Maak een oefenexamen van de volgende tekst: 3.1 Taalverwerving via spreken en luisteren:
Bij de eerste taalverwerving gaat het over de verwerving van de moedertaal.
Visies:
Behaviorisme: Taalverwerving verloopt via imitatie (nadoen), positieve feedback (bekrachtiging goed gedrag) en conditionering (aanleren van nieuw gedrag door herhaling).
Nativisme: Aangeboren kennis en vermogens. Kinderen kunnen uit zich zelf de structuur van een taal doorgronden.
Interactionele benadering: Taalverwerving door imitatie en aangeboren taalleervermogens. Veel interactie met omgeving is nodig.
Taalgroeimiddelen hierbij zijn: Taalaanbod, Taalruimte en Feedback.
Nieuw onderzoek:
- Als kinderen genoeg taal aangeboden krijgen, herkennen ze algemene patronen in de taal die ze om zich heen horen. (concrete taal waarnemingen generaliseren).
- Omgeving = cruciaal.
Kritische periode: Tussen de geboorte tot 7 jaar zijn de hersenen sterk gericht op het verwerven van taal.
Tweede taalverwerving: Verwerving van een andere taal dan de moedertaal.
Visies:
Interfentietheorie: Het letterlijk vertalen van de ene taal naar de andere taal. Dit zorgt vaak voor veel interfentiefouten.
Universalistische theorie: De foutjes die gemaakt worden bij de taalverwerving zijn vaak universeel. Omgeving heeft wel invloed hierop.
Interactionele benadering: Nadruk ligt op het taalaanbod, interactie en feedback.
Hoe bevorder je de taalverwerving?
- Modelleren door volwassenen.
- Feedback.
- Ruimte voor taalproductie.
- Taal en denken dat elkaar stimuleert.
Metalingustisch bewustzijn: Het bewustzijn van taal en de structuur van woorden en zinnen.
3.1.2: Ontwikkeling van de taalcomponenten:
Al van jongs af aan luisteren wij naar onze omgeving zonder dat we zelf al kunnen praten.
Tot 7 maanden experimenteren babys nog met alle mogelijke klanken. fonologische component.
Vocaliseren is het herhalen van klanken.
Vanaf 10 tot 12 maanden gaan kinderen meer taal specifieke klanken produceren.
Alle kinderen verwerven de regels voor de vorming van woorden in het morfologische component. Kinderen combineren alle componenten.
Taalinhoud: Lexicale/semantische component hoort hierbij. (Belangrijke mijlpaal hierbij is dat kinderen aan bepaalde voorwerpen of personen vaste klanken gaan toekennen en vervolgens woorden gaan gebruiken.)
Receptieve woordenschat: De woorden die het kind wel begrijpt maar zelf niet gebruikt.
Productieve woordenschat: De woorden die het kind zelf gebruikt en begrijpt.
Semantisch veld: Groep woorden die bij een groep horen, (bijv; kleuren: rood, blauw, groen, geel.)
3.1.3: Fasen in de eerste taalverwerving:
Pre-linguale/pre-verbale fase: Huilen, vocaliseren, vocaal spel, brabbelen.
Vroeg-linguale periode: Eenwoord-fase, symboolbewustzijn.
Differentiatiefase: langere zinnen, grammaticaal in ontwikkeling, verfijning taalkennis.).
Voltooiingsfase: langere en complexere zinnen
3.1.4: Schema van de mondelinge taalverwerving:
Hierbij wordt gekeken naar de verschillende componenten.
Morfologisch: Het leren van inhoudswoorden en functiewoorden. In het begin maken kinderen weinig gebruik van dit component in de eerste taal. Bij de tweede taal gaat dit op dezelfde wijze.
Syntactisch: Bij beiden zal er een opbouw zijn van het aantal woorden in een zin. Bij NL als moedertaal is er de fase van eenwoordzinnen, vervolgens de fase van tweewoordzinnen en daarna de fase van meerwoordzinnen. Hierna wordt de grammatica complexer. Bij tweede taal zullen de kinderen al snel langere zinnen proberen te maken omdat ze dat vanuit hun eigen taal al gewend zijn.
Tekstuele component:
De kinderen leren geleidelijk de regels te ontwikkelen die betrekking hebben op gesproken en geschreven teksten. Hoe meer ruimte er is, hoe beter de kinderen zich ontwikkelen. Dit geldt ook voor kinderen die nl als tweede taal hebben. De grootte van hun woordenschat is echter vaak wel een probleem.
Pragmatische component:
Kinderen leren geleidelijk wat gepast is om te zeggen en wanneer dit gezegd kan worden. Dit is bij kinderen met NL als tweede taal ook zo alleen komen zij vaak uit een andere cultuur dus moeten ze hun cultuurelementen zien te balanceren en onderscheiden.
Fonologische component:
Pre-verbale fase in NL, bij tweede taal kinderen is dit niet, zij slaan deze fase over en beginnen meteen met het aanleren van woorden. Hun klanken zijn wel soms anders dus dat is lastig.
3.1.5 Factoren die de taalverwerving benvloeden:
Individuele factoren:
Intelligentie.
Taalgevoel.
Motivatie.
Sociaal-emotionele ontwikkeling.
Omgevingsfactoren:
Taalaanbod thuis.
Samenstelling van het gezin.
Taalruimte thuis.
Moedertaal heeft invloed op hoe je taal aanleert. Kinderen die thuis Nederlands al spreken zullen de taal makkelijker in andere omgevingen oppakken dan kinderen die thuis een andere taal spreken.
3.2.1: Vroeg schriftelijk taalaanbod thuis:
Mondelinge taalaanbod: De kinderen kunnen door gesprekken te horen en zelf gesprekken te voeren goed communiceren en hieruit betekenissen afleiden. Het is nodig om in onze samenleving te functioneren.
Schriftelijke taalaanbod: Bij het schriftelijke taalaanbod wordt er gebruik gemaakt van tweedimensionale afbeeldingen. Er is een gevarieerder taalgebruik en woordgebruik. (taal van kinderboekschrijvers is anders dan dat van de ouders van het kind.). De leerlingen komen in contact met andere werkelijkheden.
Doordat ouders vaak al op jonge leeftijd beginnen met het voorlezen aan hun kind komen ze al vroeg in aanraking met het schriftelijke taalaanbod.
3.2.2 Lezen en schrijven op school:
Hoe kunnen we het taalverwervingsproces versnellen?
Veel oefeningen uitvoeren binnen de taalmethodes.
Via boeken van een taalmethode taalzaken expliciteren (uitdrukkelijk omschrijven) , bespreekbaar maken en te beschouwen.
Leerkrachten met een goede kennis van taal, doorgaande leerlijnen en ontwikkeling van de kinderen in de groep.
Dit allemaal samen zorgt voor een sneller taalverwervingsproces!
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 20.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag