkrijgen, maar bij een openvraag met door vragen probeert hij dit wel door een zogenaamde response probe. Bijvoorbeeld kunt u misschien nog iets op noemen?
2. Gesloten vraag: bij een gesloten vraag zijn de antwoordopties vermeld in de vragenlijst. Bij een dichotome gesloten vraag zijn er slechts twee antwoord opties. Als er meerde antwoorden mogelijk zijn spreken we van een gesloten vraag met meerdere antwoordmogelijkheden.
3. Vragen met antwoord schalen: bij een vraag met een antwoordschaal wordt gebruikt om de eigenschappen van een theoretisch begrip te meten. Een natuurlijke antwoordschaal houdt in dat de respondent een schaal krijgt met bijvoorbeeld jaren, maten, minuten. Bij een synthetische antwoordschaal wordt er gewerkt met eens en oneens.
8.2 overwegingen bij de keuze voor een vraag-en-antwoordformat
Om een keuze te maken zijn er 5 mogelijkheden die de keuzen kunnen benvloeden:
1. De aard van het kenmerk dat wordt gemeten. Op wat voor manier moet er antwoord gegeven worden op de vraag?
2. Vorig onderzoek. Het is gebruikelijk om het antwoordformat van het vorige onderzoek te nemen.
3. De dataverzamelingsmethoden. Sommige dataverzamelingsmethoden zijn geschikter voor bepaalde vraag-en-antwoordformats dan andere. Aan de telefoon kan je iemand moeilijk een vraag met antwoord categorien laten zien.
4. De capaciteit van de respondent. Kies een format waar de respondenten zich het best kunnen uitrukken.
5. Gewenst schaalniveau. Antwoorden moeten passend bij de vraag zijn.
8.3 basisbegrippen rond meten
- Objectieve eigenschappen: zoals leeftijd en dus fysiek te verifiren.
- Subjectieve eigenschappen: kunnen niet rechtstreeks worden gemeten zoals de houding van het individu.
- Intensiteit continum: de vragen lijst zo opstellen dat alle respondenten het op dezelfde manier toepassen.
8.4 schaalkenmerken
Schalen bezitten 4 kenmerken:
1. Beschrijving: verwijst naar het gebruik van een unieke beschrijvende aanduiding zoals ja/nee.
2. Volgorde: zoals groter dan, minder dan, gelijk aan
3. Afstand: als de verschillen in de eenheid kunnen worden uitgedrukt. Een fles cola kopen is minder dan drie flessen cola kopen.
4. Oorsprong: als er een uniek begin punt is of als de schaal een echt nulpunt heeft.
8.5 meetniveaus van schalen
8.6 waarom het meetniveau van een schaal belangrijk is?
Het meetniveau bepaald welke informatie je uiteindelijk krijgt over je onderzoeksproject.
8.7 veelgebruikte antwoordschalen in het marktonderzoek
Een antwoordschaal die veel gebruikt wordt is de Likertschaal, waarbij respondenten moeten aangeven hoe erg zij het eens/oneens zijn met een aantal uitspraken. Er bestaan ook speciale toepassingen zoals de levensstijlinventarisatie. Dit gaat over waarden en persoonlijkheid kenmerken. Zoals interesse en meningen. Een semantische differentiaal is nuttig om het imago van een winkel, bedrijf of merk te meten. Voorbeeld zie je hier onder:
8.8 welke schaal gebruik je wanneer?
- Schaal met ankers: een schaal waar beide eindpunten het tegenover gestelde zijn zoals ontevreden en zeer tevreden.
- Schaal zonder ankers: hebben geen nadere aanduiding zoals geef op een schaal van 1 tot 5 aan.
8.9 betrouwbaarheid en validiteit van metingen
- betrouwbare meting: elke respondent geeft op dezelfde of vergelijkbare manier antwoord.
Bij validiteit spreken we over in hoeverre de respondent eerlijk antwoord. Een valide meting is dus een meeting die waarheidsgetrouw is.
Hoofdstuk 9 het onderwerpen van data verzamelformulieren
9.1 de functies van een vragenlijst
Een vragenlijst heeft 6 belangrijke functies:
1. De onderzoeksdoelstelling wordt opgesteld in een vraag voor de respondenten.
2. Die vragen en de antwoord categorien worden gestandaardiseerd zodat iedere deelnemer op dezelfde prikkel reageert.
3. De gebruikten woorden, de volgorde van de vragen en hoe de vragenlijst eruitziet, zorgen ervoor dat de respondent mee werkt en gemotiveerd blijft tijdens het hele onderhoud.
4. Vragenlijsten dienen als permanenten onderzoeksverslagen.
5. Afhankelijk van het soort vragenlijst kan je het proces versnellen. Denk aan een online vragenlijst kun je binnen een paar seconden naar duizenden mensen sturen en de data analyseren.
6. Vragenlijsten worden door onderzoekers gebruikt voor kwaliteitscontrole.
Het onderwerp van de vragenlijst heeft rechtstreeks invloed op de kwaliteit van de verzamelde data.
9.2 het ontwikkelen van een vragenlijst
Hiernaast zie je het stappenplan voor het
Ontwikkelen van een vragenlijst.
Voordat de opdrachtgever de vragenlijst
Goedkeurt wordt er meestal vooraf nog
Een pretest gedaan. Dit is bedoeld om
Moeilijkheden aan het licht te brengen.
9.3 het ontwikkelen van vragen
Het ontwikkelen van vragen houdt in: de juiste antwoordformats selecteren zodat de vragen begrijpelijk, ondubbelzinnig en niet-vooringenomen zijn. Onderzoeksvragen dienen om de volgende zaken te meten:
1. Attitudes
2. Overtuigingen
3. Gedrag
4. Demografische data
Zelfs een woord in de vraag kan tot verrijkingen van uitkomsten leiden. Er zijn genoeg woorden die je moet vermijden in een vragenlijst zoals: alle, altijd, enige, iemand, best, ooit, elk, meest, nooit en ergst. Deze woorden zijn uittesters wat betekend dat je de respondenten dwingt het geheel met dit extreme standpunt eens/oneens te zijn. Er zijn natuurlijk ook dingen die je wel moet doen bij het formuleren van een vraag. Er wordt geadviseerd om je vraag te laten voldoen aan deze 4 criteria:
1. Toegespitst op een kwestie. Het richten op een specifieke kwestie of onderwerp. Het moet een vraag zijn die iedereen hetzelfde interpreteert dus niet wanneer ga je meestal naar werk?
2. Eenvoudig. Maak de zin zo eenvoudig mogelijk hoe moeilijker je deze vraag maakt hoe groter de kans is dat iemand het niet begrijpt of de vraag verkeerd opvat.
3. Kort. Onnodige en overbodige worden moet je altijd schrappen.
4. Volstrekt eenduidig. Iedereen moet de vraag op dezelfde manier lezen. Als je bijvoorbeeld de vraag hoeveel kinderen heb je stelt kan je dat verschillend opvatten. De ene persoon denk bijvoorbeeld dat het iom kinderen gaan die nog thuis wonen maar de andere persoon rekkend wel iedereen mee.
Hier onder vind je 4 dingen die je niet moet doen bij het formuleren van een vraag:
1. Suggestief. Een suggestieve vraag houdt in dan de respondent zodanig weet welk antwoord hij kennelijk moet geven.
2. Beladen. Is in feiten meer subtiel maar in feiten ook suggestief. In een beladen vraag bewoordingen zitten die verwijzen overtuigingen en gedragsregels.
3. Twee-in-een bedoelen we een vraag die eigenlijk uit twee vragen bestaat.
4. Overdreven vraag is een dramatische omschrijving van de vraag.
9.4 vragenlijsten die ontwikkeld zijn voor onlineonderzoek
In het boek staan voorbeelden van wat je wel en niet moet doen.
9.5 de indeling van de vragenlijst
Met de indeling van de vragenlijst wordt de volgorde van de vragen bedoeld.
- Inleiding: is de introductie van je vragenlijst. Als deze introductie samen met een post of online enqute wordt noem je dat meestal begeleidend schrijven. Vaak worden er in de inleiding ook nog drie andere dingen vermeld zo wordt er gewezen op een eventuele beloning, anonimiteit en vertrouwelijkheid.
- Meest voorkomende vraag volgorde dit is de ordening van vragen.
Een vragenlijst kan je verdelen in blokindelingen waarvan er 3 hieronder zijn beschreven.
- Bij trechterbenadering is de volgorden van vragen breed tot smal of van algemeen tot specifieke.
- Bij inspanningsbenadering staan vragen waar meer inspanning voor vereist is worden dan veder op in de vragenlijst gezet.
- Bij sectiebenadering worden de vragen opgedeeld in logische groepen.
9.6 een vragenlijst ontwerpen met behulp van de computer
Een computerondersteund vragenlijst houdt in dat er softwareprogrammas worden gebruikt om vragen te ontwikkelen en verspreiden. Zo kunnen de respondenten deze ook invullen via het internet.
Vaak wordt alle antwoorden van de respondenten in een databases hoe meer respondenten de enqute invullen hoe groter deze dan ook wordt.
9.7 de vragenlijst voor coderen
Bij Voorcodering geef je elk antwoord op de vraag een nummer cijfers zijn gemakkelijker en sneller te verwerken. Hieronder zie je de basisregels:
Voorbeeld:
Als laatste stap moet je je vragenlijst testen dit noem je present houden. Het houdt in dat je de vragenlijst laat maken door een kleine groep mensen. Op deze manier wordt er gezocht naar verbeteringen.
Hoofdstuk 10 de steekproefopzet bepalen
Een populatie wordt omschreven als de complete groep die wordt bestudeerd. De steekproef is een selectie van de populatie die representatief hoort te zijn voor de gehele groep.
Steekproefeenheid: meest basale onderzoek niveau. Vaak een consument, een huishouden of een bedrijf.
Volledige telling: een telling van de gehele populatie.
Steekproeffout: vallen alle fouten in een survey die optreden omdat je een steekproef gebruikt.
Steekproefkader: soort basis lijst van alle steekproefeenheden.
Steekproefkaderfout: de mate waarin de steekproef niet de gehele populatie omvat waarop het onderzoek betrekking heeft.
10.2 redenen om een steekproef te nemen
1. Er zijn praktische overwegingen, zoals de kosten en de omvang van de populatie. Een volledige telling houden is duur.
2. De fysieke omvang van het onderzoek legt de onderzoeker beperkingen op met betrekking tot het verzamelen van gegevens.
10.3 twee basismethoden van steekproeftrekking: aselecte en niet-aselecte steekproeven
Aselecte steekproeven: steekproef waarbij de leden van de populatie dezelfde bekende kans hebben om in de steekproef terecht te komen.
Methoden ervan zijn:
- Enkelvoudige aselecte steekproeven
- Systematische steekproeven
- Clustersteekproeven
- Gestratificeerde steekproeven
Niet-aselecte steekproeven: de kans dat de leden van de populatie in de steekproef terecht komen is onbekend. Vier soorten niet-aselecte steekproeven:
- Gemakssteekproeven
- Beredeneerde steekproeven
- Sneeuwbalsteekproeven
- Quotasteekproeven
10.4 onlinetechnieken van een steekproeftrekking
Aselecte onlineonderscheppingssteekproeven: een aselecte steekproef uit de bezoekers van de website door middel van pop-ups en banners.
Online steekproeven op uitnodiging: krijgen potentile respondenten een berichtje dat ze een vragenlijst kunnen invullen op een bepaalde website.
Online-panelsteekproeven: marktonderzoeksbureaus zetten dit op speciaal voor online surverys voor een bepaald profiel.
10.5 een steekproefopzet ontwikkelen
Hoofdstuk 13 Eenvoudige data-analyse: beschrijvende statistische maten
13.1 data coderen en het codeboek
Data-invoer: het maken van een computerbestand met ruwe data van alle vragenlijsten die geschikt worden geacht voor analyse.
Data coderen: codes toekennen aan de mogelijke antwoorden op elke vraag van de vragenlijst.
Codeboek: zijn alle namen van de variabelen in opgenomen, samen met de codes die aan elk mogelijk op elke vraag zijn toegekend.
13.2 soorten statische analyses bij marktonderzoek
Een datamatrix bestaat uit de gecodeerde ruwe data van een survey. Het probleem waarvoor de marktonderzoeker zich gesteld ziet bij een datamatrix het maken van een dataoverzicht.
Beschrijvende data-analyse: vormen zoals het gemiddelde, de modus, de standaardafwijking en het waarde bereik.
Inferentile analyse: als marktonderzoekers statische procedures gebruiken om de steekproefuitkomsten te generaliseren naar de doelpopulatie die ze representeren.
Analyse van verschillen: wordt gebruikt om ui te zoeken of er echt generaliseerbare verschillen in de populatie bestaan.
Analyse van verbanden: wordt onderzocht of en hoe twee variabelen met elkaar samenhangen.
Voorspellende analyse: statistische procedures en modellen ter beschikking, waarmee je een voerspelling kan doen over toekomstige beschikkingen.
13.3 data begrijpen via beschrijvende analyse
Datareductie: het verminderen van de hoeveelheid data zonder belangrijke informatie te verliezen. Helpt bij het identificeren van verborgen patronen in complexen datasets. Een centrummaat is erop gericht een enkel stuk informatie te rapporteren dat het meest typerende antwoord op de vraag beschrijft. Drie maten die vaak gebruikt worden zijn:
1. Modus: de meest voorkomende waarde in een data set.
2. Mediaan: is de middelste waarde in een geordende reeks getallen.
3. Gemiddelde: is de som van alle waarden gedeeld door het aantal waarden.
Spreidingsmaten: geven aan hoeveel waarden van elkaar of van het centrum liggen. Tonen hoe consistent of variabel de data is.
Hierbij behandelen we 3 spreidingsmaten:
1. Frequentieverdeling: is het optelling van het aantal keren dat elke verschillende waarde in een bepaalde verzameling waarden voorkomt.
2. Waardebereik: geeft de afstand tussen de laagste en hoogste waarden aan.
3. Standaardafwijking: geeft de maten van variatie, spreiding of diversiteit in een waarde aan.
. De oefenexamen moet geschreven zijn op het niveau van de Hogeschool. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag