Maak een oefenexamen over het onderwerp: In de biologie bestudeer je organismen. Organismen zijn levende wezens, zoals planten, dieren, schimmels en bacterin. Alle levende organismen vertonen levensverschijnselen, zoals voortplanten, groeien, ontwikkelen en stofwisseling. Met stofwisseling worden alle chemische (scheikundige) reacties in een organisme bedoeld. In de biologie kun je bestuderen wat er inwendig in een organisme gebeurt. Je kunt ook onderzoeken welke relaties er zijn met andere organismen en met de omgeving.
Als een organisme geen levensverschijnselen meer vertoont, noem je het dood. Dingen in de natuur die nooit hebben geleefd, noem je levenloos, bijvoorbeeld water, zuurstof, koolstofdioxide en gesteenten.
Elk individueel organisme of individu heeft een unieke levensloop. De levensloop begint direct na het ontstaan van het organisme. Dan begint een organisme met groeien en ontwikkelen. Tijdens de ontwikkeling treden er veranderingen op in de bouw en het functioneren van het organisme of van bepaalde delen ervan. Je kunt een levensloop daardoor verdelen in verschillende fasen of stadia. De levensloop eindigt met de dood van het individu.
Hoewel de individuen van een soort sterven, blijft de soort voortbestaan. Individuen behoren tot dezelfde soort als zij zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen kunnen voortbrengen. Alle individuen van een soort doorlopen tijdens hun levensloop dezelfde stadia. Dit noem je de levenscyclus van een soort (zie afbeelding 3). De levenscyclus eindigt alleen als de soort uitsterft.
Doordat biologie een breed vak is, bestuderen biologen biologische systemen op verschillende niveaus: de organisatieniveaus of biologische eenheden. Organismen zijn georganiseerd in biologische eenheden (zie afbeelding 5). De kleinste biologische eenheid is een molecuul. Moleculen zijn de bouwstenen van stoffen. Een belangrijk molecuul in organismen is DNA. Dit bevat de erfelijke informatie van een organisme.
Een cel is een grotere biologische eenheid en een hoger organisatieniveau dan een molecuul. In een cel tref je onderdelen aan met een bepaalde functie: de organellen. Een celkern is een voorbeeld van een organel. Een groep van een of meer verschillende celtypen die een gemeenschappelijke functie hebben, noem je een weefsel. Verschillende weefsels bij elkaar vormen samen een orgaan. Een orgaan is een deel van een organisme met een specifieke bouw en functie. Je hart, je ogen en je hersenen zijn organen. Organen die samen een bepaalde functie uitoefenen, vormen een orgaanstelsel. Voorbeelden van orgaanstelsels zijn het verteringsstelsel en het ademhalingsstelsel. De longen en de luchtpijp horen bij het ademhalingsstelsel.
Nog complexer is een organisme. Een organisme zoals een wolf is meercellig. Eenvoudige organismen zoals bacterin bestaan uit slechts n cel. Organismen behoren tot een populatie. Zo noem je een groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leeft en zich onderling voortplant. Populaties leven nooit alleen, maar altijd samen met andere populaties. Dit kunnen populaties van dezelfde soort zijn, maar ook van andere soorten. Alle verschillende populaties die in een gebied samenleven, noem je een levensgemeenschap. Een ecosysteem is een min of meer begrensd gebied waarvan een levensgemeenschap en de niet-levende natuur deel uitmaken. Tot de niet-levende natuur in een ecosysteem behoren bijvoorbeeld de temperatuur en de hoeveelheid zonlicht. Voorbeelden van ecosystemen zijn een weidegebied, een bos, een sloot of een koraalrif. Het geheel aan ecosystemen op aarde vormt het systeem aarde.
Als er op een hoger organisatieniveau een nieuwe eigenschap ontstaat die er op het lagere organisatieniveau niet is, noem je dat een emergente eigenschap. Emergent is afgeleid van het Engelse werkwoord to emerge (tevoorschijn komen). Een cel bestaat bijvoorbeeld uit veel moleculen. En enkele molecuul van een cel leeft niet. Maar interactie tussen alle moleculen levert wel een levende cel op. Interactie betekent op elkaar reageren. De moleculen van een cel reageren ook op invloeden uit de omgeving. Door interactie van organen zoals spieren, zenuwen, ogen, beenderen, hersenen en bloedvaten verschijnt de nieuwe eigenschap lopen op het hogere organisatieniveau organisme. De genoemde organen kunnen niet zelfstandig lopen. Daarvoor is samenwerking nodig tussen de biologische eenheden van de verschillende organisatieniveaus.. De oefenexamen moet geschreven zijn op het niveau van de Middelbare school. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is onbeperkt.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag