Maak een oefenexamen van de volgende tekst: Hoofdstuk 8. Voeding
De componenten van voedsel:
1. Koolhydraten: Koolhydraten zijn een belangrijke bron voor de energie in het menselijk lichaam. Ze kunnen maar in beperkte mate in het lichaam worden opgeslagen, daarna wordt het overschot omgezet in vet en als vetweefsel opgeslagen.
2. Vetten: Vetten zijn een belangrijke bron van energie. Kan onbeperkt worden opgeslagen.
3. Eiwitten: Eiwitten zijn een belangrijke bouwstof voor het lichaam en nieuw celmateriaal.
4. Vitamines: Vitamines zijn essentieel voor de verbranding van energie, het afweersysteem, hormonen en afbreken van gifstoffen. Vitamines kunnen maar onbeperkt worden opgeslagen in het lichaam, daarom is het belangrijk dat je er voldoende van binnen krijgt.
5. Mineralen hebben verschillende doeleinden, zoals calcium voor de beenderen, ijzer voor het bloed en kalium voor zenuwtransmissie.
Toevoeging:
Vitamine A en D zijn vetoplosbare vitamines.
Vitamine C en B zijn wateroplosbare vitamines.
Wat mensen eten:
1. Zoete smaak is aangeboren om als voorkeur te hebben.
2. Hoe groter het portie eten, hoe meer mensen gaan eten.
Voeding en gezondheid:
1. Het lichaam maakt zelf cholesterol aan. Cholesterol zorgt voor vette plaques aan de aderwanden.
2. Low density cholesterol is slechte cholesterol. Zorgt voor aderverkalking.
3. High density cholesterol is goede cholesterol en verkleint de kans op aderverkalking. Zorgt er voor dat LDL naar de lever wordt afgevoerd.
4. Triglyceriden: Zitten in de meeste vetten en zorgen voor een verhoogd risico op hartziekte.
5. Hoge bloeddruk, de leeftijd en een tekort aan HDL zorgen voor een verhoogd risico op LDL.
6. Cholesterolgehalte wordt deels bepaald door de leefstijl en deels door erfelijkheid.
Voeding en gewichtscontrole:
1. Goed BMI zit tussen de 18,5 en 25.
2. Mannen zijn vaker te zwaar, maar vrouwen hebben vaker obesitas.
3. Te veel aan calorien wordt opgeslagen in vetweefsel.
4. Vetweefsel heeft een laag metabolisme, daardoor kan een zwaar iemand minder eten maar niet afvallen.
5. Endocriene problemen spelen maar een kleine rol bij overgewicht.
6. Obesitas kan genetisch zijn, maar kan ook komen door voorbeeldgedrag.
7. Set-point theorie zegt dat elk lichaam een streefgewicht heeft. Deze theorie is door studies bevestigd.
8. De hypothalamus monitort bepaalde aspecten van vetcellen. Hypothalamus produceert bij een afname van grootte in vetcellen een enzym dat de opname van vet in vetcellen stimuleert. Dit geeft een verzadigd gevoel.
9. Hypothalamus stimuleert ook de insuline aanmaak. Insuline stimuleert de vetopname in vetcellen.
10. Vetcellen nemen vooral in kindertijd toe, het aantal vetcellen kan niet meer afnemen. Te veel vetcellen zorgen voor fat-cell hyperplasia.
Preventie van overgewicht:
1. Preventie zou in de kindertijd moeten beginnen.
2. Voorlichting over de preventie van overgewicht zou op school gegeven kunnen worden>
3. Gezonde snacks meegegeven.
Manieren om af te vallen:
1. Dieet is vaak ineffectief en leidt tot terugvallen.
2. Mensen hebben meer succes als ze geleidelijk afvallen, sociale steun hebben en hun levensstijl aanpassen.
3. Gedragsmethoden zoals counseling, stimulus controle helpen goed tijdens het afvallen.
4. Werkhulpgroepen hebben een lage effectiviteit en grote uitval.
5. Follow up na dieetprogramma's kan de kans op terugval verkleinen.
Hoofdstuk 7. Middelengebruik en misbruik
Middelenmisbruik:
1. Positieve bekrachtiging: Het toevoegen van iets positiefs, bijvoorbeeld een prettig gevoel.
2. Negatieve bekrachtiging: Het afnemen van iets negatiefs, zoals het verminderen van een gestrest gevoel.
3. Er is een genetische invloed van verslaving aanwezig.
Roken:
1. Ongeveer 1,3 miljard mensen roken op de wereld.
2. De sociale omgeving is een belangrijke determinant voor het roken.
3. Moeders die roken geven dit ook mee aan de baby in de buik. Zij hebben een grotere kans om te gaan roken.
Alcohol:
1. Zwaar drinken is minimaal 5 dagen per week, meer dan 5 drankjes drinken.
2. Mannen zijn vaker alcoholist dan vrouwen.
3. Genetische depositie is er vooral wanneer mensen zijn begonnen met drinken voor hun 25ste levensjaar.
4. Matig alcoholgebruik zoals 1 a 2 glazen per dag kan bevorderlijk zijn voor de gezondheid. Lichamelijke stress en verlaging van cholesterol kunnen optreden.
5. Het Abstinence Violation Effect is de emotionele en cognitieve reactie die kan optreden wanneer iemand een zelf opgelegde afspraak niet nakomt.
Preventie:
1. Voorlichting moet beginnen voor het 12de levensjaar.
2. Preventieprogrammas moeten ingaan op waarom jongeren middelen misbruiken.
3. Programmas moeten lang zijn en opfrissessies bevatten.
4. Ouders kunnen betrokken worden tijdens preventieprogrammas.
5. Hypnose helpt niet tijdens het stoppen van alcohol en drugs.
6. Zelfwaardering is erg belangrijk tijdens een interventie om middelengebruik te verminderen.
7. Multidimensionale programmas werken het beste.
Hoofdstuk 6. Gezondheidsgerelateerd gedrag.
Gedrag en gezondheid:
1. Gezondheidsgedrag: Gedrag van mensen om ziekte te voorkomen of gezondheid te verbeteren.
2. Gezondheidsbehoudend gedrag: Gedrag om gezondheid te behouden en te verbeteren. Zoals vaccinatie, beweging of gezond eten. Motivatie speelt hierbij een grote rol.
3. Symptoomgedrag: Gedrag van mensen die zich ziek voelen om de ziekte te definiren en een goede behandeling te zoeken.
4. Ziekterolgedrag: Gedrag van mensen die zich ziek voelen om zich weer beter te voelen.
5. Vrouwen vertonen meer gezondheidsbevorderend gedrag dan mannen.
6. Gezondheidsgewoonten zijn geen constant gegeven, wel vrij stabiel. Veranderen gedurende de tijd. Het ene gedrag is niet verbonden aan het andere.
Interdisciplinaire perspectieven op preventie van ziekte:
1. Drie benaderingen in ziektepreventie: Gedragsbenvloeding, omgevingsmaatregelen en preventieve medische maatregelen.
2. Primaire preventie: Maatregelen om ziekte of ongeluk te voorkomen.
3. Secundaire preventie: Acties om ziekte en letsel vroegtijdig op te sporen en te behandelen. Doel is vroegdiagnose.
3. Tertiaire preventie: Beheersen of vertragen van blijvende schade door ziekte.
Problemen in het promoten van de gezondheid:
1. Gezond gedrag is niet erg aantrekkelijk.
2. Langdurige slechte gewoontes zijn moeilijk om te doorbreken.
3. De sociale omgeving geeft het slechte voorbeeld.
Algemene factoren van gezondheidsbevorderend gedrag:
1. Erfelijkheid speelt een rol bij gezondheidsbevorderend gedrag.
2. Leren kan ook een rol spelen bij bevorderend gedrag zoals operante conditionering, of negatieve bekrachtiging.
3. Modeling speelt ook een rol bij gezondheidsbevorderend gedrag.
4. Het hebben van onjuiste kennis kan een negatieve impact hebben op het gezondheidsbevorderende gedrag.
Het Health Belief Model (Gedrag verklaren):
1. Het HBM voorspelt gezondheidsgerelateerd gedrag.
2. De voorspelling hangt af van 2 beoordelingen; 1. Waargenomen bedreiging van een ziekte of verwonding. 2. Waargenomen voordelen en barrires.
3. Voordelen - barrires = resultaat.
4. Het model geldt bij primaire, secundaire en tertiaire preventie.
5. Het model houdt geen rekening met gezondheidsgerelateerd gedrag dat een gewoonte is zoals tandenpoetsen.
6. Dreiging is veel minder belangrijk in de afweging dan men suggereert.
7. Om gedrag te veranderen met behulp van het Health Belief Model, dienen mensen het gewenste gedrag als iets positiefs te zien dat bijdraagt aan het verminderen van een ervaren gezondheidsbedreiging.
8. Voordelen moeten groter zijn dan de nadelen.
Theory of planned behavior (Gedrag verklaren):
1. De Theory of Planned Behavior (TPB) is een psychologisch model dat voorspelt hoe intenties en gedrag van mensen worden gevormd. Intentie is een belangrijke determinant als het gaat om het voorspellen van gedrag.
2. Intenties worden gevormd door: Houding, subjectieve norm en de verwachte gedragscontrole.
3. De subjectieve norm houdt in dat wat anderen van hen verwachten met betrekking tot het gedrag.
4. De verwachte gedragscontrole houdt in hoe acht men zichzelf het gedrag uit te kunnen voeren.
5. Tekortkomingen zijn dat mensen hun intenties niet altijd correleren met wat ze uiteindelijk doen.
ASE Model (Gedrag verklaren):
1. Het ASE-model (Attitude, Social Influence, and Self-efficacy) is een gedragstheoretisch model dat wordt gebruikt om gezondheidsgedrag te begrijpen en te benvloeden.
2. Het ASE onderscheidt 3 soorten sociale invloeden: de subjectieve norm, de sociale steun en modelling.
Social cognitive theory (Gedrag verklaren):
1. De Social Cognitive Theory wordt vaak toegepast in gezondheidseducatie en gedragsverandering, omdat het helpt te begrijpen hoe mensen leren en zich aanpassen in sociale contexten.
2. Deze theorie laat zien dat mensen leren door gedrag van anderen te observeren, dat gedrag na te doen en dat te blijven doen, als ze de (positieve) gevolgen van het gedrag ondervinden (beloning).
3. De drie determinanten die worden gebruikt zijn: De afweging van de voor en nadelen, sociale invloeden, inschatten van eigen kunnen (self efficacy).
Stages of change model (Gedrag veranderen):
1. Dit model geeft zes fasen waarmee iemand tot het gewenste gedrag komt. In elke fase is er iets anders nodig om mensen een fase verder te brengen.
2. Precontemplation (Vooroverweging): Mensen zijn zich niet bewust van het probleem of willen geen verandering. Ze denken er niet over na om hun gedrag te veranderen.
3. Contemplation (Overweging): Mensen beginnen na te denken over het probleem en overwegen om hun gedrag te veranderen, maar hebben nog geen actie ondernomen.
4. Preparation (Voorbereiding): Mensen zijn van plan om binnen een korte periode actie te ondernemen en beginnen vaak al met kleine stappen richting verandering.
5. Action (Actie): Mensen ondernemen actieve stappen om hun gedrag te veranderen. Dit is de fase waarin de meeste inspanning en toewijding vereist zijn.
6. Maintenance (Onderhoud): Mensen werken eraan om hun nieuwe gedrag vol te houden en terugval te voorkomen. Deze fase kan langdurig zijn.
Programmas voor gezondheidspromotie:
1. Massamedia heeft vaak niet zoveel succes.
2. Maatwerk is belangrijk tijdens programmas voor gezondheidspromotie.
3. Loss-framed: Negatieve gevolgen van ongezond gedrag benoemen.
4. Veel angst tijdens gezondheidsprogrammas leidt alleen tot het gewenste gedrag als er daadwerkelijk wat aan gedaan kan worden.
Hoofdstuk 5. Omgaan met en het verminderen van stress.
Coping:
1. Coping is moeilijk om te meten met een instrument.
2. Emotiegerichte coping: De emoties reguleren die met stress gepaard gaan.
3. Probleemgerichte coping: Het probleem via acties aanpakken.
4. Beide typen coping kunnen tegelijkertijd worden gebruikt.
5. Vrouwen gebruiken vaker emotiegerichte coping dan mannen, behalve als ze een gelijk beroep hebben.
6. Mensen zijn consistent op welke manier ze met specifieke stressoren omgaan.
7. Coping verschilt bij kortdurende en langdurende stress.
8. Ouderen gebruiken vaak emotiegerichte coping.
9. Mannen hebben grotere sociale netwerken, maar vrouwen gebruiken deze beter.
Medicatie voor stress:
1. Benzo: Verlagen neurotransmissie in het centrale zenuwstelsel. Verlagen, angst en opwinding.
2. Btablokkers: Angst en bloeddruk gaan omlaag. Geven geen slaperigheid.
3. Niet te lang gebruiken, liefst alleen bij acute crisis.
Gedragsmatige en cognitieve methoden:
1. Multidimensionale aanpak is vaak het beste.
Hoofdstuk 4.
Stress biopsychosociale factoren en ziekte.
Psychosociale factoren van stress.
1. De mate waarin iemand reageert op stress hangt af van de sociale steun, de persoonlijke controle, de persoonlijkheid (A of B).
2. Er zijn 4 soorten sociale steun: Emotionele, concrete, informatieve en gezelschap steun.
3. Kankerpatinten vinden vooral emotionele en waarderende steun het prettigst.
4. Concrete steun wordt het minst gegeven.
5. Ouderen hebben meer behoefte aan sociale steun. Hoe minder sociale steun iemand ontvangt hoe sneller diegene dood gaat.
6. Er zijn 3 soorten dimensies in sociale steun: daadwerkelijke sociale steun, beschikbare sociale steun en de waargenomen sociale steun.
7. Sociale steun kan de bloeddruk verlagen.
8. Bufferhypothese: Iemand heeft alleen baat bij sociale steun als er een stressor aanwezig is, anders is het effect van sociale steun niet nodig.
9. Direct-effect hypothese: Sociale steun is altijd goed voor de gezondheid.
10. Sociale steun is alleen bevorderlijk als het matcht en als de behoefte er is.
Persoonlijke controle:
1. Persoonlijke controle: het gevoel dat men zelf in actie kan komen om een situatie te kunnen veranderen.
2. Locus of control: Het gevoel een situatie te kunnen benvloeden.
3. Interne locus of control: Het gevoel hebben zelf veel invloed uit te kunnen oefenen op een situatie.
4. Externe locus of control: Het gevoel hebben dat de uitkomst van een situatie komt door externe factoren.
5. Locus of control kan gemeten worden door de I-E scale.
6. Self-efficacy: Het gevoel hebben iets aan te kunnen. Zelfvertrouwen.
7. Mensen ontwikkelen self-efficacy door leren en ervaring.
8. Geleerde hulpeloosheid: Een fenomeen waarbij iemand zich bij de situatie neerlegt.
9. Mensen beoordelen of een situatie 1. Intern of extern is, stabiel of tijdelijk, algemeen of specifiek.
10. Als iemand een situatie als intern, stabiel en algemeen ziet dan ontstaat er aangeleerde hulpeloosheid.
11. Mensen met veel persoonlijke controle zijn vaak gezonder.
Hardiness:
1. Hardiness bestaat uit 3 aspecten: Persoonlijke controle, betrokkenheid en uitdaging.
2. Het is moeilijk om te bepalen hoe hardiness zich ontwikkeld.
3. Hardiness heeft betrekking op de persoonlijke karaktertrekken die invloed hebben op het wel of niet ziek worden onder stress.
Type A of B gedragspatronen:
1. Type A: Erg competitief, tijd te kort en makkelijk boos.
2. Type B: Tegenovergestelde van type A.
3. De persoonlijkheden worden vaak via een interview gemeten.
4. Type A persoonlijkheden die vaak boos zijn hebben meer kans op coronaire hartziekten.
Benvloeding van de gezondheid door stress:
1. Het diathese stressmodel: Vatbaarheid voor ziektes hangt samen met de diathese en de hoeveelheid stress die men ervaart.
2. Stress kan de gezondheid door een indirecte of directe route benvloeden.
3. Stress zorgt voor een hoger cholesterolgehalte en bloedplaatjes die plaques kunnen veroorzaken in de vaatwanden waardoor de bloeddruk verhoogt.
4. Stress zorgt voor hoge endocriene activiteit wat kan zorgen voor uitscheiding van catecholamines, dit kan zorgen voor hartritmestoornissen en verhoogde kans op atherosclerose.
5. Stress kan zorgen voor een verzwakt immuunsysteem omdat een hoog gehalte aan hormonen kan leiden tot een verminderde werking van immuuncellen.
Psycho-Neuro-immunologie:
1. Psycho-Neuro-immunologie: Bestudeert de interrelaties tussen de psychosociale processen en de fysiologische processen.
2. Feedback loop: Zenuwstelsel, endocriene en immuunsysteem benvloeden elkaar wederzijds.
3. Goede bloeddruk is 120/80.
4. Secundaire hypertensie: Ontstaat door een mankement in een ander orgaan.
5. Primaire hypertensie: Geen aanwijsbare lichamelijke oorzaak (obesitas, te weinig beweging etc).
6. Er is geen relatie in het ontstaan van stress en kanker.
Hoofdstuk 3. Stress ziekte en coping.
Het ervaren van stress:
1. Strain is de reactie op stress.
2. Voortdurende aanpassing op de situatie wordt een transactie genoemd.
3. Primaire beoordeling: Beoordeling van de eisen van de stressor.
4. Secundaire beoordeling: Beoordeling van eigen capaciteiten.
5. Primaire beoordeling heeft 3 uitkomsten: 1. irrelevant, 2. gunstig, 3. situatie zorgt voor stress. Als een situatie voor stress zorgt volgt er een verdere beoordeling.
6. Er vindt eigenlijk altijd appraisal plaats, behalve in shocktoestand.
Biologische aspecten van stress.
1. De fysiologische reactie op een stressor heet reactivity.
2. Genetische factoren benvloeden de mate van reactivity.
3. GAS: 3 fasen van een reactie op stressor: 1. Alarmfase (ACTH wordt uitgescheiden) 2, Weerstandsfase (aanpassing aan stressor, verhoogde fysieke arousal) 3, Uitputtingsfase (als stress blijft aanhouden kan dit iemand uitputten en tot de dood lijden). GAS is niet-specifiek per stressor.
4. Allostatic load: Fysiologische druk die het lichaam krijgt tijdens stress.
5. Bij stress wordt er gereageerd door noradrenaline, adrenaline en cortisol. Dit verschilt per stressor. Bij sterke emotie alle 3 de hormonen.
Psychosociale aspecten van stress:
1. Vrouwen hebben meer last van kleine en grote stressoren dan mannen.
2. Mannen hebben een sterkere reactivity.
Meten van stress:
1. Fysiologische opwinding kan gemeten worden door een polygraaf, analyse van het bloed of de urine.
2. SSRS: Meet hoeveel aanpassing er nodig is per gebeurtenis. Hoe hoger de score, hoe meer stress.
3. Hassles-scale: Meting van alledaagse stressoren.
4. Uplift scale: Meting van alle prettige gebeurtenissen.
5. Alledaagse problemen hebben een sterker verband met de gezondheid dan daily uplifts.
6. In lichte mate kan stress goed zijn voor een persoon.
Hoofdstuk 2. De fysieke systemen van het lichaam.
Het endocriene systeem.
1. Het endocriene systeem is een set van klieren.
2. Het autonome zenuwstelsel is voor alle onbewuste processen in het lichaam, en werkt samen met het endocriene.
3. Het somatische zenuwstelsel zijn de spieren.
4. Het sympatische zenuwstelsel is het stelsel dat reageert tijdens stress.
5. Het parasympathische zenuwstelsel is het stelsel dat alle onbewuste processen reageert en het lichaam onderhoudt in rusttoestand.
6. Functie van bijnieren is het uitscheiden van cortisol tijdens stress.
7. Continu hoog cortisolgehalte kan zorgen voor een te hoge bloeddruk en ademhaling.
8. De schildklier: reguleert lichaamsactiviteit en groei.
9. De alvleesklier: Regelt glucosegehalte.
Het spijsverteringssysteem:
1. De maag kan alcohol en aspirine absorberen.
2. De 12 vingerige darm is de darm die de dunne darm en maag verbindt.
3. Hepatitis is een ziekte waardoor de lever ontstoken raakt.
4. Basale metabolische rate: Hoeveelheid energie (calorien, (vetten en koolhydraten)) een lichaam in rust gebruikt. (ligt hoger bij mannen dan bij vrouwen).
Het hart en vaatstelsel:
1. De aderen: brengen zuurstofarm bloed naar het hart.
2. De slagaderen: brengen zuurstofrijk bloed van het hart weg.
3. De longaders: De longader vervoert zuurstofrijk bloed vanuit je longen naar je hart
4. De longslagader: De longslagader vervoert zuurstofarm bloed van het hart naar je longen. Ook moet het hart zuurstofrijk bloed krijgen en afvalstoffen afvoeren.
5. Rechterkamer: CO2 gevuld.
6. Linkerkamer: O2 gevuld.
7. De diastolische druk: Onderdruk, tijdens rust.
8. Systolische druk: Bovendruk, tijdens contractie.
Het bloed.
1. Leukocyten: Witte bloedcellen.
Het immuunsysteem:
1. Lymfocyten: Specifieke afweer, gemaakt in het beenmerg.
2. De milt filtert geen lymfevloeistof maar bloed. Oude rode bloedcellen worden hier uit het bloed gehaald.
3. De specifieke afweer is onder te verdelen in cellulaire afweer en humorale afweer. Het humorale (extracellulaire) afweersysteem richt zich op ziekteverwekkers in het lichaamsvocht (bloed etc.), het (intra)cellulaire afweersysteem richt zich op zieke, genfecteerde cellen.
. De oefenexamen moet geschreven zijn in de Nederlandse taal. Onderin staan de antwoorden. Het aantal vragen dat het oefenexamen moet bevatten is 30.
Stel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraagStel een studievraag en wij proberen hem zo goed mogelijk te beantwoorden.
Stel een vraag